Overeenkomst van aanneming: de laatste termijn is opeisbaar en moet door opdrachtgever worden betaald. De bedragen die opdrachtgever in reconventie wil verrekenen, kunnen niet worden verrekend. Die waren al eerder verrekend.
Rechtbank Overijssel 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:4716
Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-08-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
C/08/341130 / HA ZA 25-402
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBOVE:2026:4716text/xmlpublic2026-08-03T15:14:442026-08-02Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Overijssel2026-07-22C/08/341130 / HA ZA 25-402UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLAlmeloCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4716text/htmlpublic2026-08-03T15:13:112026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBOVE:2026:4716 Rechtbank Overijssel , 22-07-2026 / C/08/341130 / HA ZA 25-402 Overeenkomst van aanneming: de laatste termijn is opeisbaar en moet door opdrachtgever worden betaald. De bedragen die opdrachtgever in reconventie wil verrekenen, kunnen niet worden verrekend. Die waren al eerder verrekend.
RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: C/08/341130 / HA ZA 25-402 Vonnis van 22 juli 2026 in de zaak van
[partij A] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. W.A.J. Stregels, tegen 1
[partij B1], 2. [partij B2], beiden wonende in [woonplaats],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B],
advocaat: mr. R.R. Beuker. 1De procedure1.1 De rechtbank heeft de volgende stukken gelezen: de dagvaarding; de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie; de conclusie van antwoord in reconventie. 1.2 Op 27 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de heer [naam] namens [partij A], bijgestaan door mr. Stregels, en mevrouw [partij B2] en de heer [partij B1], bijgestaan door mr. Beuker. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling gesloten en bepaald dat zij vonnis zal wijzen. 2Waar gaat de zaak over?2.1 Op 10 september 2019 heeft [partij B] met [partij A] een aannemingsovereenkomst gesloten over – kort gezegd – de (vernieuw)bouw van een appartement met bijbehorende parkeerplaatsen in [plaats]. De vernieuwbouw is door [partij A] uitgevoerd. Partijen zijn het niet met elkaar eens over de financiële afwikkeling van de vernieuwbouw en vorderen in deze zaak over en weer een (terug)betaling van elkaar. 2.2 In conventie (de eis) gaat het geschil erover dat na oplevering van de gemeenschappelijke ruimtes van het appartementencomplex aan de VvE en het privégedeelte aan [partij B], [partij A] aan [partij B] heeft verzocht de laatste oplevertermijn, na een verrekening, ter hoogte van€ 28.145,29 te betalen. [partij B] heeft niet aan dat verzoek voldaan. [partij A] vordert daarom hoofdelijke betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en (beslag)kosten. [partij B] vindt dat zij alleen een gedeelte van dat bedrag, namelijk € 4.098,67, hoeft te betalen. De uitleg van [partij B] is dat zij al te veel heeft betaald en het teveel betaalde mag verrekenen met de vordering van [partij A].
In reconventie (de tegeneis) gaat het geschil erover dat door [partij A] bij [partij B] € 73.842,21 aan meerwerk in rekening is gebracht, wat door [partij B] is betaald, terwijl tussen partijen, na aftrek van minderwerk, een bedrag van € 28.517,00 aan meerwerk zou zijn overeengekomen. Volgens [partij B] is dus € 45.325,21 te veel en daarmee onverschuldigd betaald. Zij vordert de terugbetaling van dat bedrag, vermeerderd met rente. [partij A] is het met die vordering niet eens en zegt dat het in rekening gebrachte meerwerk wel is overeengekomen en dat over (een deel van) dat meerwerk in deze zaak niet kan worden beslist omdat daarover al is beslist bij vonnis van de Rechtbank Den Haag. 2.3 De rechtbank zal de eis in conventie van [partij A] toewijzen en de eis in reconventie van [partij B] afwijzen. Hieronder legt zij uit waarom. 3De beoordeling In conventie 3.1 Allereerst moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de laatste termijn van de aanneemsom van, na verrekening, € 28.145,29 nog moet worden betaald aan [partij A]. Daarover het volgende. 3.2 Partijen hebben als aanneemsom voor de (vernieuw)bouw van het appartement van [partij B] een bedrag van € 295.862,00 afgesproken. Deze aanneemsom zou worden gefactureerd in 8 termijnen. Over de laatste termijn van 10% van de aanneemsom, € 29.586,20 hebben zij afgesproken dat deze pas opeisbaar is op het moment dat zowel het privégedeelte aan [partij B] als de gemeenschappelijke ruimtes aan de VvE zijn opgeleverd. 3.3 Tussen partijen is niet in geschil dat het privégedeelte van [partij B] op 27 januari 2021 aan haar is opgeleverd en op 6 november 2023 de gemeenschappelijke ruimtes aan de VvE zijn opgeleverd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de laatste termijn van € 29.586,20 op 6 november 2023 opeisbaar is geworden. De termijn is vervolgens per factuur van 20 mei 2024 bij [partij B] in rekening gebracht. 3.4 Door partijen is bij de rechtbank Den Haag over de uitvoering van de aannemingsovereenkomst geprocedeerd. Partijen zijn het erover eens dat na verrekening over en weer van de in die zaak toegewezen bedragen de uitkomst is dat [partij B] een vordering op [partij A] heeft van € 1.440,91. 3.5
[partij A] heeft, zo blijkt uit een e-mail van 16 oktober 2025 van [partij A], de over een weer openstaande vorderingen van € 29.586,20 en € 1.440,91 met elkaar verrekend. Na verrekening resteert een vordering op [partij B] van € 28.146,29. [partij A] heeft in de e-mail van 16 oktober 2025 [partij B] verzocht de vordering te betalen. 3.6
[partij B] heeft als verweer aangevoerd dat, met een beroep op verrekening, grotendeels de vordering van € 28.146,29 al is voldaan en zij alleen nog een bedrag van € 4.098,66 aan [partij A] moet betalen. Ter onderbouwing daarvan heeft [partij B] tijdens de mondelinge behandeling de volgende berekening uiteengezet:
EUR (incl. BTW)
Aanneemsom 295.862,00
Meerwerk 35.675,00 +
Subtotaal 331.537,00
Korting op meerwerk 3.567,50
Minderwerk 7.158,00 -
Subtotaal 320.811,50
Betaald door [partij B] 291.605,72
Verrekend meerwerk 23.666,20
Vonnis 9 juli 2025 1.440,91 -
Totaal 4.098,67 3.7 De rechtbank volgt de stelling/berekening van [partij B] niet. Uit de post ‘Verrekend meerwerk” op de berekening blijkt dat [partij B] het meerwerk van € 23.666,20 wil verrekenen met wat zij nog aan [partij A] moet betalen. [partij B] verrekent dan alleen dat meerwerk twee keer. In de post ‘Vonnis 9 juli 2025’ is namelijk dat meerwerk al verrekend. Zo blijkt uit rechtsoverwegingen 4.50. en 4.51. van het vonnis van de rechtbank Den Haag en de e-mail van [partij A] aan [partij B] van 16 oktober 2025. Die verrekening heeft ertoe geleid dat een bedrag van € 1.440,91 door [partij A] aan [partij B] moest worden betaald.
Dat betekent dat wat [partij B] in deze zaak wil verrekenen, zij niet kan verrekenen omdat het al verrekend is. 3.8 Voor het overige is de berekening van [partij B] niet juist omdat zij als uitgangspunt neemt dat het meerwerk van € 23.666,20 een gedeelte is van het meerwerk van oorspronkelijk afgesproken meerwerk van € 35.675,00. Tenminste dit blijkt nu het meerwerk van € 23.666,20 niet als apart door haar te betalen bedrag in de berekening is opgenomen. Het meerwerk van € 35.675,00 en € 23.666,20 staat echter naast elkaar en is apart gefactureerd. [partij B] moet dus meer betalen dan wat zij in haar berekening heeft opgenomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep van [partij B] op verrekening niet slaagt. Dit betekent dat [partij B] hoofdelijk het bedrag van € 28.146,29 aan [partij A] moet betalen. Dat bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2025, nu de verschuldigdheid en de ingangsdatum van die wettelijke rente niet is betwist. In reconventie 3.9 Als tegeneis vordert [partij B] op grond van onverschuldigde betaling € 45.325,21 terug. Zij stelt daarover dat oorspronkelijk tussen haar en [partij A] € 35.675,00 aan meerwerk is afgesproken, maar dat ook sprake is van € 7.150,00 aan minderwerk. Dat zou betekenen dat zij onder aan de streep aan meerwerk € 28.517,00 behoorde te betalen. Nu in totaal € 73.842,21 aan meerwerk door [partij A] bij [partij B] is gefactureerd en door haar is betaald, zegt zij € 45.325,21 te veel en daarmee onverschuldigd aan [partij A] te hebben betaald. De rechtbank kan gedeeltelijk oordelen over de vordering in reconventie 3.10 Allereerst moet de rechtbank beoordelen of en zo ja in hoeverre zij kan oordelen of [partij B] al dan niet onverschuldigde betalingen van in totaal € 45.325,21 heeft verricht. [partij A] heeft namelijk het verweer aangevoerd dat de rechtbank Den Haag al onherroepelijk over het (gehele) meerwerk zou hebben geoordeeld. Volgens haar kan de beoordeling van het meerwerk daarom in deze zaak niet opnieuw aan de orde komen. Het verweer van [partij B] slaagt gedeeltelijk. 3.11 Uit een door [partij B] uitgewerkt overzicht blijkt dat de volgende meerwerkfacturen bij haar in rekening zijn gebracht:
[afbeelding] 3.12 Uit rechtsoverwegingen 4.50 en 4.51 van het vonnis van de rechtbank Den Haag blijkt dat door haar over de laatste factuur van 20 mei 2024 (€ 23.666,21) al een onherroepelijk oordeel is gegeven. Over die factuur kan deze rechtbank dan ook niet oordelen. Over de facturen van 20 oktober 2020, 10 november 2020 en 12 november 2020, van in totaal € 50.176,00 blijkt niet dat daarover een oordeel is gegeven en kan de rechtbank wel oordelen. De betalingen van [partij B] zijn niet onverschuldigd 3.13 Wat betreft het totaal aan betalingen van € 50.176,00 aan [partij A] is het oordeel dat die betalingen niet onverschuldigd zijn verricht. 3.14 Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat het niet ter discussies staat dat bij het sluiten van de vernieuwbouwovereenkomst ook meerwerk is overeengekomen en opgenomen op een meewerklijst. Na aftrek van minderwerk en kortingen, kwam dat meerwerk uit op een bedrag van € 28.517,00. Dit werk is uitgevoerd. 3.15 Op 12 november 2020 is door [partij A] is aan [partij B] een aangepaste dan wel aangevulde meerwerklijst toegezonden. Het totaal aan meerwerk met aftrek van kortingen op die lijst kwam uit op € 50.176,00. Uit deze meerwerklijst is op te maken dat daarin het meerwerk ter hoogte van € 28.517,00 is meegenomen. Uit door [partij A] overgelegde e-mails van 11 en 12 november 2020 blijkt dat partijen inhoudelijk over deze aangepaste meerwerklijst contact hebben gehad. Uit dat contact is niet gebleken dat [partij B] het bezwaar heeft gemaakt dat het op die lijst opgenomen meerwerk niet zou zijn overeengekomen. Wel is door [partij B] een punt gemaakt over op die lijst opgenomen prijzen, maar dat heeft ook tot aanpassingen, waaronder een korting, geleid.
Volgens [partij A] is dit meerwerk verricht en het staat vast dat het privégedeelte van [partij B] op 27 januari 2021 aan haar is opgeleverd en dat op 6 november 2023 de gemeenschappelijke delen zijn opgeleverd. Nu de vernieuwbouw is opgeleverd, geldt dat het werk voor risico is van [partij B] en zij de prijs verschuldigd blijft. [partij B] heeft de facturen in verband met het meerwerk ook betaald. Dat dit onverschuldigd zou zijn geweest, is niet gebleken. Haar vordering in reconventie wordt afgewezen. 3.16 Als [partij B] nog bedoeld heeft te stellen dat een deel van het meerwerk op de meerwerklijst van 12 november 2020 (gedeeltelijk) niet zou zijn uitgevoerd en daarom (gedeeltelijk) onverschuldigd is betaald, wordt die stelling gepasseerd omdat door [partij B] niet (onderbouwd) is gesteld welk meerwerk op die lijst niet zou zijn uitgevoerd. In conventie en reconventie Beslagkosten in conventie 3.17
[partij A] vordert [partij B] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 381,47 voor kosten deurwaardersexploten, € 714,00 voor griffierecht en € 836,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 836,00), totaal € 1.931,47. Proceskosten in conventie 3.18
[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 121,02 - griffierecht € 2.281,00 - salaris advocaat € 1.672,00 (2 punten × € 836,00) - nakosten € 296,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.370,02 3.19 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3.20 De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij. Buitengerechtelijke kosten in conventie 3.21
[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [partij B] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen. Er is namelijk niet gebleken dat aan [partij B] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Proceskosten in reconventie 3.22
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen.
De proceskosten van [partij A] in reconventie bestaat uit salaris advocaat en wordt, vanwege de samenhang met de vordering in conventie, begroot op € 418,00 (0,5 punt × € 836,00). 3.23 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3.24 De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij. 4De beslissing De rechtbank in conventie 4.1 veroordeelt [partij B] hoofdelijk om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 28.146,29, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling, 4.2 veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.931,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling, 4.3 veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.370,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 4.4 wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 4.5 wijst de vorderingen van [partij B] af, 4.6 veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 418,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in conventie en in reconventie 4.7 veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 4.8 veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.9 verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1., 4.2., 4.3., 4.6., 4.7. en 4.8. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Neumann en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026. Artikel IV.1 van de aannemingsovereenkomst, Zie vonnis van rechtbank Den Haag van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:12188). Artikel 6:127 Burgerlijk Wetboek (BW) Zie r.o. 3.10. en 3.11. Artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Artikel 7:758 lid 2 BW.