Eiser heeft geen (definitieve) subsidie onder de SLIM-Regeling verkregen. Partij die het Collectief heeft bijgestaan in het traject is niet tekortgeschoten en heeft niet onrechtmatig gehandeld.
Rechtbank Overijssel 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:4718
Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-08-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
C/08/342195 / HA ZA 25-431
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBOVE:2026:4718text/xmlpublic2026-08-03T14:13:422026-08-02Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Overijssel2026-07-22C/08/342195 / HA ZA 25-431UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLZwolleCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4718text/htmlpublic2026-08-03T14:13:062026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBOVE:2026:4718 Rechtbank Overijssel , 22-07-2026 / C/08/342195 / HA ZA 25-431 Eiser heeft geen (definitieve) subsidie onder de SLIM-Regeling verkregen. Partij die het Collectief heeft bijgestaan in het traject is niet tekortgeschoten en heeft niet onrechtmatig gehandeld.
RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: C/08/342195 / HA ZA 25-431 Vonnis van 22 juli 2026 in de zaak van CES FOR LIFE B.V.,
te Zwolle,
eisende partij,
hierna te noemen: CES,
advocaat: mr. P.F.A. Reichenbach, tegen JOBCONCEPT NEDERLAND B.V.,
te Zwolle,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Jobconcept,
advocaat: mr. A. Neophitou. 1De zaak en het oordeel in het kort1.1 Partijen zijn beide betrokken geweest bij een subsidieaanvraag in het kader van de Stimuleringsregeling Leren en Ontwikkelen in het mkb. Uiteindelijk heeft geen uitkering van subsidiegelden plaatsgevonden. CES houdt Jobconcept daarvoor verantwoordelijk en vordert vergoeding van schade. Jobconcept heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank zal de vorderingen van CES afwijzen en zal hierna uitleggen waarom. 2De procedure2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten3.1 Jobconcept en ORGB Opleidingen B.V. (hierna: ORGB) hadden het voornemen om een samenwerking aan te gaan op het gebied van de ontwikkeling van werknemers voor bedrijven. Zij wilden gezamenlijk trajecten aanbieden aan bedrijven waarbij Jobconcept de talenten en ontwikkelingsmogelijkheden van werknemers van bedrijven zou onderzoeken, waarna ORGB een passend opleidingsprogramma zou opstellen. 3.2 Omdat de activiteiten van CES aansloten op die van ORGB zijn zij gezamenlijk een nieuw initiatief gestart dat het Re-integratie Collectief werd genoemd (hierna: het Collectief). Later werden ook twee andere bedrijven bij het Collectief betrokken: DusDoen B.V. (hierna: DusDoen) en Jij & Wij Werk B.V. (hierna Jij & Wij Werk). 3.3 Voor de activiteiten van het Collectief wilden zij gezamenlijk subsidie aanvragen op grond van de Stimuleringsregeling Leren en Ontwikkelen in het mkb (hierna: SLIM-regeling). Het doel van de SLIM-regeling is om door middel van subsidie een bijdrage te leveren aan initiatieven in mkb-ondernemingen, gericht op het stimuleren van leren en ontwikkelen (artikel 2.3 SLIM-Regeling). 3.4 De aan ORGB verbonden Stichting ORGB is door het Collectief aangewezen als projectleider en penvoerder van het Collectief. Stichting Jobconcept heeft Stichting ORGB vervolgens bijgestaan bij het doen van de subsidieaanvraag. Zij heeft de aanvraag namens het Collectief ingediend, waarbij Stichting ORGB als penvoerder is geregistreerd. 3.5 Bij brief van 20 oktober 2021 heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: het Ministerie) aanvullende vragen gesteld en opmerkingen gemaakt over de subsidieaanvraag. Eén van de opmerkingen was dat de subsidieaanvraag was ingediend op naam van Stichting ORGB, terwijl de onderliggende stukken op naam van ORGB (B.V.) stonden. De bij het Collectief betrokken partijen (ORGB, CES, DusDoen en Jij & Wij Werk) hebben daarom op 30 november 2021 een Samenwerkingsovereenkomst SLIM-Regeling “Re-integratie Collectief” gesloten (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst). 3.6 In de Samenwerkingsovereenkomst is onder andere het volgende opgenomen: “ (…) Stichting ORGB, (…), Hierna aan te duiden als “Aanvrager”;
(…)
Partijen in dit samenwerkingsverband wijzen aan en machtigen Stichting ORGB om te fungeren als hoofduitvoerder/projectleider, penvoerder en vertegenwoordiger van dit samenwerkingsverband.
(…)
Overwegende dat:
(…)
De Aanvrager voor de financiering van het Project, namens de Uitvoerders, een aanvraag indient om subsidie voor het Project uit hoofde van de Subsidieregeling SLIM te verwerven.
(…)
Artikel 4
Projectleider is, als penvoerder, de verantwoordelijke partij voor het budgettair en financieel beheer van het project, voor het indienen van wijzigingen in de aanvraag en voor het indienen van eventuele tussentijdse rapportages en eindrapportages, in overeenstemming met de SLIM-regelgeving, en ten behoeve van de stuurgroep.” 3.7 Bij e-mail van 16 november 2021 heeft Jobconcept het volgende medegedeeld aan ORGB en CES: “Goedemiddag partners van het SLIM-ORGB-collectief-project, Hierbij even de gemaakte administratieve en financiële afspraken op een rij. De heer [naam 1] van Orgb BV is penvoerder van het het collectieve SLIM-ORGB project en zodoende belast met een correcte administratie en juiste financiële afdracht van de subsidiebedragen aan de juiste partijen. Hij wordt hierbij terzijde gestaan door ondergetekende. Het totale subsidiebedrag voor het collectieve SLIM-ORGB-collectief bedraagt € 192.283,--
Penvoerder de heer [naam 1] zal de onderstaande verdeelsleutel hanteren: Nadat de afdracht van de kosten van in totaal € 192.228,-- voor de subsidieaanvraag inclusief projectplan (administratie), zal het overige bedrag van € 173.055,-- in 2 gelijke delen worden gesplitst. € 86.527,-- gaat naar CESforLife BV en € 86.527,-- gaat naar JOBconcept Nederland BV. Eventuele kosten die de uitvoerenden bedrijven, te weten CESforLife BV en JOBconcept Nederland BV, binnen het collectieve SLIM-ORGB project, komen volledig voor ieders rekening.
(…)
[naam 2]
Projectmanager project ORGB collectief
Stichting JOBconcept” 3.8 Op 6 december 2021 heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: het Ministerie) een beschikking afgegeven aan het Collectief. In de beschikking is opgenomen dat een subsidie van € 192.283,- wordt verleend aan het Collectief voor de uitvoering van de aangevraagde activiteiten. 3.9 Tussen partijen is niet in geschil dat de subsidie voor de volgende aangevraagde activiteiten is verleend: het aanleveren van 60 personen voor een door Jobconcept afgenomen persoonlijk assessment; het volgen en monitoren van de ontwikkeling van deze personen in een door Jobconcept aan te leveren persoonlijk ontwikkelingsmonitoringssysteem; het bieden van 15 praktijkleerplaatsen als ‘Helpende Zorg en Welzijn’. 3.10 In de beschikking is verder onder andere nog het volgende opgenomen: “Subsidievaststelling
Binnen 22 weken na beëindiging van de uitvoering van alle in de subsidiebeschikking genoemde maatregelen, dient u een verzoek in tot het vaststellen van de subsidie. (…) Dit verzoek moet uiterlijk op 9 mei 2024 in mijn bezit te zijn. Daarbij toont u aan door middel van een activiteitenverslag en financiële verantwoording met bijbehorende controleverklaring en een rapport van feitelijke bevindingen dat de subsidiegelden rechtmatig zijn besteed en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
(…)
Tot slot
Mocht blijken dat niet, of niet volledig wordt voldaan aan de in de Regeling of Kaderregeling opgenomen verplichtingen, dan bestaat de mogelijkheid dat op grond van de artikelen 4:46 en 4:48 of 4:49 van de Awb de verleende subsidie (gedeeltelijk) wordt ingetrokken of op een lager bedrag zal worden vastgesteld.” 3.11 Op 15 december 2021 heeft ORGB ( [naam 1] ) aan CES ( [naam 3] en [naam 4] ) en Jobconcept ( [naam 2] ) in een e-mail onder andere het volgende geschreven: “Om vaart te maken met de uitvoering van de Slim regeling stel ik het volgende voor:
We starten met de assesments: o 25 personen voor jij en Wij Werk.[naam 4] regelt met [naam 5] en [naam 6] dat er 25 assesments bij J&W uitgevoerd kunnen worden, dus bij medewerkers en zzp-ers
o 10 personen voor ORGB.[naam 1] regelt dit met [naam 2] of [naam 7]
o 8 personen voor DusDoen.[naam 1] regelt dit met [naam 8]
o 2 personen voor CES, dat zijn [naam 9] en [naam 10]
o 15 deelnemers voor de BBL opleiding, Schadehersteller
o Totaal 60 personen
(…)” 3.12 In 2022 hebben DusDoen en Jij & Wij Werk zich teruggetrokken uit het Collectief. 3.13 Op 5 juni 2024, kort voor de (uitgestelde) deadline voor de indiening van de rekening en verantwoording, heeft Jobconcept ORGB per e-mail geadviseerd geen rekening en verantwoording in te dienen. Zij heeft onder andere geschreven: “Helaas voldoet, door onvoorziene omstandigheden in de laatste fase van het project, het Collectieve project niet / niet voldoende aan de gestelde (recent aangescherpte) richtlijnen van de collectieve SLIM-subsidie. De redenen om tot dit advies te komen hebben wij uitvoerig met elkaar besproken.” ORGB heeft op 11 juni 2024 per e-mail gereageerd dat zij niet anders kan dan het dringende advies over te nemen. 3.14 Op 27 juni 2024 heeft CES Jobconcept aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het niet indienen van de rekening en verantwoording en het niet verkrijgen van de (definitieve) subsidie. 4Het geschil4.1 CES vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad een verklaring voor recht dat Jobconcept jegens CES toerekenbaar tekort is geschoten, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeling van Jobconcept tot betaling aan CES van een bedrag van € 86.527,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van Jobconcept in de kosten van deze procedure. 4.2 Jobconcept voert verweer. Jobconcept concludeert tot niet-ontvankelijkheid van CES, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van CES, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van CES in de kosten van deze procedure. 4.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling5.1 In deze zaak staat de vraag centraal of Jobconcept door de rekening en verantwoording van het project niet in te dienen, tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens CES, althans onrechtmatig heeft gehandeld, zoals door CES wordt gesteld en door Jobconcept wordt betwist. CES voert ter onderbouwing van haar standpunt aan dat Stichting ORGB weliswaar geregistreerd stond als penvoerder, maar dat Jobconcept die taken feitelijk uitvoerde en dat zij eenzijdig en ten onrechte heeft besloten geen rekening en verantwoording af te leggen. Omdat zij dat niet heeft gedaan, heeft geen uitkering van subsidiegelden plaatsgevonden. Daarvoor is Jobconcept verantwoordelijk, aldus CES. Geen tekortkoming of onrechtmatige gedraging 5.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft CES ten eerste onvoldoende onderbouwd dat Jobconcept de werkzaamheden van de penvoerder feitelijk uitvoerde en verantwoordelijk was voor het indienen van rekening en verantwoording. Zoals Jobconcept aanvoert volgt uit de samenwerkingsovereenkomst en de e-mails van 16 november 2021 en 15 december 2021 dat ORGB penvoerder, projectleider en eindverantwoordelijke voor het project was. Ter onderbouwing van de stelling dat Jobconcept die werkzaamheden van ORGB feitelijk uitvoerde en daarvoor verantwoordelijk was, verwijst CES alleen concreet naar de e-mail van 16 november 2021, maar uit die e-mail volgt juist uitdrukkelijk dat ORGB penvoerder is en verantwoordelijk is voor de (financiële) administratie. Het enkele feit dat Jobconcept (middels de aan haar verbonden Stichting Jobconcept) het Collectief heeft bijstaan bij de subsidieaanvraag en mede namens ORGB met het Collectief communiceerde over het project, is onvoldoende om aan te nemen dat zij (mede)verantwoordelijk was voor het indienen van de rekening en verantwoording. Daar komt bij dat Jobconcept ORGB alleen geadviseerd heeft geen rekening en verantwoording in te dienen en dat ORGB, zoals volgt uit de e-mails van 5 en 11 juni 2024, het besluit vervolgens heeft genomen. Ook uit deze gang van zaken kan dus niet worden afgeleid dat Jobconcept feitelijk de penvoervoerder of projectleider was of zelfstandig bevoegd was beslissingen te nemen. 5.3 Maar ook indien moet worden aangenomen dat Jobconcept de rol van penvoerder en projectleider wél feitelijk heeft uitgevoerd en er in beginsel op haar een (contractuele) plicht rustte om rekening en verantwoording in te dienen bij het Ministerie, is Jobconcept niet tekortgeschoten in de nakoming van die verplichting en heeft zij niet onrechtmatig gehandeld. Op geen enkele manier is immers gebleken dat de beslissing om geen rekening en verantwoording in te dienen onterecht was of op onjuiste gronden is genomen.
Vast staat dat de activiteiten waarvoor subsidie kon worden verkregen niet of in ieder geval niet volledig zijn uitgevoerd door het Collectief. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat onderdeel ii) het monitoren van de ontwikkeling van de personen bij wie een assessment is afgenomen in een persoonlijk ontwikkelingsmonitoringssysteem en onderdeel iii) het realiseren van 15 praktijkleerplaatsen, niet zijn uitgevoerd. Daarnaast is niet komen vast te staan dat onderdeel i) het aanleveren van 60 personen voor een persoonlijke assessment, voldoende is uitgevoerd om de ondergrens voor het verkrijgen van subsidie (realisatie van 60% van de subsidiabele kosten) uit artikel 24 SLIM-regeling te behalen (waarover hierna meer). Dat betekent dat het indienen van rekening en verantwoording onder de gegeven omstandigheden niet geïndiceerd was en niet zou hebben geleid tot een uitkering van subsidiegelden. 5.4 De stelling van CES dat 75% van de assessments was uitgevoerd en dat daardoor de ondergrens van realisatie van 60% van de subsidiabele kosten wel was behaald, wordt door de rechtbank niet gevolgd. CES heeft ter onderbouwing van die stelling alleen verwezen naar de e-mail van Jobconcept van 5 december 2023 waarin onder andere het volgende is opgenomen:
“Collectief ORGB:
[naam 7] is momenteel bezig met [naam 8] van DusDoen om zoveel mogelijk werknemers te charteren om deel te nemen aan aan traject B van het collectief. Wij hebben in principe 60 werknemers nodig. Momenteel is staan we op 75%. (…)Indien er minder de benodigde 60 werknemers deelnemen aan dit collectief dient er rekening gehouden worden met een lager subsidiebedrag. Dit zal pas zichtbaar zijn op het moment dat wij overgaan tot definitieve afwikkeling naar het ministerie toe.”
Jobconcept heeft echter gemotiveerd betwist dat uit die e-mail volgt dat 75% van de assessments al was uitgevoerd. Jobconcept heeft toegelicht dat dit percentage mogelijk behaald kon worden voor de deadline en dat het percentage met name gebaseerd was op toezeggingen van ORGB en CES over het aantal werknemers dat zij nog zouden aandragen voor assessments. Dit was volgens haar ook duidelijk voor alle betrokkenen. Verder heeft Jobconcept onbetwist aangevoerd dat in totaal 22 werknemers door ORGB en CES zijn aangedragen en dat Jobconcept bij die werknemers een assessment heeft afgenomen, maar dat twee werknemers het verslag niet hebben ondertekend waardoor die verslagen onbruikbaar zijn. Omdat van de gesubsidieerde activiteiten alleen onderdeel i) deels is uitgevoerd (20 bruikbare assessments) en onderdelen ii) en iii) geheel niet, kon de ondergrens van realisatie van 60% van de subsidiabele kosten niet worden gehaald. CES heeft dat vervolgens niet gemotiveerd betwist. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij weliswaar niet heeft gezien dat 75% van de assessments is afgerond, maar dat dat haar wel is toegezegd. Zij heeft vervolgens wederom verwezen naar de e-mail van 5 december 2023. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze e-mail echter ook niet worden afgeleid dat er een toezegging is gedaan. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank tot uitgangspunt neemt dat 20 assessments, dus 33,3% van het opgegeven aantal, zijn uitgevoerd. Dat de drempel van 60% van de subsidiabele kosten zou zijn gehaald is dus onvoldoende gebleken. 5.5 De rechtbank volgt CES ook niet in de stelling dat zij er gelet op de betreffende e-mail van Jobconcept gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het project succesvol zou worden uitgevoerd en eindverantwoording zou worden ingediend. Zoals hiervoor is overwogen is het door Jobconcept genoemde percentage van 75% grotendeels gebaseerd op niet gerealiseerde toezeggingen van ORGB en CES en kan in voormelde e-mail geen toezegging worden gelezen. Verder wist, of behoorde CES als onderdeel van het Collectief te weten, dat twee van de drie hoofdactiviteiten niet waren uitgevoerd en dat twee van de vier leden uit het Collectief waren gestapt. Ook had zij kunnen en moeten weten hoeveel mensen er daadwerkelijk door haar en ORGB waren aangedragen bij Jobconcept voor het afnemen van assessments. CES mocht de mededeling van Jobconcept in de gegeven omstandigheden dus niet zo begrijpen dat 75% van de assessments al was afgenomen of zonder verdere inspanningen van CES en ORGB zou worden afgenomen. CES heeft bovendien geen schade geleden 5.6 Omdat de gesubsidieerde activiteiten zoals hiervoor is overwogen onvoldoende zijn uitgevoerd zou, ook wanneer Jobconcept de rekening en verantwoording wel had ingediend, geen definitieve subsidie zijn toegekend. Dat betekent dat CES geen schade heeft geleden en de vordering van CES ook om die reden moet worden afgewezen. Conclusie 5.7 Gelet op het voorgaande is Jobconcept niet tekortgeschoten in de nakoming van op haar rustende verplichtingen en heeft zij niet onrechtmatig gehandeld. De vorderingen van CES worden afgewezen. Proceskosten 5.8 CES is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Jobconcept worden begroot op: - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 2.580,00 (2 punten × € 1.290,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.764,00 5.9 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6De beslissing De rechtbank 6.1 wijst de vorderingen van CES af, 6.2 veroordeelt CES in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als CES niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3 veroordeelt CES tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.4 verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.(mb)