Vovo bezwaar. Mondelinge uitspraak. 2.22 Wabo en 5:34 Ow. Verweerder heeft geen voorschrift t.a.v. de sloop kunnen opnemen in de bouwvergunning. Betreft ook geen maatwerkvoorschrift. Eerdere sloopmelding. Verzoek toegewezen.
Rechtbank Overijssel 1 October 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:5661
Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-09-2026
Datum publicatie
01-10-2026
Zaaknummer
ZWO 26/2510
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBOVE:2026:5661text/xmlpublic2026-10-01T12:00:222026-09-24Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Overijssel2026-09-24ZWO 26/2510UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLZwolleBestuursrecht; BestuursprocesrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5661text/htmlpublic2026-09-24T15:56:342026-10-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBOVE:2026:5661 Rechtbank Overijssel , 24-09-2026 / ZWO 26/2510 Vovo bezwaar. Mondelinge uitspraak. 2.22 Wabo en 5:34 Ow. Verweerder heeft geen voorschrift t.a.v. de sloop kunnen opnemen in de bouwvergunning. Betreft ook geen maatwerkvoorschrift. Eerdere sloopmelding. Verzoek toegewezen.
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats], hierna: verzoekster,
(gemachtigde: mr. T.D. Rijs), en het college van burgemeester en wethouders van Ommen, hierna: het college,
(gemachtigde: [gemachtigde]). 1. Procesverloop 1.1. Op 4 september 2026 heeft de toezichthouder een controle uitgevoerd op de percelen waarop verzoekster een bouwproject wil realiseren. Door de toezichthouder is vastgesteld dat gestart zou worden met de sloopwerkzaamheden zonder dat daartoe een sloopveiligheidsplan was ingediend. Daarmee is het voorschrift dat volgt uit paragraaf 4 onder 7 uit de omgevingsvergunning van 27 maart 2026, die is verleend ten behoeve van de bouwwerkzaamheden (hierna: omgevingsvergunning), niet nageleefd. Gezien deze overtreding heeft de toezichthouder de sloopwerkzaamheden ter plaatse stilgelegd. 1.2. Met het besluit van 9 september 2026 heeft het college het handhavend optreden schriftelijk bevestigd en een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat verzoekster een dwangsom van € 15.000,- verbeurt in geval zij de sloopwerkzaamheden voortzet. 1.3. Verzoekster is het met dit besluit niet eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter op 14 september 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.4. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2], de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 3] en [naam 4]. 1.6. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank op 21 september 2026 uitspraak gedaan.
2. Overwegingen 2.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van haar verzoek door de voorzieningenrechter. Het college heeft dit ook niet betwist. 2.2. In het kader van het voorlopige rechtmatigheidsoordeel overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het handhavingsbesluit van 9 september 2026 is volledig gebaseerd op de bepaling in paragraaf 4 onder 7 van de omgevingsvergunning. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet deze bepaling – anders dan verzoekster heeft betoogd – worden aangemerkt als een (afdwingbaar) voorschrift, gelet op de verplichtende redactie ervan. 2.2.1. De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van het college dat in beginsel uitgegaan moet kunnen worden van een onherroepelijke omgevingsvergunning en dat daarom in beginsel ook moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het betreffende voorschrift. Dit kan echter anders liggen als sprake is van een evident onrechtmatig vergunningsvoorschrift, dat in strijd is met hogere regelgeving. 2.2.2. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. 2.2.3. In de eerste plaats kijkt de voorzieningenrechter daarbij naar de Omgevingswet (hierna: Ow) waaruit volgt dat bouwen iets anders is dan slopen; het betreffen van elkaar te onderscheiden activiteiten. Voor sloopwerkzaamheden biedt de Ow ook een apart regime dat is neergelegd in afdeling 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daaruit volgt dat een sloopmelding moet worden gedaan, waarbij een risicomatrix moet worden overgelegd en dat eventueel maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Verzoekster heeft deze sloopmelding op 27 augustus 2024 ingediend. Deze is door het college beoordeeld en als zodanig geaccepteerd, daaraan zijn geen verdere maatwerkvoorschriften verbonden. Op basis van de sloopmelding heeft verzoekster de sloopwerkzaamheden mogen uitvoeren en ook al deels uitgevoerd (het verwijderen van dakbedekking en asbestsanering). 2.2.4. In de tweede plaats maakt de voorzieningenrechter een vergelijking met artikel 2.22 van de Wet algemene bepalingen omgevingswet (hierna: Wabo) en daarbij behorende vaste rechtspraak. In artikel 2.22 van de Wabo is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven. Uit vaste rechtspraak – waarnaar verzoekster ook heeft verwezen – volgt dat aan een omgevingsvergunning geen voorschriften mogen worden verbonden die betrekking hebben op een andere activiteit dan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 5:32 van de Ow, inmiddels 5:34 van de Ow, leidt de voorzieningenrechter voorts af dat niet is beoogd ten aanzien hiervan een wijziging te brengen. De omgevingsvergunning ziet enkel op de activiteiten bouwen (omgevingsplan) en bouwen (technisch). Omdat bouwen en slopen andere activiteiten zijn en voor slopen een apart regime geldt, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat aan de omgevingsvergunning dan ook geen voorschrift voor de activiteit slopen kan worden verbonden. 2.2.5. De voorzieningenrechter heeft in de derde plaats beoordeeld of het voorschrift in paragraaf 4 onder 7 van de omgevingsvergunning kan worden aangemerkt als een maatwerkvoorschrift zoals bedoeld in afdeling 7.1. van het Bbl. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat dit niet kan. De omgevingsvergunning heeft namelijk geen betrekking op sloopwerkzaamheden. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat het college naar aanleiding van de sloopmelding al de bevoegdheid had om maatwerkvoorschriften te stellen, maar deze niet heeft toegepast. Ook heeft de voorzieningenrechter geen duidelijke motivering van het college gezien waaruit volgt wat concreet de aanleiding zou zijn om in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten alsnog een specifiek voorschrift ten aanzien van de sloopwerkzaamheden op te nemen, anders dan de mogelijkheid die al bestond naar aanleiding van het doen van de sloopmelding. 2.3. Ten aanzien van de belangenafweging overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het betoog van verzoekster dat sprake is van een evident onrechtmatig vergunningsvoorschrift heeft een redelijke kans van slagen. Dat betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het betreffende voorschrift uit de omgevingsvergunning niet kan dienen als grondslag voor het handhavingsbesluit. Gelet op de planning van de werkzaamheden, de financiële gevolgen bij het niet kunnen volgen daarvan, het ontbreken van een motivering van het college ten aanzien van concrete risico’s en het feit dat de uitgangspunten ten aanzien van het verrichten van veilige sloopwerkzaamheden nog steeds gelden, prevaleert naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verzoekster boven dat van het college. Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt geschorst tot het nemen van een besluit op bezwaar en verzoekster de (sloop)werkzaamheden mag voortzetten. 2.4. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.