Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOVE:2026:5663

Vovo bezwaar. Onderzoek CBR. Geen spoedeisend belang. Rijbewijs eerder wel ingevorderd, maar weer teruggegeven en rijbewijs is niet geschorst of ongeldig verklaard. Verder ziet de voorzieningenrechter in de financiële kosten evenmin een spoedeisend belang.

Rechtbank Overijssel 1 October 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2026:5663 text/xml public 2026-10-01T12:00:20 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-09-24 ZWO 26/2495 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5663 text/html public 2026-09-24T16:07:56 2026-10-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:5663 Rechtbank Overijssel , 24-09-2026 / ZWO 26/2495
Vovo bezwaar. Onderzoek CBR. Geen spoedeisend belang. Rijbewijs eerder wel ingevorderd, maar weer teruggegeven en rijbewijs is niet geschorst of ongeldig verklaard. Verder ziet de voorzieningenrechter in de financiële kosten evenmin een spoedeisend belang.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/2495

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats],

hierna: verzoeker.

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

hierna: het CBR.
<nr>1</nr>Inleiding 1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het CBR van 21 augustus 2026. Daarin heeft het CBR besloten dat verzoeker een rijvaardigheidsonderzoek moet doen. Aanleiding betreft een mededeling van de politie op grond van artikel 130, eerste lid van de Wegenverkeerswet. Uit het proces-verbaal van de politie volgt namelijk dat verzoeker 134 kilometer per uur (km/u) heeft gereden op een weg waar maximaal 80 km/u is toegestaan. Op basis van de regelgeving zou verzoeker een cursus over verantwoord rijgedrag moeten volgen, maar omdat hij onvoldoende Nederlands spreekt is dat niet haalbaar. Om die reden heeft het CBR aan verzoeker een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd. Als de uitslag van het onderzoek positief is, mag verzoeker blijven rijden. Indien de uitslag van het onderzoek niet goed is of verzoeker niet meewerkt aan het onderzoek, zal het rijbewijs ongeldig worden verklaard en mag verzoeker niet meer rijden.
1.2.
Verzoeker is het er niet mee eens dat hij een rijvaardigheidsonderzoek moet doen. Uit zijn verzoek- en bezwaarschrift volgt dat hij de vastgestelde snelheid betwist en dat sprake was van een noodtoestand waardoor hij zijn snelheid heeft verhoogd. Omdat daarnaast het behoud van zijn rijbevoegdheid voor verzoeker van belang is in verband met zijn werk en de financiële kosten voor het onderzoek hoog zijn, heeft hij de voorzieningenrechter verzocht het besluit van 21 augustus 2026 te schorsen totdat is beslist op zijn bezwaarschrift.
<nr>2</nr>Beoordeling door de voorzieningenrechter 2.1.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
2.2.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als sprake is van een spoedeisend belang.
2.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt in dit geval een dergelijk spoedeisend belang. Verzoeker heeft desgevraagd schriftelijk bevestigd dat hij zijn rijbewijs na de eerdere invordering daarvan inmiddels weer terug heeft gekregen en dat het rijbewijs tot op heden niet is geschorst of ongeldig is verklaard. Dit laatste volgt ook uit het uittreksel van het RDW dat door verzoeker is overgelegd. Verzoeker is daarmee vooralsnog rijbevoegd en blijft daardoor in staat om met zijn auto zijn werk te bereiken, zijn werkzaamheden voort te zetten en inkomen te genereren om zijn huur te betalen en te voorzien in zijn levensonderhoud. Verder heeft verzoeker weliswaar toegelicht dat de totale kosten van € 1.335, - voor het onderzoek en het zelf moeten inschakelen van een tolk voor het onderzoek een (te) zware financiële last voor hem is, maar uit het verzoek en de bijgevoegde stukken blijkt niet dat verzoeker daardoor op korte termijn in een acute financiële noodsituatie terecht komt. Bij dit oordeel betrekt de voorzieningenrechter dat verzoeker een loonstrook heeft overgelegd van augustus 2026 waaruit volgt dat verzoeker

€ 2.946, - netto heeft verdiend en dat hij zijn rijbewijs voorlopig kan behouden en daarmee inkomen kan blijven genereren. Ook betrekt de voorzieningenrechter dat uit het bestreden besluit volgt dat verzoeker de opleggingskosten van € 417,- weliswaar in één keer dient te betalen, maar dat voor de overige € 918,- aan (uitvoerings)kosten een betalingsregeling kan worden getroffen. De voorzieningenrechter ziet daarmee in de financiële kosten geen spoedeisend belang. Dat het rijbewijs mogelijk wel ongeldig wordt verklaard als hij uiterlijk 25 september 2026 niet de opleggingskosten van € 417,- voor het onderzoek aan het CBR heeft betaald en een ongeldigverklaring financiële consequenties voor hem heeft – zoals verzoeker stelt – komt gelet op wat hiervoor is verwogen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor rekening en risico van verzoeker.
2.4.
Bij het ontbreken van spoedeisend belang, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het CBR ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht ten aanzien van de verkeersovertreding geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
<nr>3</nr>Conclusie en gevolgen 3.1.
Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het besluit niet schorst. Dit heeft voor verzoeker tot gevolg dat hij in afwachting van de beslissing op zijn bezwaarschrift in beginsel het onderzoek zal moeten doorlopen en de kosten daarvoor zal moeten betalen.
3.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen