Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2004:4

Eindvonnis

Rechtbank Rotterdam 28 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2004:4 text/xml public 2026-07-28T12:46:20 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2004-12-08 10559 / HA 2A 93-7322 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2004:4 text/html public 2026-07-28T12:45:27 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2004:4 Rechtbank Rotterdam , 08-12-2004 / 10559 / HA 2A 93-7322
Eindvonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 10559 / HA 2A 93-7322

Uitspraak: 8 december 2004

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser in reconventie, procureur mr. G.P. Lobé,

- tegen

de vennootschap onder firma

[verweerster],

in liquidatie, gevestigd te Tiel,

verweerster in reconventie, procureur mr. Th.J van 't Hoen.

Partijen blijven verder aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "[verweerster]".

1. Het verdere verloop van hetgeding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 17 mei 2001 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de op 5 september 2002 ter griffie van deze rechtbank ingekomen brief van TNO Bouw;

- conclusie na niet gehouden deskundigenonderzoek aan de zijde van [eiser].

2. De verdere beoordeling

in reconventie 2.1

Bij voormeld tussenvonnis van 17 mei 2001 is - voor zover hier van belang - een

deskundigenonderzoek bevolen door [naam 1] werkzaam bij TNO Bouw te Delft, ter beantwoording van de vraag wat de kosten zijn van herstel of voltooiing van de aan de werkzaamheden van [verweerster] klevende gebreken, die onder 2.6 van eerdere tussenvonnis in deze procedure van 7 september 2000 worden bedoeld en die gesignaleerd zijn in het eerdere deskundigenrapport van TNO Bouw uit juli 1999. Tevens is bij tussenvonnis van 17 mei 2001 bepaald dat [verweerster] binnen één maand na vonnisdatum het voor de deskundige bestemde voorschot ad f. 16.600,- diende over te maken.

2.2

De rechtbank heeft voorts in het tussenvonnis van 17 mei 2001 overwogen dat de deskundige eerst met zijn werkzaamheden behoefde aan te vangen nadat partijen ten volle aan hun verplichtingen voortvloeiende uit de beschikking van de rechtbank van 8 september 1999 hadden voldaan, waarbij de definitieve schadeloosstelling was bepaald voor de deskundige [naam 1] in verband met zijn eerdere werkzaamheden ten behoeve van het deskundigenrapport van juli 1999. De rechtbank heeft bij dit tussenvonnis vastgesteld dat [verweerster] niet aan deze verplichting had voldaan en haar verzocht alsnog binnen drie weken na datum vonnis een bedrag van f. 10.362,08 aan TNO Bouw te voldoen.

2.3

Bij de op 5 september 2002 ter griffie van deze rechtbank ingekomen brief heeft TNO Bouw bericht dat [verweerster] het bedrag van f. 10.362,08 niet had voldaan.

Voorts is de rechtbank gebleken dat [verweerster] evenmin het voorschot ad f. 16.600,-heef overgemaakt. [verweerster] heeft derhalve geen gevolg gegeven aan de in het tussenvonnis van 17 mei 2001 genoemde betalingsverplichtingen.

[eiser] heeft dit eveneens vastgesteld in zijn conclusie na niet gehouden deskundigenonderzoek. [verweerster] heeft hierop niet meer gereageerd.

2.4

Nu [verweerster] niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan zal de rechtbank, als overwogen in voornoemd tussenvonnis van 17 mei 2001, hieraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen.

Door toedoen van [verweerster] kan niet door de door de rechtbank benoemde deskundige worden vastgesteld wat de kosten zijn van herstel of voltooiing van de aan de werkzaamheden van [verweerster] klevende gebreken als gesignaleerd in het deskundigenrapport van juli 1999.

Overigens heeft [eiser] vervolgens bij de nadere conclusie op geen enkele wijze aangegeven welke schadebedragen in zijn optiek verschuldigd zijn ter zake van de door de deskundigen gesignaleerde gebreken.

Gelet hierop zal de rechtbank een schatting naar redelijkheid maken van de ter zake van deze gebreken voor vergoeding in aanmerking komende schadebedragen. De deskundigen hebben in hun rapport van juli 1999 zes posten onderscheiden ter zake waarvan naar hun oordeel sprake is van ondeugdelijk of onvolledig uitgevoerd werk. De rechtbank zal deze posten achtereenvolgens bespreken en per post een schatting maken van de in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking komende kosten. De rechtbank zal daarbij zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij de beschikbare concrete gegevens, in dit geval met name de inventarisatie van [naam 2] (verder: [naam 2]) waarnaar ook de deskundigen in hun onderzoek hebben verwezen.

2.5

Vooraf zij nog het volgende opgemerkt. [naam 2] geeft in zijn beraming aan dat ter zake van de door hem berekende materiaalkosten en arbeidsloon (ad f. 54,- per uur) een opslag in acht dient te worden genomen van 29,5%, te weten 17,5 % BTW, 6% 'W+R' - naar de rechtbank begrijpt een opslag voor winst en risico - en 6% algemene kosten. De rechtbank acht deze opslag niet onredelijk en zal voor zover zij bij de schatting van de schade aansluiting zoekt bij bedragen genoemd in de beraming van [naam 2], deze bedragen met voornoemde opslag van 29,5 % vermeerderen.

Opgemerkt zij voorts dat bij de schatting wordt uitgegaan van het (oude) BTW-tarief van 17,5%, te weten het tarief dat gold op het moment dat de schade moet worden geacht te zijn geleden.
<nr>1</nr>Badkamer
De deskundigen hebben geoordeeld dat het tegelwerk in de badkamer verschillende gebreken vertoont, in het bijzonder ten aanzien van de vlakheid en de aansluiting aan het plafond. Voorts stelden zij vast dat de aansluiting van het bad aan het wandtegelwerk zodanig is uitgevoerd dat het water achter het bad en/ of de muur dringt.

In zijn schadebegroting noemt [naam 2] op dit punt met betrekking tot materialen een bedrag van f. 240,-. De ter zake gemoeide arbeidsuren zijn door [naam 2] begroot op 5 uur. [naam 2] stelt het uurtarief op f. 54,-, derhalve 5x f. 54,- is f. 370,-. De rechtbank acht deze begroting redelijk en zal hiervan uitgaan. De totale kosten komen derhalve op f. 510,- te vermeerderen met 29,5% maakt: f. 660,45

Ten aanzien van de badkamer hebben de deskundigen nog aangegeven dat het afschot van de vloer ertoe leidt dat het water op de vloer via de deuropening in de naastgelegen gang terecht komt, een drempel die dat zou kunnen voorkomen ontbreekt. Deze post is niet door de deskundigen begroot en evenmin opgenomen in de beraming van [naam 2]. De rechtbank schat deze post (inclusief BTW en kosten) naar redelijkheid op een bedrag van: f. 500,-
<nr>2</nr>Gevels
De deskundigen hebben vastgesteld dat de afwerking van de gevels niet is voltooid, in het bijzonder de afwerking van de stuclaag en het aanbrengen van witte muurcoating.

[naam 2] geeft op pagina 17 van zijn inventarisatie een begroting van stucwerk en schilderwerk weer. De materiaalkosten zijn daarbij in totaal begroot op f. 6.682,-en het loon op 52 uur, derhalve f. 2.808,-. Aldus in totaal een bedrag van f. 9.490,-te vermeerderen met 29,5% maakt: f. 12.289,55
<nr>3</nr>Schilderwerk
Het schilderwerk van de kozijnen in de zijgevels en in de achtergevel is niet voltooid. Deze post is niet door de deskundigen begroot en evenmin opgenomen in de beraming van [naam 2]. De rechtbank schat deze post (inclusief BTW en kosten) naar redelijkheid op een bedrag van: f. 3.500,-
<nr>4</nr>Luiken
De deskundigen hebben geoordeeld dat de uitvoering van de scharnieren van de luiken, de bevestiging van de luiken aan de stijlen van het kozijn, de wijze waarop de luiken zijn afgehangen en de vergrendeling van de luiken ondeugdelijk zijn. Volgens de deskundigen is gelet hierop een aanpassing nodig van het ontwerp van de scharnieren en de bevestiging en de sluiting van de luiken. De deskundigen hebben ter zake geen begroting gegeven van de met het herstel gemoeide kosten. [naam 2] noemt deze kosten evenmin. Hij gaat in zijn beraming uit van vervanging van de luiken ten bedrage van f. 1.556,- aan materiaalkosten, inclusief 29,5% opslag een bedrag van f. 2.015,02 all in.

De rechtbank gaat er vanuit dat de vervanging en aanpassing van voornoemde onderdelen van de luiken goedkoper is dan de vervanging van de luiken zelf en zal de ter zake gemoeide kosten naar redelijkheid begroten op een totaalbedrag van: f. 1.500,-
<nr>5</nr>Dakconstructie
De deskundigen hebben geoordeeld dat ten aanzien van de dakconstructie hanenbalken en makelaars dienen te worden aangebracht en voorts dat de gordingdoorsnede moet worden verzwaard. De deskundigen beramen de kosten van deze werkzaamheden, inclusief schilderwerk van de spanten en gording, op

f. 5.000,- (exclusief BTW), derhalve in totaal op: f. 5.875,-
<nr>6</nr>Schoorstenen
De deskundigen hebben geoordeeld dat de aansluiting van het dak aan de schoorstenen van het voorhuis alsnog waterdicht moet worden uitgevoerd.

Op pagina 20 van zijn inventarisatie geeft [naam 2] een begroting van de te verrichten werkzaamheden aan de twee schoorstenen. De door [naam 2] beraamde kosten bedragen in totaal (48 uur arbeidsloon, derhalve f. 2.592,-, en f. 2.190,-aan materiaalkosten, aldus een bedrag van) f. 4.782,-, te vermeerderen met 29,5% is f. 6.192,69. [naam 2] gaat blijkens zijn beraming uit van meeromvattende werkzaamheden dan de deskundigen noemen. Deze omstandigheden in acht nemend zal de rechtbank de onderhavige kostenpost naar redelijkheid begroten op een totaalbedrag van: f. 5.000,-

2.6

Het voorgaande leidt ertoe dat ten aanzien van de door de deskundigen vastgestelde schadeposten als vergoeding in aanmerking komt een totaalbedrag van f. 29.325,- (zijnde€ 13.307,10). Dit bedrag zal worden toegewezen.

Nu onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken vanaf welke datum deze schade opeisbaar is, zal de gevorderde wettelijke rente over voornoemd bedrag worden toegewezen vanaf 8 april 1994, te weten de datum waarop de eis in reconventie is ingesteld.

2.7

Tot slot dient nog te worden beoordeeld de door [eiser] gevorderde kosten ter zake van het rapport van [naam 3], diverse kosten en eigen kosten alsmede de kosten van juridische bijstand.

[eiser] heeft bij zijn conclusie na tussenvonnis van 16 januari 1997 een specificatie van deze kosten gegeven. [verweerster] heeft niet op deze specificatie gereageerd.

2.7.1

[eiser] vordert ter zake van diverse kosten en eigen kosten (waaronder zogenoemde verletkosten) in totaal een bedrag van f. 50.175,91.

[eiser] heeft bij voornoemde conclusie als productie 1, bijlage Ll t/m L7, facturen overgelegd van de diverse kosten, onder meer ter zake van het rapport van [naam 3]. Deze factuurbedragen, in totaal een bedrag van f. 5.765,91 (zijnde€ 2.616,46), komen, als niet door [verweerster] weersproken, voor vergoeding in aanmerking.

[eiser] vordert tevens kosten ad f. 1.000,- wegens van kopieerwerk, porti, kantoorbenodigdheden en telefoonkosten over 1993 tot en met 1996. De rechtbank acht deze, niet met stukken onderbouwde, kostenpost onevenredig hoog mede in het licht van de uiteindelijk toewijsbare bedragen, en zal deze kosten in redelijkheid matigen tot een bedrag ad€ 200,-.

Tevens vordert [eiser] verletkosten, dat wil zeggen kosten gemaakt door [naam 4] in het kader van het onderhavige geschil. [eiser] berekent terzake 275 verleturen ten bedrage van f. 100,- per uur, te weten het uurtarief van [naam 4]. De rechtbank ziet aanleiding deze kosten

te matigen gelet op de aard van het geschil, de uiteindelijk toe te wijzen vordering alsmede de omstandigheid dat [eiser] zich tevens door een advocaat heeft laten bijstaan. Het ter zake voor vergoeding in aanmerking komende bedrag wordt door de rechtbank in redelijkheid gematigd tot een bedrag van€ 5.000,-.

2.7.2

Daarnaast vordert [eiser] 'pro memorie' de kosten van juridische bijstand. Blijkens de door hem overgelegde productie 2 bij voornoemde conclusie bedragen de declaraties van de raadsman van [eiser] vanaf 14 januari 1994 tot en met 13 januari 1997 een bedrag van f. 38.350,49 (exclusief de in de specificatie meegerekende kosten van deskundigenbericht en griffierechten).

Gesteld noch gebleken is dat deze declaraties kosten betreffen ter verkrijging van voldoening buiten rechte, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), te minder nu de procedure is aangevangen bij dagvaarding van 9 juli 1993 en de voornoemde declaraties van na die datum dateren. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de onderhavige kosten zijn aan te merken als gemaakt in het kader van de procedure. Ingevolge het bepaalde in artikel 57 lid 6 (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet de proceskostenveroordeling worden geacht hiervoor reeds een vergoeding in te sluiten. Voor een aanvullende vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW is geen plaats. Dit betekent dat de onderhavige opgevoerde kosten, voor zover gevorderd, zullen worden afgewezen.

2.7.3

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat op dit punt een bedrag van€ 7.816,46 voor toewijzing gereed ligt. De wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf 8 april 1994.

2.8

[verweerster] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder begrepen 50% van de door [eiser] betaalde kosten terzake van het deskundigenonderzoek van juli 1999, te weten een bedrag van f. 22.500,26 (zijnde€ 10.210,17), nu bij tussenvonnis van 7 september 2000 [verweerster] in conventie reeds is veroordeeld de andere 50% van dit door [eiser] betaalde bedrag te voldoen.

3. De beslissing

De rechtbank,

in reconventie

veroordeelt [verweerster], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] te betalen het bedrag van€ 21.123,56 (zegge: eenentwintigduizend honderddrieëntwintig euro en zesenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 8 april 1994 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op€ 10.210,17 aan overige verschotten en op€ 3.474,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Mentink.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1581

Artikel delen