Kort geding. Verstek. Verwijderen schip en ontruiming van de ligplaats c.q. het terrein. Toewijzing.
Rechtbank Rotterdam 28 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:12509
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-09-2026
Datum publicatie
28-09-2026
Zaaknummer
C/10/723691
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
ECLI:NL:RBROT:2026:12509text/xmlpublic2026-09-28T13:11:022026-09-23Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Rotterdam2026-09-21C/10/723691UitspraakKort gedingNLRotterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12509text/htmlpublic2026-09-28T12:19:332026-09-28Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:12509 Rechtbank Rotterdam , 21-09-2026 / C/10/723691 Kort geding. Verstek. Verwijderen schip en ontruiming van de ligplaats c.q. het terrein. Toewijzing.
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/723691 / KG ZA 26-785 Vonnis in kort geding van 21 september 2026 in de zaak van
[bedrijf 1] B.V.,
gevestigd in [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. M.W. Renzen, tegen 1 [naam] , wonend in [plaats 2] , IJsland ,2. [bedrijf 2],
gevestigd in [plaats 3] , IJsland ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [bedrijf 2] ,
niet verschenen. 1De procedure1.1. Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 27 juli 2026, met producties 1 tot en met 28. De mondelinge behandeling vond plaats op 7 september 2026. Op de mondelinge behandeling heeft [bedrijf 1] aanvullende stukken (correspondentie) overgelegd, die zijn toegevoegd aan het dossier. 2De beoordeling2.1. Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat [bedrijf 2] in IJsland wonen dan wel gevestigd zijn. [bedrijf 1] legt aan haar vorderingen een onrechtmatige daad ten grondslag. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 5 lid 3 van het Verdrag van Lugano uit 2007 (EVEX II) bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen, omdat het gestelde schadebrengende feit zich in Nederland voordoet. Nederlands recht is op dit geschil van toepassing omdat de gestelde schade zich in Nederland voordoet (artikel 4 lid 1 Verordening EG 864/2007, Rome II). 2.2. In de dagvaarding zijn de wettelijk voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen [bedrijf 2] verstek wordt verleend. 2.3. Het voor toewijzing van een vordering in kort geding vereiste spoedeisend belang volgt uit de stellingen van [bedrijf 1] . 2.4. De vorderingen i en ii komen de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en worden toegewezen, met dien verstande dat de onder i gevorderde ontruiming binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis moet plaatsvinden. 2.5.
[bedrijf 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf 1] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 151,97 - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 760,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.835,97 2.6. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3De beslissing De voorzieningenrechter 3.1. verleent verstek tegen de niet verschenen [bedrijf 2] , 3.2. veroordeelt [bedrijf 2] hoofdelijk om het vaartuig [naam schip] van het terrein van [bedrijf 1] te verwijderen en om de ligplaats c.q. het terrein te ontruimen binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis, 3.3. machtigt [bedrijf 1] om, indien [bedrijf 2] niet aan de onder 3.2. uitgesproken veroordeling voldoen, het vaartuig [naam schip] te verwijderen en naar een afvalplaats te doen afvoeren en daar te laten slopen, 3.4. veroordeelt [bedrijf 2] in de proceskosten van € 1.835,97, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend, 3.5. veroordeelt [bedrijf 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026.