Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:12811

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.

Rechtbank Rotterdam 30 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:12811 text/xml public 2026-09-30T15:57:08 2026-09-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-08-28 C/10/724271 / JE RK 26-1536 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12811 text/html public 2026-09-30T15:56:07 2026-09-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:12811 Rechtbank Rotterdam , 28-08-2026 / C/10/724271 / JE RK 26-1536
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/724271 / JE RK 26-1536

Datum uitspraak: 28 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,

gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. Bredius, kantoorhoudende in Gorinchem.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 28 juli 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 31 juli 2026;

de brief van mr. M. Bredius van 24 augustus 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 25 augustus 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De moeder en haar advocaat zijn niet verschenen. De advocaat heeft schriftelijk laten weten dat de moeder zich met het verzoek van de GI kan verenigen en dat wat betreft de moeder er geen mondelinge behandeling hoeft plaats te vinden.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 februari 2026 [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 24 februari 2027.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 mei 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot

7 september 2026.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige] zit op zijn plek in het pleeggezin en hij ontwikkelt zich goed. Het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder is goed en tijdens de omgangsmomenten worden positieve dingen gezien. Het lukt de moeder om de emoties van [voornaam minderjarige] goed te herkennen. Er is veel gebeurd in het verleden en de gezinsopname bij Beilen is nodig om te werken aan een thuisplaatsing. De evaluatie voor een gezinsopname bij Beilen is niet doorgegaan, waardoor er een nieuwe afspraak moet worden gepland. Dan zal worden bezien of er nog een samenwerkingsopname plaats moet vinden of dat de moeder direct op de wachtlijst komt. Daarna geldt naar verwachting een wachttijd van twee tot zes maanden voordat de moeder samen met [voornaam minderjarige] kan worden opgenomen.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
4.2.
De kinderrechter stelt vast dat hetgeen in de beschikking van 20 mei 2026 is overwogen nog onverkort geldt. [voornaam minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin en de omgangsmomenten tussen [voornaam minderjarige] en de moeder verlopen goed. Stapsgewijs wordt de bezoekregeling uitgebreid. Tijdens de bezoekmomenten wordt gezien dat de moeder sensitief en responsief op [voornaam minderjarige] reageert. Het gezinsopnametraject bij Beilen is nog niet gestart en de evaluatie op 17 augustus 2026 is niet doorgegaan. Het is belangrijk dat de evaluatie plaatsvindt, zodat kan worden gekeken wat er nog nodig is voor deze opname. De wachttijd voor een dergelijke opname is tussen de twee en zes maanden. De kinderrechter benadrukt dat het van belang is dat de moeder blijft meewerken aan de hulpverlening en aan het gezinsopnametraject, zodat zij daar met [voornaam minderjarige] terecht kan.
4.3.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de plaatsing van [voornaam minderjarige] bij het pleeggezin moet worden voortgezet. Ook de moeder heeft aangegeven in te stemmen met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 24 februari 2027.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>5</nr>De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 24 februari 2027;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 7 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.

Artikel delen