Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:12985

Verdeling as na crematie; vermoedelijke wens overledene, lijkbezorging.

Rechtbank Rotterdam 1 October 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:12985 text/xml public 2026-10-01T09:48:08 2026-09-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-08-05 C/10/711300 / HA ZA 25-1058 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12985 text/html public 2026-09-30T14:39:18 2026-10-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:12985 Rechtbank Rotterdam , 05-08-2026 / C/10/711300 / HA ZA 25-1058
Verdeling as na crematie; vermoedelijke wens overledene, lijkbezorging.
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/711300 / HA ZA 25-1058

Vonnis van 5 augustus 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

te [plaats] ,

eiseres,

advocaat: mr. B.K.A. van Rijsbergen,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. K. el Joghrafi.

Eiseres wordt hierna ook [eiseres] genoemd. Gedaagde wordt ook [gedaagde] genoemd.
<nr>1</nr>De zaak in het kort
De partner van gedaagde, vader van eiseres is overleden. Hij is gecremeerd. De vorderingen van eiseres strekken ertoe dat de asbus aan haar ter beschikking wordt gesteld zodat zij de as op Curaçao kan uitstrooien overeenkomstig de wens van de overledene. Eiseres wordt daarin gesteund door andere naaste familieleden van de overledene. De overledene had meerdere kinderen, waaronder twee nu nog minderjarige kinderen met gedaagde. De overledene leefde met gedaagde en hun twee kinderen in gezinsverband samen. De verhouding tussen enerzijds eiseres (en een deel van haar familie) en anderzijds gedaagde is gespannen. De rechtbank beslist dat de helft van de as aan eiseres ter beschikking zal worden gesteld en de andere helft aan gedaagde. Beiden dienen met de as te handelen overeenkomstig de vermoedelijke wens van de overledene. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot die beslissing is gekomen.
<nr>2</nr>De procedure 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van [eiseres] van 19 november 2025 met drie producties,- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 16 maart 2025,- de brief van 12 maart 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald op 6 juli 2026,

- de brief van [eiseres] van 22 juni 2026, waarbij extra producties 5 tot en met 7 zijn overgelegd,

- de mondelinge behandeling van 6 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij van de zijde van [eiseres] spreekaantekeningen zijn overlegd.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>3</nr>De feiten 3.1.
Op 22 augustus 2025 is de heer [persoon A] overleden (hierna: de overledene). [eiseres] is de oudste dochter van de overledene.
3.2.
[gedaagde] was de levenspartner van de overledene. [gedaagde] en de overledene hadden samen twee nu nog minderjarige kinderen. Zij leefden tot het overlijden van de overledene al vele jaren in gezinsverband samen.
3.3.
Na het overlijden van de overledene heeft [gedaagde] de opdracht gegeven tot crematie door DELA (hierna: Dela). De asbus bevindt zich nog steeds bij Dela, vestiging Beukenhof te Schiedam. Dela heeft per mail medegedeeld voor wat betreft de afgifte van de asbus te zullen handelen volgens de uitspraak van de rechter.
<nr>4</nr>Het geschil 4.1.
[eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair verklaart voor recht dat [eiseres] gerechtigd is om de asbus met daarin de gehele as van de overledene van Dela te ontvangen, opdat zij de as op Curaçao kan uitstrooien overeenkomstig de wens van de overledene; en [gedaagde] te bevelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, althans een termijn zoals de rechtbank juist acht, schriftelijk aan Dela mee te delen dat de asbus met daarin de gehele as van de overledene aan [eiseres] mag worden afgegeven, opdat zij de as op Curaçao kan uitstrooien overeenkomstig de wens van de overledene;

Subsidiair een zodanige beslissing neemt die de rechtbank juist acht, inhoudende dat de asbus met daarin de gehele as onder toezicht van [eiseres] wordt uitgestrooid op Curaçao overeenkomstig de wens van de overledene, althans een zodanige beslissing neemt als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

Primair en subsidiair met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.
4.2.
[eiseres] legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.

Het was de nadrukkelijke wens van de overledene om zijn as door zijn kinderen en familieleden te laten uitstrooien in Curaçao. Dit heeft hij meermaals uitgesproken tegen [eiseres] en de nabije familie. Ten bewijze daarvan legt [eiseres] diverse verklaringen over. De uitvaart is door [gedaagde] verzorgd, zonder dat [eiseres] en haar broer en zus op een volwaardige wijze bij de voorbereiding of uitvoering zijn betrokken. [eiseres] en haar familie hebben slechts zeer beperkt de gelegenheid gekregen om afscheid te nemen van de overledene. Doordat de datum van de crematie niet persoonlijk maar op Facebook werd aangekondigd heeft [eiseres] de crematie van haar vader niet bij kunnen wonen.

Ook gedurende de jaren dat de overledene samenwoonde met [gedaagde] , heeft de overledene altijd contact gehouden met zijn familie.
4.3.
De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
4.4.
[gedaagde] voert daartoe – kort weergegeven – het volgende aan.

Op het moment van zijn overlijden hadden de overledene en [gedaagde] al gedurende bijna 20 jaar een relatie met elkaar. Zij hebben samen twee kinderen en vormden een hecht gezin. Er is een breuk opgetreden tussen de overledene en zijn familie. Dat begon toen erlater ging scheiden van zijn ex-partner, de moeder van [eiseres] , en besloot een leven op te bouwen met [gedaagde] . De familie van de overledene gaf [gedaagde] ten onrechte de schuld van de breuk tussen de familie en de overledene. De familie kwam niet op bezoek en er is weinig of geen contact geweest met een groot deel van de familie waaronder [eiseres] . Bij [gedaagde] en haar gezin, noch bij hun vrienden en buren was iets bekend over de wens van de overledene om zijn as door zijn kinderen op Curaçao te laten uitstrooien. Wel was bekend dat hij niet begraven, maar gecremeerd wilde worden. De asbus van de overledene komt op grond van de wet toe aan [gedaagde] .
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>5</nr>De beoordeling 5.1.
Op grond van artikel 18 lid 1 van de Wet op de Lijkbezorging (hierna te noemen Wlb) wordt in de lijkbezorging voorzien door degene die het verlof voor de begraving of de crematie aanvraagt. Onder lijkbezorging wordt ingevolge artikel 18 lid 2 Wlb ook begrepen het na crematie geven van bestemming aan de as. In het eerste lid is bepaald dat de lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden. In artikel 59 lid 2 aanhef en onder c Wlb is bepaald dat de asbus door het crematorium ter beschikking wordt gesteld aan de nabestaande door of namens wie de opdracht tot crematie wordt gegeven. De wet voorziet niet in een specifieke regeling in geval van onenigheid onder de nabestaanden over de as bestemming.
5.2.
[gedaagde] was opdrachtgever voor de crematie. Dat brengt mee dat in beginsel op haar de taak rust om de as van de overledene bestemming te geven overeenkomstig de (vermoedelijke) wens van de overledene. Dat [gedaagde] niet gehuwd was met de overledene en geen erfgenaam is, zoals [eiseres] heeft gesteld in haar dagvaarding, doet er niet aan af dat [gedaagde] een nabestaande is als bedoeld in artikel 59 lid 2 aanhef en onder c Wlb.
5.3.
[gedaagde] heeft desgevraagd ter zitting medegedeeld dat zij nog niet zeker weet wat zij met de as van de overledene wil doen. Zij deelde mede dat zij deze mogelijk met haar gezin zal uitstrooien in Curaçao. De rechtbank wijst erop dat het geven van bestemming aan de as overeenkomstig de (vermoedelijke) wens van de overledene behoort te geschieden. Het is dus niet zo dat de nabestaande aan wie de asbus ter beschikking wordt gesteld, geheel vrij is om daarmee te handelen zoals hem of haar belieft. De vermoedelijke wens van de overledene moet voor degene die voor de praktische uitvoering moet zorgen uiteraard wel praktisch te realiseren zijn.
5.4.
Bij bepaling van wat vermoedelijk de wens van de overledene zou zijn geweest moet, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, aangesloten worden bij de wensen van de nabestaanden, rekening houdend met hun gevoelens. De rechtbank gaat ervan uit dat de overledene met die gevoelens rekening zou hebben willen houden. Niet aannemelijk dat de overledene zijn partner en hun gezamenlijke kinderen zou willen kwetsen. Evenmin is aannemelijk dat hij zijn andere kinderen, broer en zussen en verdere naaste familie zou willen kwetsen.
5.5.
Tijdens de zitting is gesproken over het feit dat de overledene ook na de door [gedaagde] genoemde breuk met de familie (met wisselende intensiteit) contact heeft gehouden met zijn kinderen en met zijn verdere familie. [persoon B] , die ter zitting als toehoorder aanwezig was, is de oudste zoon van de overledene. Hij heeft in 2023/2024 een paar weken bij de overledene en [gedaagde] doorgebracht na een aanrijding. [eiseres] heeft ter zitting onder meer verteld over een periode in 2023/2024 toen zijzelf en haar vader beiden opgenomen waren in hetzelfde ziekenhuis en zij daar contact hadden. De broer van de overledene, [persoon C] , vertelde ter zitting dat in het jaar 1982 zijn broer en hijzelf samen naar Nederland zijn gekomen, en dat zij toen hebben afgesproken (met zoveel woorden): wij zijn niet in Nederland geboren, en als we doodgaan en nog steeds in Nederland wonen, dan willen we ons laten cremeren en in Curaçao uitgestrooid worden. [persoon C] heeft altijd contact met zijn broer gehouden. Ze zagen elkaar ook op feestjes bij hun eveneens in Nederland wonende zussen, maar niet bij [gedaagde] en de overledene thuis. Ook uit overgelegde foto’s blijkt dat de overledene nog contact had met zijn familie. Er zijn foto’s overgelegd waarop de overledene samen met een zoon en kleinzoon te zien is.
5.6.
Evident onjuist is dus de bij conclusie van antwoord onder 8 door [gedaagde] ingenomen stelling dat de overledene al meer dan 15 jaar geen contact meer had met zijn (andere) kinderen (waaronder eiseres, haar broer en zus) en zijn broer en zussen. Dat er wel degelijk relevant contact tussen de overledene en die familieleden (broer, zussen, kinderen, kleinkinderen) was, is ter zitting dan ook niet (meer) betwist door [gedaagde] .
5.7.
De rechtbank is – met [gedaagde] – van oordeel dat een gezamenlijke verstrooiing van de as in het bijzijn van alle naaste familie in praktische zin niet mogelijk is wegens de verstoorde verhoudingen. Het is de rechtbank ter zitting voldoende duidelijk geworden dat juist is de stelling dat partijen (al heel lang) niet samen door een deur kunnen. [eiseres] heeft ter zitting dan wel aangegeven dat na toewijzing van haar vorderingen ook de kinderen van [gedaagde] en [gedaagde] zelf – als hun moeder die hen begeleidt – welkom zijn bij een door [eiseres] georganiseerde as verstrooiing, maar [gedaagde] ziet dit niet als een reële optie. Ook de rechtbank acht dat in de gegeven omstandigheden geen goed idee.
5.8.
De overledene had uiteraard een band met [gedaagde] en de twee minderjarige kinderen waarmee hij ten tijde van zijn overlijden al vele jaren een gezin vormde. Hij had echter evident ook een band met zijn overige familie, waaronder zijn andere kinderen, kleinkinderen, broer en zussen. Die feiten brengen mee dat beide kampen van nabestaanden een rol behoren te hebben bij het realiseren van de asbestemming. In praktische zin kan dat via deze procedure alleen worden gerealiseerd als een zodanige beslissing wordt genomen dat Dela de helft van de inhoud van de asbus ter beschikking stelt aan [eiseres] en de andere helft aan [gedaagde] .
5.9.
De rechtbank zal in die zin beslissen. Daarbij zal de rechtbank verstaan dat zowel [eiseres] als [gedaagde] de as die aan hen ter beschikking wordt gesteld bestemming dienen te geven overeenkomstig de (vermoedelijke) wens van de overledene. Dat wil zeggen dat zij op enig door ieder van hen apart te kiezen moment, die as zullen (laten) uitstrooien in Curaçao, in het bijzijn van familie van de overledene, dit alles voor zover dat van ieder van hen redelijkerwijs gevergd kan worden. Voor zover betrokkenen, enerzijds [eiseres] en een deel van haar familie en anderzijds [gedaagde] , niet met elkaar door een deur kunnen, kan in de visie van de rechtbank redelijkerwijs niet gevergd worden dat zij bij het uitstrooien van de as in elkaars bijzijn dienen te verkeren.
5.10.
Aangezien de vordering van [eiseres] tot verkrijging van de as slechts gedeeltelijk wordt toegewezen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
<nr>6</nr>De beslissing
De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat [eiseres] gerechtigd is om een asbus met de helft van de na de crematie overgebleven as van Dela te ontvangen, opdat zij die as op Curaçao kan uitstrooien overeenkomstig de wens van de overledene;
6.2.
beveelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis schriftelijk – onder bijvoeging van dit vonnis – aan Dela mee te delen dat een asbus met de helft van de na de crematie overgebleven as aan eiseres mag worden afgegeven, opdat zij die as op Curaçao kan uitstrooien overeenkomstig de wens van de overledene;
6.3.
verstaat dat Dela een asbus met de andere helft van de as aan [gedaagde] zal afgeven;
6.4.
verstaat dat de as zal worden uitgestrooid op Curaçao, in het bijzijn van familie, conform de vermoedelijke wens van de overledene, voor zover dat redelijkerwijs gevergd kan worden,
6.5.
verstaat dat partijen gehouden zijn om elk de helft van de eventuele extra kosten, verbonden aan de uitvoering van de verdeling van de as, te voldoen,
6.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.7.
verklaart dit vonnis voor wat betreft het onder 6.2 geformuleerde bevel uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.

1167/1729

Artikel delen