verlenging ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing en de behandeling van de zelfstandige verzoeken van ouders aangehouden;
Rechtbank Rotterdam 24 February 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:483
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-01-2026
Datum publicatie
24-02-2026
Zaaknummer
C/10/711768 / JE RK 25-2588
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBROT:2026:483text/xmlpublic2026-02-24T09:20:262026-01-22Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Rotterdam2026-01-09C/10/711768 / JE RK 25-2588UitspraakBeschikkingNLRotterdamCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:483text/htmlpublic2026-02-24T09:19:282026-02-24Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:483 Rechtbank Rotterdam , 09-01-2026 / C/10/711768 / JE RK 25-2588 verlenging ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing en de behandeling van de zelfstandige verzoeken van ouders aangehouden;
RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/711768 / JE RK 25-2588
Datum uitspraak: 9 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI, over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen de ouders,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. A.J.C. van Bemmel, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam pleegmoeder] en [naam pleegvader],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende in [woonplaats]. 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 december 2025; een (concept) zorgplan evaluatie van de Viersprong, gemaakt op 23 december 2025; het verweerschrift met bijlagen van mr. A.J.C. van Bemmel d.d. 5 januari 2026, dat tijdens de zitting is overgelegd; de verklaring van de vader, die tijdens en na de zitting is overgelegd. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: de ouders en hun advocaat; de pleegouders;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam 1]. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. 2.2.
[minderjarige] verblijft in een netwerkpleeggezin (zus van de moeder en haar man). 3De verzoeken3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.3.2. De ouders hebben, voor het geval het verzoek van de GI wordt toegewezen, zelfstandige verzoeken ingediend om de GI te vervangen en op grond van de geschillenregeling te beslissen dat [minderjarige] zo spoedig mogelijk in een positief gescreend pleegezin, niet zijnde de huidige pleegouders, wordt geplaatst. 4De standpunten4.1. De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
Volgens de school is bij [minderjarige] sprake van een blijvend stijgende lijn in haar ontwikkeling en gedrag. Soms zijn er zorgen over de cijfers van [minderjarige], maar dit lijkt veroorzaakt te worden door ‘gezond pubergedrag’. De inzet van pleegzorgbegeleiding is nog niet van de grond gekomen door de negatieve screening van het pleeggezin. De GI zoekt een mogelijkheid om de pleegzorgbegeleiding zelf te financieren. De GI heeft geen zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin. De GI en de ouders hebben een verschillende visie over de plek waar [minderjarige] verblijft. Als [minderjarige] geen contact met haar ouders wenst dan volgt de GI haar daarin. De ouders hebben een formele klacht bij de GI ingediend. 4.2. Namens en door de ouders is primair verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen en subsidiair om de duur van de maatregelen te beperken tot zes maanden. Ter onderbouwing is het volgende ter zitting aangevoerd.
De ouders hebben zorgen over de cijfers van [minderjarige] op school. Zo staat zij voor vier van de tien vakken onvoldoende. Op basis van die cijfers kan niet worden aangegeven dat het beter met [minderjarige] gaat. Zolang [minderjarige] bij de pleegouders verblijft, zal de situatie tussen [minderjarige] en de ouders niet verbeteren, gelet op de negatieve houding van de pleegouders ten aanzien van de pleegouders, zoals die o.a. blijkt uit de negatieve screening van het pleeggezin. Het is zorgelijk dat [minderjarige] is geplaatst in een netwerkpleeggezin dat niet voldoet aan de landelijk gestelde criteria van pleegzorg. Zo heeft [minderjarige] in mei 2025 omgang gehad met een neef die grensoverschrijdend gedrag heeft gepleegd. Er is onvoldoende gewerkt aan contactherstel tussen [minderjarige] en de ouders. De aangifte tegen de vader is geseponeerd en er is geen sprake van een artikel 12-Strafvorderingprocedure, dus er zijn geen formele belemmeringen. Ook is aandacht gevraagd voor het contact tussen [minderjarige] en haar broertje [naam 2]. De GI geeft aan dat [minderjarige] in alles wordt gevolgd. Er is echter meer zelfstandigheid van de GI nodig. Het lukt de jeugdbeschermer niet om op een gepaste wijze met de situatie tussen de ouders en de pleegouders om te gaan. De wijze waarop momenteel uitvoering aan de ondertoezichtstelling wordt gegeven door de huidige jeugdbeschermer zal de situatie ook niet verbeteren. Daarom hebben de ouders aan de GI om een andere jeugdbeschermer verzocht en worden de zelfstandige verzoeken gedaan. Als toelichting op die zelfstandige verzoeken geven de ouders aan dat [minderjarige] niet op de juiste plek zit bij de pleegouders. Het beeld dat [minderjarige] van haar ouders heeft wordt door de pleegouders negatief ingekleurd, wat maakt dat de ouders zich steeds meer buitenspel gezet voelen. De ouders kunnen niet begrijpen dat de GI de wens van [minderjarige] om bij dit pleegezin te wonen volgt, vandaar het verzoek tot vervanging van de GI. 4.3. De pleegmoeder heeft zich ter zitting niet verzet tegen het verzoek van de GI. Zij heeft begeleiding gevraagd om de samenwerking en de communicatie met de ouders te verbeteren. School heeft aangegeven dat [minderjarige] goede cijfers haalt. 4.4. De pleegvader heeft zich evenmin ter zitting verzet tegen het verzoek van de GI en heeft verklaard dat het van belang is om de samenwerking en de communicatie tussen de ouders en de pleegouders te verbeteren. 5De beoordeling Ten aanzien van het verzoek van de GI 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd. Er zijn zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders. [minderjarige] heeft verteld dat zij meermalen door haar vader is verkracht en aangerand. Vanwege deze zorgen verblijft [minderjarige] sinds ruim twee jaren bij de pleegouders (haar oom en tante mz). De vader ontkent het misbruik, het is niet te verwachten dat strafrechtelijk zal komen vast te staan wat er precies is gebeurd. De moeder kiest partij voor de vader. Daardoor voelt [minderjarige] zich door haar ouders niet gehoord en begrepen. Naar de hulpverlening en de GI toe is [minderjarige] duidelijk en consistent in haar wens om niet terug naar huis te willen zolang haar vader daar woont. Het contact met hem roept spanning, angst en vermijding bij [minderjarige] op. Niet is gebleken dat de situatie bij de ouders zodanig is veranderd dat er veiligheid en rust voor [minderjarige] zou kunnen ontstaan. [minderjarige] wil geen omgang met haar moeder zolang zij zich niet door haar gesteund voelt. Daarom heeft de afgelopen periode geen omgang tussen hen plaats gevonden. Ook met haar broertje [naam 2] wil [minderjarige] momenteel geen contact, zij heeft de kinderrechter kunnen uitleggen waarom dat is. 5.3. De kinderrechter acht het positief dat [minderjarige] na de zomer van 2025 haar eigen verhaal heeft kunnen opstellen, met hulp van de Viersprong. Uit de overgelegde evaluatie van de Viersprong blijkt dat er op dit moment een plan wordt gemaakt waarbij [minderjarige] haar verhaal met haar moeder kan delen. De kinderrechter begrijpt hieruit dat wel enige voortgang wordt gemaakt in het proces van contactherstel met in ieder geval de moeder. Daarvoor is echter ook de medewerking van de moeder nodig. 5.4. Gelet op al het voorgaande kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Daarom is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. In het pleeggezin ervaart [minderjarige] veiligheid. [minderjarige] is gebaat bij rust en het is gelet op al het voorgaande in haar belang om haar plaatsing bij de pleegouders voort te zetten. Daarom geeft de kinderrechter geen gehoor aan het verzoek namens de ouders om de duur van de maatregelen te beperken en zal het verzoek van de GI worden toegewezen voor de door de GI verzochte duur. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.5. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Ten aanzien van de zelfstandige verzoeken van de ouders 5.6. Het is de kinderrechter duidelijk geworden dat het pleeggezin negatief is gescreend en dat dat te maken heeft met de opstelling van het pleeggezin (zus van moeder en haar man) jegens de ouders. Bij de namens de ouders overgelegde stukken bevindt zich een brief van Enver van 25 maart 2025 waarin deze negatieve screening wordt geciteerd, niet duidelijk is wie die negatieve screening heeft uitgevoerd, Enver zelf of een andere organisatie. Wel blijkt uit de overige stukken die in het geding zijn gebracht dat er kennelijk onduidelijkheid is over de consequentie die aan de negatieve screening moet worden verbonden, de vraag of een andere organisatie dit pleeggezin opnieuw zou moeten screenen en de vraag of het advies van de Raad is gevraagd over de plaatsing van [minderjarige] in dit pleeggezin. Ook is sprake van systematische hulpverlening vanuit de Viersprong voor de ouders en het pleeggezin, maar het eventuele resultaat daarvan is niet duidelijk. Dat maakt dat de kinderrechter op dit moment over onvoldoende informatie beschikt om over de zelfstandige verzoeken te kunnen beslissen. 5.7. Daarbij komt dat dat de ouders over de onderwerpen waarop hun zelfstandige verzoeken betrekking hebben op 8 december 2025 een formele klacht bij de GI hebben ingediend. Deze klacht is door de GI met hen besproken, maar het is niet duidelijk of de klacht vervolgens is doorgezet naar de klachtencommissie van de GI. Het definitieve standpunt van de GI over de klachten van de ouders is daardoor niet bekend. 5.8. Tenslotte is van belang dat een verzoek tot vervanging van de GI slechts kan worden toegewezen als een andere GI zich bereid heeft verklaard om de ondertoezichtstelling uit te voeren. 5.9. Gelet hierop zal de kinderrechter de zelfstandige verzoeken van de ouders pro forma aanhouden tot 1 juni 2026. De advocaat van de ouders wordt verzocht om uiterlijk twee weken voor 1 juni 2026 aan de kinderrechter in een brief gemotiveerd aan te geven of de zelfstandige verzoeken al dan niet worden gehandhaafd en een afschrift daarvan te verstrekken aan de GI en de pleegouders. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 22 januari 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 22 januari 2027; 6.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.4. houdt de behandeling van de zelfstandige verzoeken van de ouders aan. En alvorens verder te beslissen: 6.5. Bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 juni 2026 pro forma. 6.6. Bepaalt dat de GI, de ouders, de pleegouders en de advocaat op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen. 6.7. Verzoekt de advocaat van de ouders uiterlijk twee weken voor 1 juni 2026 de kinderrechter de verzochte informatie te doen toekomen, met afschrift aan de GI en de pleegouders. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 22 januari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:262b BW en artikel 1:259 BW. Artikel 1:260 BW en artikel 1:265c, tweede lid, BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.