Varia. Urgentieverklaring. De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afwijzing van verzoeksters aanvraag voor een urgentieverklaring.
Rechtbank Rotterdam 31 July 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:8246
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-07-2026
Datum publicatie
31-07-2026
Zaaknummer
ROT 26/4579
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBROT:2026:8246text/xmlpublic2026-07-31T10:28:222026-07-09Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Rotterdam2026-07-10ROT 26/4579UitspraakVoorlopige voorzieningNLRotterdamBestuursrecht; SocialezekerheidsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8246text/htmlpublic2026-07-29T09:16:212026-07-31Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:8246 Rechtbank Rotterdam , 10-07-2026 / ROT 26/4579 Varia. Urgentieverklaring. De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afwijzing van verzoeksters aanvraag voor een urgentieverklaring.
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/4579
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. N. Talhaoui), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college (gemachtigde: mr. Z. Abachi). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van een aanvraag voor een urgentieverklaring. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft daarom om een voorlopige voorziening verzocht. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft het college verzoeksters aanvraag voor een urgentieverklaring afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de voorzieningenrechterWaar gaat het om in deze zaak? 3. Verzoekster heeft op 24 februari 2026 een aanvraagformulier voor een urgentieverklaring vanwege medische problemen ingediend. Verzoekster kampt met rugklachten met uitstraling naar de benen, waardoor traplopen niet meer mogelijk is. Het college heeft de aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen, omdat geen sprake is van een ernstige en chronische medische problematiek waardoor verzoekster heel snel moet verhuizen. Verzoekster is het hier niet mee eens en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij wordt behandeld als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring totdat op haar bezwaar is beslist. Het oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 5. In artikel 3.4.2, onder b, van de Verordening is bepaald dat een woningzoekende in aanmerking komt voor de urgentiegrond “ernstige en chronische medische problematiek” indien de huidige woonsituatie daardoor levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige zelfstandige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie in de huidige zelfstandige woonruimte wordt beïnvloed. 6. De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afwijzing van verzoeksters aanvraag. Het college heeft deze afwijzing mede gebaseerd op een advies van de SMA-arts van 26 mei 2026. De SMA-arts heeft uiteengezet dat uit de medische gegevens van verzoekster blijkt dat er meerdere klachten zijn die leiden tot pijnklachten en een verminderde belastbaarheid. Hierdoor ervaart verzoekster beperkingen bij het traplopen. Dit is echter een lichte beperking. Verzoekster wordt wel in staat geacht de huidige woning, op de derde etage, te bereiken, eventueel in een rustig tempo en met tussenpozen. Daarnaast kan nog verbetering worden verwacht in de belastbaarheid van verzoekster, omdat zij nog niet is uitbehandeld en nog niet alle therapeutische mogelijkheden zijn benut. 7. Verzoekster heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening een beroep gedaan op de hardheidsclausule, gelet op de aard van de medische beperkingen en de omstandigheid dat zij een alleenstaande moeder met kind is. In artikel 3.1.7 van de Verordening is bepaald dat het college de bevoegdheid heeft om alsnog een urgentieverklaring toe te kennen, indien het weigeren van zo’n aanvraag leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met wat zij heeft aangevoerd over haar (medische) situatie niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zulke omstandigheden. Het staat verzoekster vrij in de bezwaarprocedure hierover nadere informatie in te brengen, zodat het college deze informatie kan meenemen in de volledige heroverweging in bezwaar. Conclusie en gevolgen 8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het geval van verzoekster niet gebleken van onverwijlde spoed die vereist dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 3.4.2 van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 (de Verordening).