Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:8298

Eiser heeft met zijn veronderstelling dat hij een krediet had opgebouwd het risico gelopen dat de tolrit van 12 januari 2025 onbetaald is gebleven. Bovendien heeft eiser een betalingsherinnering ontvangen en heeft hij hierop geen actie ondernomen door bijvoorbeeld contact op te nemen met de minister om navraag te doen over de tolheffing en eerdere betalingen. De minister heeft aangetoond dat de...

Rechtbank Rotterdam 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:8298 text/xml public 2026-07-09T16:09:38 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-07-08 ROT 25/5073 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8298 text/html public 2026-07-09T16:05:43 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:8298 Rechtbank Rotterdam , 08-07-2026 / ROT 25/5073
Eiser heeft met zijn veronderstelling dat hij een krediet had opgebouwd het risico gelopen dat de tolrit van 12 januari 2025 onbetaald is gebleven. Bovendien heeft eiser een betalingsherinnering ontvangen en heeft hij hierop geen actie ondernomen door bijvoorbeeld contact op te nemen met de minister om navraag te doen over de tolheffing en eerdere betalingen. De minister heeft aangetoond dat de tolrit van 12 januari 2025 onbetaald is gebleven. Hoewel de rechtbank wil aannemen dat het voor eiser niet direct duidelijk was hoe de minister met betalingen en toerekening aan ritten omging, heeft hij niet onderbouwd op grond waarvan hij meende dat de minister voor dubbele betalingen een krediet zou aanhouden, waaruit latere ritten zouden (kunnen) worden betaald. Dat de informatievoorziening van de minister hieraan ten grondslag kan liggen is niet aannemelijk geworden.
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/5073
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [plaatsnaam], eiser
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister
(gemachtigden: mr. B.S. Kruize, [naam 1] en [naam 2]).
Procesverloop
1. De minister heeft met een besluit van 11 maart 2025 (het primaire besluit) aan eiser een boete ter hoogte van € 36,51 opgelegd wegens het niet betalen van het verschuldigde toltarief. Met een besluit van 26 mei 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij de boeteoplegging gebleven.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebbende gemachtigden van de minister deelgenomen. Eiser is zonder kennisgeving vooraf niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Op 7 december 2024 is de A24/Blankenburgverbinding geopend. De A24 verbindt de A20 bij Vlaardingen met de A15 bij Rozenburg. Om de aanleg van de A24 te kunnen financieren wordt tol geheven. Tolheffing gaat via E-tol, elektronisch betalen. Dat betekent dat betalen automatisch geschiedt via een aanbieder of via een betaling online. Er zijn geen tolpoortjes. Betaling van een tolrit kan vanaf 7 dagen vooraf tot 3 dagen (72 uur) achteraf plaatsvinden. Het toltarief wordt vastgesteld bij ministeriële regeling en bedraagt in dit geval € 1,51 per rit. Als te laat wordt betaald volgt een betalingsherinnering. Deze betalingsherinnering is het eerste jaar na opening nog kosteloos. Daarna wordt hiervoor een bedrag van € 9,- in rekening gebracht. Als betaling dan nog steeds uitblijft wordt een bestuurlijke boete opgelegd. Het boetebedrag is in de wet vastgesteld op een bedrag van € 35,– vermeerderd met het oorspronkelijke toltarief. De tolheffing en de handhaving hiervan worden geregeld in de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Wet tolheffing).

3. Eiser heeft op 12 januari 2025 om 10:24 uur gebruik gemaakt van de Blankenburgverbinding. Omdat de tol niet binnen 72 uur is betaald, is aan eiser een betalingsherinnering verstuurd. Vanwege uitblijven van een betaling is het primaire besluit genomen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt op 18 maart 2025.

4. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser gebruik heeft gemaakt van de Blankenburgverbinding en dat hij hiervoor het toltarief niet heeft betaald. De door eiser gedane betalingen zijn gebruikt voor oudere ritten die nog niet waren betaald of teruggestort.

De opgelegde boete

5. Eiser voert aan dat de minister de boete ten onrechte heeft opgelegd. Eiser stelt het toltarief wel degelijk te hebben betaald en verwijst naar door hem overgelegde betalingsbewijzen. Eiser heeft voor ritten in december 2024 twee keer betaald via een handmatige overschrijving en twee keer aan de hand van betalingsherinneringen. Eiser was in de veronderstelling dat hij twee keer teveel heeft betaald en dat hij daarom een krediet had waardoor hij de rit in januari 2025 niet hoefde te betalen. Dat die veronderstelling niet juist bleek te zijn is te wijten aan het gebrek aan informatievoorziening van de minister. Eiser stelt dat er sprake is van een misverstand en niet van onwil en dat hij inmiddels heeft geregeld dat automatisch wordt betaald.

6. De rechtbank zal aan de hand van de hierboven weergegeven beroepsgrond beoordelen of de boete terecht is opgelegd. Daarbij is van belang dat eiser niet betwist dat hij op het genoemde moment van de Blankenburgverbinding gebruik heeft gemaakt.

Is sprake van een overtreding?

7. Vast staat dat eiser op 12 januari 2025 om 10:24 uur gebruik heeft gemaakt van de toltunnel en dat hij het toltarief niet binnen 72 uur heeft betaald. De stelling van eiser dat hij meende bij de minister een krediet te hebben opgebouwd, maakt niet dat geen sprake is van een overtreding. De minister heeft toegelicht dat een tolrit uiterlijk binnen 3 dagen na de tolrit moet worden betaald. Vooruitbetalingen worden door e-Tol ook geaccepteerd, tot 7 dagen voor de tolrit. Als er sprake is van een dubbele betaling of een betaling die niet aan een tolrit kan worden gekoppeld, dan wordt het te veel betaalde bedrag binnen drie weken teruggestort. Bij e-Tol wordt volgens de minister niet langdurig een tegoed aangehouden. Kan een betaling gelet op de termijnen van 7 en 3 dagen niet aan een tolrit worden gekoppeld, bijvoorbeeld omdat er geen onbetaalde tolrit openstaat, dan wordt het bedrag teruggestort. De tolrit van 12 januari 2025 viel ruimschoots buiten de periode van 7 dagen na de betaling in december, waardoor de betaling in december niet als voorafbetaling aan deze tolrit gekoppeld kon worden. Eiser heeft met zijn veronderstelling dat hij een krediet had opgebouwd het risico gelopen dat de tolrit van 12 januari 2025 onbetaald is gebleven. Bovendien heeft eiser een betalingsherinnering ontvangen en heeft hij hierop geen actie ondernomen door bijvoorbeeld contact op te nemen met de minister om navraag te doen over de tolheffing en eerdere betalingen. De minister heeft aangetoond dat de tolrit van 12 januari 2025 onbetaald is gebleven. Hoewel de rechtbank wil aannemen dat het voor eiser niet direct duidelijk was hoe de minister met betalingen en toerekening aan ritten omging, heeft hij niet onderbouwd op grond waarvan hij meende dat de minister voor dubbele betalingen een krediet zou aanhouden, waaruit latere ritten zouden (kunnen) worden betaald. Dat de informatievoorziening van de minister hieraan ten grondslag kan liggen is niet aannemelijk geworden.Hetgeen eiser heeft aangevoerd is onvoldoende om het ontbreken van verwijtbaarheid van de overtreding te kunnen aannemen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser de boete moet betalen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel delen