Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:8301

Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding, beroep gegrond. Omdat aan het opleggen van een bestuurlijke boete een betalingsherinnering vooraf dient te gaan, en de rechtbank in deze zaken bij het ontbreken van deze betalingsherinneringen niet kan vaststellen of die voldoen aan de wettelijke vereisten en zijn voorzien van een juiste adressering, zijn de bestreden besluiten onzorgvuldig voorb...

Rechtbank Rotterdam 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:8301 text/xml public 2026-07-09T16:28:39 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-07-08 ROT 25/6088 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8301 text/html public 2026-07-09T16:26:36 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:8301 Rechtbank Rotterdam , 08-07-2026 / ROT 25/6088
Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding, beroep gegrond.

Omdat aan het opleggen van een bestuurlijke boete een betalingsherinnering vooraf dient te gaan, en de rechtbank in deze zaken bij het ontbreken van deze betalingsherinneringen niet kan vaststellen of die voldoen aan de wettelijke vereisten en zijn voorzien van een juiste adressering, zijn de bestreden besluiten onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Daarom moeten de bestreden besluiten worden vernietigd.

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/6088
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister
(gemachtigde: mr. B.S. Kruize, [naam 1] en [naam 2]).
Samenvatting
1. De minister heeft met een besluit van 25 mei 2025 (het primaire besluit) aan eiseres een boete ter hoogte van € 36,51 opgelegd wegens het niet betalen van het verschuldigde toltarief. Met een besluit van 8 augustus 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij de boeteoplegging gebleven.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Op 7 december 2024 is de A24/Blankenburgverbinding geopend. De A24 verbindt de A20 bij Vlaardingen met de A15 bij Rozenburg. Om de aanleg van de A24 te kunnen financieren wordt tol geheven. Tolheffing gaat via E-tol, elektronisch betalen. Dat betekent dat betalen automatisch geschiedt via een aanbieder of via een betaling online. Er zijn geen tolpoortjes. Betaling van een tolrit kan vanaf 7 dagen vooraf tot 3 dagen (72 uur) achteraf plaatsvinden. Het toltarief wordt vastgesteld bij ministeriële regeling en bedraagt in dit geval € 1,51 per rit. Als te laat wordt betaald volgt een betalingsherinnering. Deze betalingsherinnering is het eerste jaar na opening nog kosteloos. Daarna wordt hiervoor een bedrag van € 9,- in rekening gebracht. Als betaling dan nog steeds uitblijft wordt een bestuurlijke boete opgelegd. Het boetebedrag is in de wet vastgesteld op een bedrag van € 35,– vermeerderd met het oorspronkelijke toltarief. De tolheffing en de handhaving hiervan worden geregeld in de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Wet tolheffing).

3. Eiseres heeft op 27 mei 2025 om 15:48 uur gebruik gemaakt van de Blankenburgverbinding. Omdat de tol niet binnen 72 uur is betaald, stelt de minister dat aan eiseres een betalingsherinnering is verstuurd. Vanwege uitblijven van een betaling is het primaire besluit genomen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.

4. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres gebruik heeft gemaakt van de Blankenburgverbinding en dat zij hiervoor het toltarief niet heeft betaald. De betalingsherinnering is via het systeem van het CJIB verzonden en dat systeem is door de rechtspraak als voldoende betrouwbaar beoordeeld. Betalingsherinneringen worden aan de houder van het voertuig verstuurd. Eiseres was op het moment van de tolrit nog houder van het voertuig. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de betalingsherinnering niet heeft ontvangen.

Het standpunt van eiseres

5. Eiseres voert aan dat de minister de boete ten onrechte heeft opgelegd. Eiseres heeft de betalingsherinnering niet ontvangen en het is aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de betalingsherinnering ook echt is verstuurd. Volgens eiseres is er mogelijk een verwarring in adressen ontstaan, omdat zij haar voertuig enkele uren na de tolrit heeft overgeschreven op naam van de koper. Verder voert eiseres aan dat de bebording langs de Blankenburgverbinding onvoldoende duidelijkheid geeft over de concrete betaalwijze, betaaltermijn en de gevolgen van het niet betalen van de tol. Eiseres voert ook aan dat de omstandigheden van haar geval maken dat de sanctie onevenredig zwaar is in verhouding tot de overtreding, nu zij zich niet bewust is geweest van de verplichting tot tolbetaling.

Heeft de minister aannemelijk gemaakt dat de betalingsherinneringen zijn verstuurd?

6. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank de minister verzocht de betalingsherinneringen te overleggen. Bij brief van 26 mei 2026 heeft de minister aangegeven dat dit niet mogelijk is omdat de betalingsherinneringen, uit privacyoverwegingen en het niet onnodig opslaan van data, al uit de systemen van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) zijn verwijderd. Volgens de minister is het met de huidige inrichting van het systeem niet mogelijk om een onderscheid te maken tussen al betaalde en onbetaalde betalingsherinneringen. Daarom is ervoor gekozen om alle betalingsherinneringen na het aflopen van de betaaltermijn te verwijderen. De minister wijst er op dat de datum en het tijdstip van verzending van de betalingsherinneringen wel blijkt uit zijn zaaksoverzichten met de verzendinformatie van het CJIB. De minister stelt zich op het standpunt dat in de rechtspraak is geaccepteerd dat met de zaaksoverzichten de daadwerkelijke verzending wordt aangetoond. Het CJIB heeft de betalingsherinnering verstuurd aan het adres waarop eiseres destijds stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de betalingsherinnering een op de zaak betrekking hebbende stuk is als bedoeld in artikel 8:42 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom deel uit (moeten) maken van het procesdossier. In de Memorie van Toelichting is juist ook vanwege het gekozen tolheffingssysteem en de handhaving met boeteoplegging het belang van de betalingsherinnering aangegeven. De rechtbank begrijpt dat de minister in verband met de privacy van de weggebruikers en de capaciteit voor dataopslag stukken niet te lang wil bewaren. Deze keuze komt echter voor rekening en risico van de minister. De minister had er ook voor kunnen kiezen op de zaak betrekking hebbende stukken pas te verwijderen nadat de boete onherroepelijk is geworden. Hoewel de minister een blanco betalingsherinnering en de verzendadministratie heeft overgelegd kan de rechtbank zonder de concrete betalingsherinnering in het geval van eiseres niet controleren wat de exacte inhoud van de betalingsherinnering is geweest en welk adres daarop is vermeld. Dat maakt dat over een belangrijke stap in het proces geen rechterlijke controle mogelijk is. Reeds om die reden moet het beroep gegrond worden verklaard. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb, kan als een partij niet voldoet aan de verplichting stukken over te leggen, de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat het geconstateerde gebrek tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden.De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waar de minister naar verwijst, maakt dit niet anders. In die uitspraak ging het in het kader van de beoordeling van de tijdigheid van het ingestelde bezwaar om de vraag of en wanneer bepaalde poststukken waren verzonden. Die uitspraak ziet niet op de vraag welke stukken op grond van artikel 8:42 Awb als op de zaak betrekking hebbende stukken moeten worden overgelegd. Uit de uitspraak blijkt ook niet dat de beslissingen van de officier van justitie waar het om draaide niet in het dossier zaten.
6.2.
Omdat aan het opleggen van een bestuurlijke boete een betalingsherinnering vooraf dient te gaan, en de rechtbank in deze zaak bij het ontbreken van deze betalingsherinnering niet kan vaststellen of die voldoet aan de wettelijke vereisten en is voorzien van een juiste adressering, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Daarom moeten het bestreden besluit worden vernietigd. Gelet hierop behoeft hetgeen voor het overige door eiseres is aangevoerd geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Dat betekent dat de boete van de baan is. De rechtbank begrijpt uit de Memorie van Toelichting bij de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 dat bij vernietiging van de boete geen toltarief meer hoeft te worden betaald.

8. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. R Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 augustus 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6346, r.o. 15.

Zie Kamerstukken II, 2014–2015, 34 189, nr. 3. p. 25.

Artikel 10, vierde lid aanhef en onder 4 van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 geeft de mogelijkheid de persoonsgegevens van eiseres tot vijf jaar na het onherroepelijk worden dan wel vernietiging van de boete te bewaren.

Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 november 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:AA3736, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 1997, JB 1997/270.

Dit volgt uit artikel 12, tweede lid, van de Wet tolheffing.

Zie Kamerstukken II, 2014–2015, 34 189, nr. 3. p. 25.

Artikel delen