Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:8303

Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding, beroepen gegrond en ongegrond. De rechtbank ziet aanleiding het totale boetebedrag voor de twee overtredingen terug te brengen tot het boetebedrag voor één overtreding, dat wil zeggen tot € 36,51. Alles tezamen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de minister in redelijkheid had moeten volstaan met het opleggen van één...

Rechtbank Rotterdam 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:8303 text/xml public 2026-07-09T16:43:08 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-07-08 ROT 25/8509 en 25/10256 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8303 text/html public 2026-07-09T16:42:09 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:8303 Rechtbank Rotterdam , 08-07-2026 / ROT 25/8509 en 25/10256
Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding, beroepen gegrond en ongegrond.

De rechtbank ziet aanleiding het totale boetebedrag voor de twee overtredingen terug te brengen tot het boetebedrag voor één overtreding, dat wil zeggen tot € 36,51. Alles tezamen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de minister in redelijkheid had moeten volstaan met het opleggen van één boete. De minister heeft in redelijkheid een boete opgelegd ten aanzien van de overtreding van 15 april 2025 om 13:24 uur. Omdat beide overtredingen in een tijdsbestek van vier uur hebben plaatsgevonden en de feiten en omstandigheden die aan de overtredingen ten grondslag liggen gelijk zijn had de minister, gelet op het hiervoor overwogene, ten aanzien van de overtreding op 15 april 2025 om 16:47 uur in redelijkheid moeten afzien van het opleggen van een boete.
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/8509 en 25/10256
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [plaatsnaam], eiser,
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister
(gemachtigden: mr. B.S. Kruize, [naam 1] en [naam 2]).
Procesverloop
1. De minister heeft met de primaire besluiten van 14 juli 2025 in totaal twee boetes ter hoogte van € 36,51 aan eiser opgelegd wegens het niet betalen van verschuldigde toltarieven. Met een besluit van 19 september 2025 (het bestreden besluit I, ROT 25/8509) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen één van de boetes niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt. Met een besluit van 13 november 2025 (het bestreden besluit II, ROT 25/10256) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen de andere boete ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Op 7 december 2024 is de A24/Blankenburgverbinding geopend. De A24 verbindt de A20 bij Vlaardingen met de A15 bij Rozenburg. Om de aanleg van de A24 te kunnen financieren wordt tol geheven. Tolheffing gaat via E-tol, elektronisch betalen. Dat betekent dat betalen automatisch geschiedt via een aanbieder of via een betaling online. Er zijn geen tolpoortjes. Betaling van een tolrit kan vanaf 7 dagen vooraf tot 3 dagen (72 uur) achteraf plaatsvinden. Het toltarief wordt vastgesteld bij ministeriële regeling en bedraagt in dit geval € 1,51 per rit. Als te laat wordt betaald volgt een betalingsherinnering. Deze betalingsherinnering is het eerste jaar na opening nog kosteloos. Daarna wordt hiervoor een bedrag van € 9,- in rekening gebracht. Als betaling dan nog steeds uitblijft wordt een bestuurlijke boete opgelegd. Het boetebedrag is in de wet vastgesteld op een bedrag van € 35,– vermeerderd met het oorspronkelijke toltarief. De tolheffing en de handhaving hiervan worden geregeld in de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Wet tolheffing).

3. Eiser heeft op 15 april 2025 om 13:24 uur (25/10256) en om 16:47 uur (25/8509) gebruik gemaakt van de Blankenburgverbinding. Omdat de tol niet binnen 72 uur is betaald, zijn aan eiser betalingsherinneringen verstuurd. Vanwege uitblijven van betalingen zijn de primaire besluiten genomen. Eiser heeft tegen de boete voor de tolrit van 13:24 uur op 24 juli 2025 bezwaar gemaakt. Eiser heeft tegen de boete voor de tolrit van 16:47 uur op 26 augustus 2025 bezwaar gemaakt.

4. De minister heeft aan het bestreden besluit I ten grondslag gelegd dat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt, omdat hij tot en met 25 augustus 2025 had om dit te doen. De minister ziet in de toelichting van eiser geen omstandigheden die de termijnoverschrijding rechtvaardigen.

5. De minister heeft aan het bestreden besluit II ten grondslag gelegd dat eiser gebruik heeft gemaakt van de Blankenburgverbinding en dat hij hiervoor het toltarief niet heeft betaald. De door eiser gedane betalingen zijn gebruikt voor een vooraf betaling van de op dat moment oudste nog openstaande rit die nog niet was betaald.

Komt de rechtbank toe aan een beoordeling van de boete in de zaak 25/8509?

6. Ter zitting is namens de minister verklaard dat – gelet op de rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven – een nieuwe werkwijze wordt gehanteerd. De minister is coulanter bij het beoordelen van de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen. Dit zou betekenen dat eiser thans wel ontvankelijk zou worden geacht in bezwaar. De minister heeft daarom aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben als de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordeelt. Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit I te worden vernietigd. De rechtbank stelt vast dat eiser inhoudelijke gronden heeft gericht tegen het opleggen van de boete en de minister zich daarover heeft kunnen uitlaten. Gelet op (de strekking van) artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht en wat ter zitting is besproken zal de rechtbank de minister daarom niet opdragen een inhoudelijke beslissing op het bezwaar te nemen, maar het beroep inhoudelijk beoordelen.

De opgelegde boetes

7. Eiser voert aan dat de minister de boetes ten onrechte heeft opgelegd. Eiser stelt de toltarieven wel degelijk te hebben betaald op 20 april 2025 en verwijst naar de door hem overgelegde betalingsbewijzen en een overzicht van zijn ritten via de Blankenburgverbinding. De minister heeft de betalingen op 20 april 2025 volgens eiser niet mogen gebruiken voor andere ritten. Overigens betwist eiser ook dat er sprake was van andere onbetaalde ritten. De minister heeft niet aangetoond dat hiervan sprake was en voor welke ritten de betalingen dan zijn gebruikt.
7.1.
De rechtbank beoordeelt aan de hand van de hierboven weergegeven beroepsgronden of de boetes terecht zijn opgelegd. Daarbij is van belang dat eiser niet betwist dat hij op de genoemde data en tijdstippen van de Blankenburgverbinding gebruik heeft gemaakt.

Is sprake van overtredingen?

8. Vast staat dat eiser op 15 april 2025 twee keer gebruik heeft gemaakt van de toltunnel. Gelet op wat hiervoor onder 2. is overwogen waren de betalingen van eiser voor de ritten van 15 april 2025 op 20 april 2025 te laat, nu deze niet binnen 72 uur plaatsvonden. Daarom is sprake van twee overtredingen.

Zijn de overtredingen verwijtbaar?
8.1.
Op grond van artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
8.2.
Vast staat dat eiser op 15 april 2025 twee keer gebruik heeft gemaakt van de toltunnel. Eiser stelt voor deze ritten op 20 april 2025 betaald te hebben. De minister heeft deze betaling niet kunnen koppelen aan de ritten van 15 april 2025, omdat de betaling te laat was. In bezwaar heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de betalingen zijn gekoppeld aan andere ritten, maar dat niet achterhaald kon worden welke ritten. In het verweerschrift heeft de minister aangegeven dat door een nieuwe technische toepassing achterhaald is, dat de betaling van 20 april 2025 is gekoppeld aan twee ritten op 29 april 2025. De minister heeft ter zitting toegelicht dat 20 april 2025 op een zondag was en dat 21 april 2025 tweede paasdag was. De betalingen van eiser zijn daardoor hoogstwaarschijnlijk pas op 22 april 2025 verwerkt, waardoor deze als voorafbetalingen voor de ritten van 29 april 2025 zijn gebruikt. De rechtbank acht dit aannemelijk. Eiser heeft er niet van uit mogen gaan dat zijn betalingen zijn gebruikt voor de ritten van 15 april 2025. Deze waren immers buiten te gestelde termijn van 72 uur na de tolrit.
8.3.
Gelet op het voorgaande valt het eiser te verwijten dat hij de tolgelden niet heeft betaald. Dat betekent dat de minister in beginsel bevoegd was om twee boetes op te leggen.

Mocht de minister elke overtreding afzonderlijk beboeten?
8.4.
Het opleggen van een bestuurlijke boete vanwege het niet of niet geheel betalen van het toltarief is een discretionaire bevoegdheid van de minister. Dat betekent dat de minister, hoewel sprake is van twee overtredingen die elk afzonderlijk beboetbaar zijn, niet verplicht is voor elke afzonderlijke overtreding een boete op te leggen.
8.5.
De rechtbank ziet aanleiding het totale boetebedrag voor de twee overtredingen terug te brengen tot het boetebedrag voor één overtreding, dat wil zeggen tot € 36,51. De rechtbank wijst erop dat ten tijde van de overtredingen de Blankenburgverbinding pas enkele maanden geopend was. Het betalen van het toltarief middels het E-tol systeem is bovendien met de Blankenburgverbinding voor het eerst in Nederland ingevoerd. Niet alleen voor de minister kan de invoering van een dergelijk nieuw systeem opstartproblemen met zich brengen, ook gebruikers zullen hun weg hierin moeten vinden. De onduidelijkheid voor eiser hoe dan zijn betaling van 20 april 2025 is verwerkt, is wat dat betreft exemplarisch. Van de minister mag verwacht worden in de beginfase van het E-tol systeem en bij het opleggen van de eerste boetes hier rekening mee te houden. In het specifieke geval van eiser geldt dat hij er van uit is gegaan dat hij twee keer heeft betaald voor de ritten op 15 april 2025 en dat hij deze betalingen niet teruggestort heeft gekregen. De betaling was te laat, maar de minister heeft pas in beroep meer duidelijkheid kunnen geven voor welke ritten de betalingen van 20 april 2025 dan wel zijn gebruikt. In het geval van eiser is daarbij ook van belang dat beide overtredingen het gevolg zijn van één en dezelfde fout bij het betalen van de toltarieven. De minister stelt weliswaar terecht dat de betalingen niet zijn teruggestort omdat deze zijn gebruikt voor andere ritten, dat betekent echter niet dat dit in het kader van de evenredigheid geen rol kan spelen. Alles tezamen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de minister in redelijkheid had moeten volstaan met het opleggen van één boete. De minister heeft in redelijkheid een boete opgelegd ten aanzien van de overtreding van 15 april 2025 om 13:24 uur. Omdat beide overtredingen in een tijdsbestek van vier uur hebben plaatsgevonden en de feiten en omstandigheden die aan de overtredingen ten grondslag liggen gelijk zijn had de minister, gelet op het hiervoor overwogene, ten aanzien van de overtreding op 15 april 2025 om 16:47 uur in redelijkheid moeten afzien van het opleggen van een boete.
Conclusie en gevolgen
9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep in de zaak 25/8509 gegrond is en dat de rechtbank aanleiding ziet om het bestreden besluit I te vernietigen en het primaire besluit te herroepen. Dat betekent dat in die zaak de boete van de baan is. De rechtbank begrijpt uit de Memorie van Toelichting bij de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 dat bij vernietiging van de boete geen toltarief meer hoeft te worden betaald.

10. Het beroep in de zaak 25/10256 is ongegrond. Dat betekent dat die boete ter hoogte van € 36,51 in stand blijft. Eiser krijgt het betaalde griffierecht in deze zaak niet terug.

11. Omdat het beroep in de zaak 25/8509 gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding nu eiser in persoon procedeert.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep in de zaak 25/10256 ongegrond;

- verklaart het beroep in de zaak 25/8509 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit in de zaak 25/8509;

- herroept het primaire besluit in de zaak 25/8509;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:41

Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

Artikel 7:1a

1. In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.

2. Het bestuursorgaan wijst het verzoek in ieder geval af, indien tegen het besluit een ander bezwaarschrift is ingediend waarin eenzelfde verzoek ontbreekt, tenzij dat andere bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is.

3. Het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is.

4. Het bestuursorgaan beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek. Een beslissing tot instemming wordt genomen zodra redelijkerwijs kan worden aangenomen dat geen nieuwe bezwaarschriften zullen worden ingediend. De artikelen 4:7 en 4:8 zijn niet van toepassing.

5. Indien het bestuursorgaan instemt met het verzoek zendt het het bezwaarschrift, onder vermelding van de datum van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter.

6. Een na de instemming ontvangen bezwaarschrift wordt eveneens onverwijld doorgezonden aan de bevoegde rechter. Indien dit bezwaarschrift geen verzoek als bedoeld in het eerste lid bevat, wordt, in afwijking van artikel 8:41, eerste lid, geen griffierecht geheven.

Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15

Artikel 7b. (betalen toltarief aan Onze Minister)

1. Het verschuldigde toltarief wordt binnen een bij ministeriële regeling gestelde termijn betaald.

2. Artikel 4:94 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op het verschuldigde toltarief.

Artikel 12. (bestuurlijke boete bij betaling zonder overeenkomst)

1. Het niet of niet geheel betalen van het toltarief binnen de op grond van artikel 7b, eerste lid, gestelde termijn is een overtreding ter zake waarvan Onze Minister aan de houder, een bestuurlijke boete kan opleggen, die bestaat uit een bedrag van € 35,– vermeerderd met het oorspronkelijke toltarief en, indien paragraaf 2.2.1 van toepassing is, de aanmaningsvergoeding.

2. Als een aanmaning tot betaling van het toltarief is verzonden, wordt de bestuurlijke boete niet opgelegd dan nadat de termijn, bedoeld in artikel 8, tweede lid, is verstreken.

3. De betaling van de bestuurlijke boete geschiedt binnen twee weken nadat de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden.

4. Als de bestuurlijke boete niet tijdig geheel is betaald, zendt Onze Minister de houder, een eerste aanmaning en wordt de bestuurlijke boete van rechtswege met vijftig procent verhoogd. De betaling geschiedt binnen vier weken na verzending van de eerste aanmaning het verhoogde bedrag te betalen.

5. Als het verhoogde bedrag, bedoeld in het vierde lid, niet binnen de in dat lid gestelde termijn geheel betaald is, zendt Onze Minister de houder, een tweede aanmaning en wordt het verhoogde bedrag van rechtswege verder verhoogd met honderd procent van dat bedrag. De betaling geschiedt binnen vier weken na verzending van de tweede aanmaning het verder verhoogde bedrag te betalen.

6. Als het verder verhoogde bedrag, bedoeld in het vijfde lid, niet binnen de in dat lid gestelde termijn geheel betaald is, is Onze Minister bevoegd tot uitvaardiging van een dwangbevel.

7. Artikel 4:113 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de eerste en tweede aanmaning.

8. Artikel 5:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de eerste aanmaning.

Regeling tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15

Artikel 2c. (betalingstermijn toltarief zonder dienstverleningsovereenkomst)

Het verschuldigde toltarief, bedoeld in artikel 7b, eerste lid van de wet, wordt binnen 72 uur betaald.

Uitspraak van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.

Dit volgt uit artikel 12 van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15.

Artikel delen