Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:8647

Verstek. Ontruiming gehuurde bedrijfsruimte en betaling huurachterstand. De kantonrechter wijst het verzoek van gedaagde om het verstek alsnog te zuiveren af, omdat toewijzing van dat verzoek in strijd is met een goede procesorde. Het zuiveringsverzoek is namelijk pas vlak voor de zitting gedaan en toewijzing daarvan zal tot onaanvaardbare vertraging van deze spoedprocedure leiden. De gevorderd...

Rechtbank Rotterdam 29 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:8647 text/xml public 2026-07-29T16:48:10 2026-07-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-07-16 1224 2767 VV EXPL 26-297 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8647 text/html public 2026-07-29T16:47:12 2026-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:8647 Rechtbank Rotterdam , 16-07-2026 / 1224 2767 VV EXPL 26-297
Verstek. Ontruiming gehuurde bedrijfsruimte en betaling huurachterstand. De kantonrechter wijst het verzoek van gedaagde om het verstek alsnog te zuiveren af, omdat toewijzing van dat verzoek in strijd is met een goede procesorde. Het zuiveringsverzoek is namelijk pas vlak voor de zitting gedaan en toewijzing daarvan zal tot onaanvaardbare vertraging van deze spoedprocedure leiden. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen.
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam

zaaknummer: 12242767 VV EXPL 26-297

datum uitspraak: 16 juli 2026

Vonnis in kort geding van de kantonrechter

in de zaak van

Vastgoed Erol B.V.,

vestigingsplaats: Enschede,

eiseres,

gemachtigde: mr. N.W. Sprenger-Andela,

tegen

[gedaagde] ,

vestigingsplaats: Rotterdam,

gedaagde,

die niet is verschenen.

Partijen worden hierna ‘Erol’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 8 juni 2026, met bijlagen;

de mail van mr. A. Coskun namens [gedaagde] van 2 juli 2026, met bijlagen;

de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Erol.
1.2.
Op 2 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting met [naam], bestuurder van Erol, en de gemachtigde besproken. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. Hierna zal worden uitgelegd waarom.
<nr>2</nr>Waar gaat de zaak over?
[gedaagde] huurt van Erol sinds 1 november 2016 de bedrijfsruimte aan de [adres] (hierna: het gehuurde). Erol stelt dat [gedaagde] een huurachterstand van € 42.824,88 heeft laten ontstaan omdat zij weigert de jaarlijkse huurindexeringen (met terugwerkende kracht tot vijf jaar) te betalen. Erol eist daarom in dit kort geding betaling van de huurachterstand met buitengerechtelijke incassokosten van € 1.203,24 en de proceskosten. Zij wil ook dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt op straffe van een dwangsom.
<nr>3</nr>De beoordeling
Verzoek tot zuivering van het verstek
3.1.
Kort voor de zitting heeft de rechtbank een mail van mr. A. Coskun ontvangen. Daarin licht hij namens [gedaagde] toe dat hij pas zojuist is ingeschakeld, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het een bodemprocedure betrof, verzoekt hij het verstek te zuiveren en hem in de gelegenheid te stellen verweer te voeren. Erol heeft ter zitting aangegeven daar niet akkoord mee te gaan.
3.2.
Uit artikel 142 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat een gedaagde partij in principe het recht heeft om een verstek te zuiveren zolang er nog geen eindvonnis is gewezen. Dit recht is echter niet absoluut. Zuivering kan worden geweigerd indien dit misbruik van procesrecht oplevert of indien toewijzing daarvan in strijd is met een goede procesorde. Van dat laatste is hier sprake. De dagvaarding is op 8 juni 2026 op de juiste wijze aan [gedaagde] betekend. [gedaagde] was dus op de hoogte van datum en tijdstip van de zitting en heeft ruim drie weken de tijd gehad om rechtsbijstand in te schakelen en zich voor te bereiden. Dat zij dit heeft nagelaten en heeft afgezien om te verschijnen en haar gemachtigde zich pas vijftien minuten voor de geplande aanvang van de zitting meldt met een verzoek tot zuivering van het verstek, is een omstandigheid die geheel voor haar rekening en risico komt. Een kort geding vereist, mede gelet op het spoedeisende karakter, een vlotte afdoening. Het op dit late moment verzoeken om zuivering, een verstekverlening en nieuwe behandeling zou leiden tot een onredelijke vertraging van deze spoedprocedure en daarmee tot een onaanvaardbare benadeling van Erol, mede gelet op hetgeen in 3.3. wordt overwogen. Gelet op al deze omstandigheden wordt het zuiveringsverzoek van mr. Coskun namens Erol dan ook geweigerd, zodat de zaak inhoudelijk zal worden beoordeeld als een verstekzaak

Beoordelingskader in kort geding
3.3.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van Erol volgt dat deze spoed aanwezig is. Behalve de dwangsom wordt de vordering toegewezen omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). Hierna wordt dit verder uitgelegd.

Ontruiming
3.4.
In een eerder kort geding tussen partijen bij rechtbank Rotterdam is de ontruiming van het gehuurde afgewezen omdat bij de rechtbank Overijssel tussen partijen een bodemprocedure liep over de eigendom van het gehuurde. Die situatie is nu veranderd. Uit het latere vonnis van 18 maart 2026 van rechtbank Overijssel dat Erol heeft overgelegd, volgt dat inmiddels door de rechtbank is geoordeeld dat Erol de enige juridische eigenaar is van het gehuurde. Daarmee is de grond voor afwijzing van de ontruiming in het eerdere kort geding komen te vervallen. Dat [gedaagde] in hoger beroep is gegaan tegen het vonnis van rechtbank Overijssel schorst de werking van dat vonnis niet omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
3.5.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst zal worden toegewezen. Vaststaat immers dat [gedaagde] een enorme huurachterstand heeft laten ontstaan. Hiermee is zij ernstig tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen. Zij moet het gehuurde binnen de gevorderde termijn van acht dagen na betekening van dit vonnis ontruimen.

Huurachterstand en incassokosten
3.6.
De gevorderde betalingsachterstand van € 42.824,88 (bestaande uit niet-betaalde huurindexeringen tot en met juni 2026) wordt eveneens toegewezen. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 1.203,24 wordt toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen.

Geen dwangsom
3.7.
Erol heeft een dwangsom gevorderd voor het geval [gedaagde] niet vrijwillig ontruimt. Deze vordering wordt afgewezen. Erol heeft namelijk geen belang bij een dwangsom. Als [gedaagde] niet vrijwillig vertrekt, kan Erol het gehuurde met behulp van een deurwaarder (en eventueel de politie) gedwongen laten ontruimen op grond van de artikelen 555 e.v. Rv.

Proceskosten
3.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Erol moet betalen op € 128,65 aan dagvaardingskosten, € 1.504,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.353,65. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.

Uitvoerbaar bij voorraad
3.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Erol dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als [gedaagde] in verzet komt tegen dit vonnis en aan een andere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
<nr>4</nr>De beslissing
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen acht dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de bedrijfsruimte aan de [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Erol te stellen;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Erol te betalen een bedrag van € 42.824,88 aan huurachterstand (berekend tot en met juni 2026);
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Erol te betalen een bedrag van € 1.203,24 aan buitengerechtelijke incassokosten;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Erol worden begroot op € 2.353,65 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.

53954

Artikel delen