Kort geding. Verstek. Afwijzing. Vordering niet onderbouwd.
Rechtbank Rotterdam 31 July 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:8983
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-07-2026
Datum publicatie
31-07-2026
Zaaknummer
C/10/721254 / KG ZA 26-573
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
ECLI:NL:RBROT:2026:8983text/xmlpublic2026-07-31T15:15:502026-07-23Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Rotterdam2026-07-16C/10/721254 / KG ZA 26-573UitspraakKort gedingNLRotterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8983text/htmlpublic2026-07-31T15:14:322026-07-31Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:8983 Rechtbank Rotterdam , 16-07-2026 / C/10/721254 / KG ZA 26-573 Kort geding. Verstek. Afwijzing. Vordering niet onderbouwd.
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/721254 / KG ZA 26-573 Vonnis in kort geding van 16 juli 2026 in de zaak van
[eiseres]
,
wonende op een geheim adres,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. S. Koçak, tegen
[gedaagde]
,
wonende op een onbekend adres in [land] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen. 1De procedure1.1. Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 11 juni 2026, met producties 1 tot en met 6. 1.2.
[eiseres] heeft nog een nadere productie 7 ingediend. Deze productie is echter niet aan [gedaagde] betekend en omdat [gedaagde] niet in het geding is verschenen, kan niet worden vastgesteld of [gedaagde] deze productie heeft ontvangen. Productie 7 wordt dus buiten beschouwing gelaten. 1.3.
[gedaagde] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling, die plaatsvond op 2 juli 2026, diverse stukken toegezonden aan de voorzieningenrechter. Omdat [gedaagde] niet (digitaal) op de mondelinge behandeling aanwezig was, is hij niet in de procedure verschenen. De voorzieningenrechter laat de door [gedaagde] ingediende stukken dan ook buiten beschouwing. 2De feiten2.1. Partijen zijn samen de ouders van:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014; en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016. 2.2.
[eiseres] woont samen met de kinderen in Nederland; [gedaagde] woont in [land] . 3Het geschil3.1.
[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] te verbieden om zich jegens [eiseres] op welke wijze dan ook nog onrechtmatig uit te laten, waaronder begrepen smaad en/of laster, en om [eiseres] , haar werkgever, familieleden en/of andere derden te benaderen of te (laten) contacteren;
[gedaagde] te veroordelen om iedere publicatie, verspreiding of openbaarmaking van uitlatingen of gegevens betreffende [eiseres] te staken en gestaakt te houden; te bepalen dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 200,- per dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder 1 en 2 gevorderde, met een maximum van € 20.000,-;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis. 4De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.1. De Nederlandse rechter is bevoegd op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv, omdat het gestelde schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan. Nederlands recht is van toepassing op dit geschil, omdat de gestelde schade zich in Nederland voordoet (artikel 4 lid 1 Verordening EG 864/2007, Rome II). Tegen [gedaagde] wordt verstek verleend 4.2.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] op een onbekend adres in [land] woont. Uit de overgelegde echtscheidingsbeschikking van de echtscheidingsprocedure in [land] uit het jaar 2020 blijkt dat [gedaagde] destijds een bekend adres had. Ter zitting heeft [eiseres] toegelicht dat het in die beschikking opgenomen adres het adres van haar ouders is en dat zeker is dat [gedaagde] daar niet meer verblijft. [eiseres] weet niet waar [gedaagde] op dit moment woont, alleen dat dat in [land] is. 4.3. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de dagvaarding terecht aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij dit gerecht is betekend waarbij het uittreksel van het exploot bekend is gemaakt in de Staatscourant, één en ander zoals is bepaald in art. 54 lid 2 Rv. Tegen [gedaagde] wordt daarom verstek verleend. Hij is immers goed opgeroepen en niet verschenen, ook niet nadat hem de kans is geboden om digitaal aan de zitting deel te nemen. Het is onvoldoende aannemelijk dat de vorderingen gegrond en rechtmatig zijn 4.4.
[eiseres] stelt in de dagvaarding dat zij sinds geruime tijd geconfronteerd wordt met onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] tegen derden uit de persoonlijke en professionele omgeving van [eiseres] . Meer in het bijzonder stelt [eiseres] dat [gedaagde] zich herhaaldelijk negatief en beschuldigend over haar heeft uitgelaten via berichten en online publicaties, waaronder uitingen op sociale media en andere openbare platforms. Daarnaast heeft [gedaagde] contact gezocht met haar werkgever en uitlatingen over [eiseres] openbaar gemaakt binnen haar professionele netwerk, en voorts heeft [gedaagde] haar familieleden, vrienden en andere personen uit haar directe omgeving benaderd, aldus [eiseres] . De uitlatingen van [gedaagde] tasten haar goede naam aan, raken haar persoonlijke levenssfeer en de uitlatingen hebben negatieve gevolgen voor haar sociale en professionele positie. 4.5. De kern van het geschil tussen partijen wordt gevormd door een botsing van twee fundamentele rechten: het recht op vrijheid van meningsuiting in artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM van [gedaagde] tegenover het recht van [eiseres] op de bescherming van eer en goede naam (artikel 8 EVRM). Bij een afweging van deze rechten dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen. Het oordeel dat een van beide rechten (waartussen op zichzelf geen rangorde van belangrijkheid geldt), na weging van alle omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht brengt mee dat de inbreuk op het andere recht gerechtvaardigd is. 4.6.
[eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] inbreuk maakt op haar recht op bescherming van haar eer en goede naam. Zij heeft dit slechts bloot gesteld in de dagvaarding, maar heeft geen enkel stuk ter onderbouwing in het geding gebracht. Dat sprake is van onrechtmatige uitingen van [gedaagde] is dus niet gebleken en kan niet worden beoordeeld, laat staan dat en zo ja, in welke mate [eiseres] last heeft van deze uitingen. Anders gezegd, onbekend is gebleven welke schade zij lijdt. In zaken zoals deze waarin twee fundamentele rechten met elkaar botsen, moet volkomen helder zijn welke gedraging iemand uit, jegens wie, op welk platform en in welke mate iemand daar last van heeft. 4.7. Omdat niet aannemelijk is dat [gedaagde] onrechtmatig handelt tegen [eiseres] is het gevorderde verbod niet toewijsbaar. Dit geldt eveneens voor de gevorderde veroordeling tot het staken en gestaakt houden van iedere publicatie, verspreiding of openbaarmaking van uitlatingen of gegevens. De proceskosten worden gecompenseerd 4.8. De voorzieningenrechter ziet in deze zaak geen aanleiding om af te wijken van het
uitgangspunt dat de proceskosten tussen ex-echtgenoten worden gecompenseerd. De
proceskosten tussen partijen worden daarom gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de
eigen kosten draagt. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde, [gedaagde] , 5.2. wijst de vorderingen van [eiseres] af, 5.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026. 3608/638