Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:9298

Bezwaarschrift tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) ex art. 6:6:8 Sv. Bezwaar ongegrond.

Rechtbank Rotterdam 29 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:9298 text/xml public 2026-07-29T15:31:37 2026-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-07-24 10-691038-18 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:9298 text/html public 2026-07-29T15:30:11 2026-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:9298 Rechtbank Rotterdam , 24-07-2026 / 10-691038-18
Bezwaarschrift tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) ex art. 6:6:8 Sv. Bezwaar ongegrond.
RECHTBANK ROTTERDAM
Strafrecht

Zittingsplaats Rotterdam

parketnummer : 10-691038-18

v.i. nummer : 89-000099-88

raadkamernummer : 017024-26

datum : 24 juli 2026

beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering van:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1976,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen, gedetineerd in [naam PI],

hierna te noemen: de veroordeelde.

Raadsman mr. V.A. Vitanov, advocaat te ‘s-Gravenhage.
Feiten
Het gerechtshof Den Haag heeft de veroordeelde bij arrest van 23 december 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde is door de Hoge Raad op 27 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het vonnis van het gerechtshof Den Haag is daarmee onherroepelijk geworden.

De veroordeelde is op 18 maart 2024 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Hieraan is de algemene voorwaarde verbonden. Bij wijzigingsbesluit van 16 mei 2024 en 30 januari 2025 zijn er bijzondere voorwaarden toegevoegd.

Het Openbaar Ministerie heeft op 12 januari 2026 beslist de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde te herroepen. De reden hiertoe was (i) dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, omdat de veroordeelde op 19 november 2025 is veroordeeld voor een nieuw strafbaar feit, en (ii) dat de veroordeelde niet langer rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij per 28 oktober 2025 ongewenst is verklaard, hetgeen op 3 november 2025 in de Staatscourant is gepubliceerd.

Een kennisgeving van de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 22 november 2024 aan de veroordeelde betekend, doormiddel van een OM betekening.
Procedure
Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie op 15 juni 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 10 juli 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie op zitting gehoord.
Bezwaar
De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde te herroepen.

Namens de veroordeelde is aangevoerd dat de veroordeelde op 18 maart 2024 feitelijk in vrijheid is gesteld, maar de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidsstelling pas op 22 november 2024 is gestart. De veroordeelde is van mening dat de betekening gelijk met de feitelijke invrijheidsstelling diende plaats te vinden, en niet pas op 22 november 2024. Het is onduidelijk waarom de OM-betekening pas op die datum heeft plaatsgevonden. Deze late betekening is in strijd met de belangen van de veroordeelde, nu de proeftijd hierdoor acht maanden later is gestart. Gelet op het voornoemde stelt de veroordeelde dat de twee veroordelingen van 19 november 2025 (parketnummer 02-297441-25) en 28 mei 2025 (parketnummer 09-131237-25), plaats hebben gevonden pas na de v.i.-proeftijd van 365 dagen, te weten 18 maart 2025. Met betrekking tot de ongewenst verklaring van de veroordeelde van 28 oktober 2025 (gepubliceerd in de Staatscourant op 3 november 2025) dient hierbij te worden opgemerkt dat deze beslissing eveneens is genomen na 18 maart 2025. Primair verzoekt de veroordeelde het bezwaar gegrond te verklaren. Subsidiair wordt verzocht het v.i. strafrestant van 226 dagen en een proeftijd nogmaals te beoordelen en zo mogelijk te verkorten.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de startdatum van de v.i.-proeftijd moet worden uitgegaan van het moment waarop de v.i.-beslissing is betekend aan de veroordeelde. Conform het beleid van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) is dit ook zo in de v.i.-beslissing van 18 maart 2024 opgenomen: “Uw v.i. gaat in op de dag dat deze beslissing is betekend”. Blijkens de Informatiestaat SKDB van 7 maart 2024 was veroordeelde op het moment van de v.i.-beslissing zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande en stond hij ingeschreven op een adres in Bulgarije. Conform de regelgeving met betrekking tot de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen is meermalen getracht de v.i.-beslissing uit te reiken door rechtstreekse toezending daarvan aan het bekende adres in het buitenland. Het OM heeft echter nimmer bericht ontvangen dat de beslissing aan veroordeelde was uitgereikt. Nadat het OM bericht kreeg dat veroordeelde per 15 augustus 2024 stond ingeschreven op een adres in Schiedam, heeft het vervolgens drie keer gepoogd om beide beslissingen op dat adres te laten betekenen. De aktes kwamen echter telkens ongetekend retour, omdat veroordeelde niet meer op dat adres zou verblijven. Vervolgens heeft er op grond van artikel 36e lid 2 aanhef en onder b Wetboek van Strafvordering op 22 november 2024 uiteindelijk een OM-betekening van beide beslissingen plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande stelt het OM zich op het standpunt dat de proeftijd van de v.i. (met een duur van 365 dagen) is gestart op 22 november 2024.

Doordat veroordeelde na de aanvang van de proeftijd meerdere keren enige tijd uit andere hoofde gedetineerd heeft gezeten voor andere, latere, strafzaken, is de proeftijd gedurende die tijdvakken opgeschort. Hiermee rekening houdend is de einddatum van de proeftijd uiteindelijk 14 april 2026 geworden.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat bij afweging van de betrokken belangen het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Dat het bijna acht maanden heeft geduurd voordat de v.i.-beslissingen middels een OM-betekening konden worden uitgereikt, komt voort uit het feit dat veroordeelde (zowel in Bulgarije als in Nederland) kennelijk niet daadwerkelijk op het adres verbleef waar hij volgens de beschikbare informatie wel stond ingeschreven. Dit dient naar het oordeel van het OM voor rekening van veroordeelde te komen.
Beoordeling
Vast staat dat de proeftijd van de v.i. begint te lopen op het moment dat de akte is uitgereikt aan de veroordeelde. Uit het schriftelijk standpunt van de officier van justitie blijkt dat het OM heeft geprobeerd de akte in het buitenland te betekenen op het adres waarop de verdachte op dat moment was ingeschreven. Dat is niet gelukt. Nadat de verdachte zich had ingeschreven op een adres in Nederland heeft het OM gepoogd de akte daar te betekenen. De verdachte bleek daar niet (langer) woonachtig te zijn. Vervolgens is het OM overgegaan tot griffiebetekening en is de proeftijd gaan lopen per 22 november 2024.

De rechtbank is van oordeel dat de latere ingang van de proeftijd een logisch gevolg is van het feit dat het OM heeft geprobeerd de akte in het buitenland en in Nederland te betekenen, op een adres waarop de verdachte zich heeft ingeschreven. Het OM heeft een inspanningsverplichting en heeft hieraan voldaan. Dat de veroordeelde op deze adressen niet te bereiken was, komt voor rekening en verantwoordelijkheid van de veroordeelde. Het is de verantwoordelijkheid van de veroordeelde om zich in te schrijven op een adres waarop hij beschikbaar en bereikbaar is.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het bezwaar zal daarom ongegrond worden verklaard.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding het strafrestant van 226 dagen en/of de proeftijd opnieuw te beoordelen en te verkorten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. H. Wielhouwer en M. van den Bossche, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juli 2026.

TEKENBLAD

Artikel delen