Wvggz. Art. 6:1 lid 3 Wvggz. Betrokkene in het buitenland. Rb wijst het verzoek af, omdat een zorgmachtiging in de gegeven omstandigheden niet doelmatig is.
Rechtbank Rotterdam 5 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9431
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-08-2026
Datum publicatie
05-08-2026
Zaaknummer
C/10/719987 / FA RK 26-4003
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBROT:2026:9431text/xmlpublic2026-08-05T15:46:382026-08-01Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Rotterdam2026-06-29C/10/719987 / FA RK 26-4003UitspraakBeschikkingNLRotterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:9431text/htmlpublic2026-08-05T15:44:422026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:9431 Rechtbank Rotterdam , 29-06-2026 / C/10/719987 / FA RK 26-4003 Wvggz. Art. 6:1 lid 3 Wvggz. Betrokkene in het buitenland. Rb wijst het verzoek af, omdat een zorgmachtiging in de gegeven omstandigheden niet doelmatig is.
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie Zaak-/rekestnummer: C/10/719987 / FA RK 26-4003
Referentienummer: [nummer] Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 29 juni 2026 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van: de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier, met betrekking tot:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] 1989, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam. 1Procesverloop1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 19 mei 2026. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd: de medische verklaring opgesteld door [persoon A] , psychiater, van 18 mei 2026; de niet-ingevulde zorgkaart; het zorgplan van 14 april 2026; de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan; de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz; de relevante strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene; het bericht dat er geen relevante politiegegevens van betrokkene zijn. 1.2 Op 2 juni 2026 is de behandeling aangehouden, omdat betrokkene in het buitenland verbleef. 1.3 De voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen: betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
[persoon B] , verpleegkundig specialist, verbonden aan Antes. 1.4 Betrokkene is niet verschenen. Verder is de officier niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte. 2Beoordeling2.1 Betrokkene is tijdens de mondelinge behandeling niet aanwezig. De verpleegkundig specialist licht tijdens de mondelinge behandeling toe dat betrokkene momenteel in Marokko verblijft. Volgens de verpleegkundig specialist was betrokkene door zijn familie als vermist opgegeven en is hij verder niet bereikbaar. Wanneer betrokkene naar Nederland zal terugkeren, is onbekend. Mogelijk komt hij volgende week weer terug. Na de vorige mondelinge behandeling is betrokkene weer in de kliniek geweest en hij is een week eerder voor het laatst gezien. Betrokkene heeft toen zijn medicatie geweigerd en toonde ernstige psychotische klachten, waarbij hij aangaf stemmen te horen. De verpleegkundig specialist acht het om die reden noodzakelijk om de behandeling voort te zetten en betrokkene in te stellen op medicatie wanneer hij terugkeert naar Nederland. 2.2 Namens betrokkene bepleit de advocaat afwijzing van het verzoek. Daartoe voert de advocaat aan dat ingevolge artikel 6:1 lid 1 Wvggz betrokkene op het voorliggend verzoek dient te worden gehoord, tenzij de rechter vaststelt dat hij niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Betrokkene is weliswaar niet ter zitting verschenen, maar niet kan worden vastgesteld dat hij de zitting bewust heeft willen ontlopen of niet bereid is zich te doen horen. Daarbij is onbekend wanneer betrokkene naar Nederland zal terugkeren.
Nu het verzoek op 28 mei 2026 door de officier is ingediend en de wettelijke beslistermijn inmiddels is verstreken, bestaat volgens de advocaat evenmin aanleiding de behandeling aan te houden. Ook voert de advocaat aan dat de medische verklaring dateert van 18 mei 2026 en bij aanhouding van de mondelinge behandeling die niet langer als actueel kan worden aangemerkt. Gelet op het voorgaande moet het verzoek worden afgewezen, aldus de advocaat. 2.3 De rechtbank stelt vast dat betrokkene momenteel in het buitenland verblijft en dat niet zeker is of hij van de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling op de hoogte is. Bovendien is onduidelijk wanneer betrokkene weer terug in Nederland zal zijn. Op basis van het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen of betrokkene al dan niet in staat dan wel niet bereid is op het voorliggende verzoek te worden gehoord. Ook is onduidelijk binnen welke termijn een mondelinge behandeling in aanwezigheid van betrokkene alsnog zou kunnen plaatsvinden. Een zorgmachtiging zou daarom naar verwachting van de rechtbank niet langer uitvoerbaar en dus daarmee niet doelmatig zijn. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de huidige medische verklaring bij een verdere aanhouding niet langer actueel is, waardoor deze niet langer aan een beslissing tot het verlenen van een zorgmachtiging ten grondslag kan liggen. 2.4 Het voorgaande betekent dat het verzoek zal worden afgewezen. Indien betrokkene weer in Nederland is en er op dat moment een noodzaak is voor verplichte zorg, kan er een nieuw verzoek worden ingediend. 3Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze beschikking is op 29 juni 2026 mondeling gegeven door mr. E.M. Moerman, rechter, in tegenwoordigheid van J. Dam, griffier, en op 10 juli 2026 schriftelijk uitgewerkt en getekend. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.