ECLI:NL:RBROT:2026:9436text/xmlpublic2026-08-05T15:34:372026-08-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:8794Rechtbank Rotterdam2026-06-30C/10/705850 / JE RK 25-1791UitspraakBeschikkingNLRotterdamCiviel rechtCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:9436text/htmlpublic2026-08-05T15:06:432026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:9436 Rechtbank Rotterdam , 30-06-2026 / C/10/705850 / JE RK 25-1791 Verlenging machtiging uithuisplaatsing.
RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/705850 / JE RK 25-1791
Datum uitspraak: 30 juni 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI, over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
advocaat: mr. W.J. Oomkes, kantoorhoudende in Vlaardingen,
[naam tante] ,
hierna te noemen: tante [naam tante] , wonende in [woonplaats] . 1Het (verdere) verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van 26 maart 2026 en de daaraan ten
grondslag liggende stukken;
- de briefrapportage van de GI van 22 juni 2026, door de rechtbank ontvangen op 24 juni 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat; tante [naam tante] ; een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] . 2De feiten2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . 2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft bij tante [naam tante] . 2.3. Bij beschikking van 14 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 25 oktober 2026. 2.4. Bij beschikking van 10 april is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 25 juli 2026 en is de beslissing op het overig verzochte aangehouden. 3Het (aangehouden) verzoek3.1. De GI heeft (oorspronkelijk) verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kinderrechter heeft dit verzoek begrepen als een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de tante van moederszijde. 3.2. Op een deel van dit verzoek is al beslist. De kinderrechter moet nu nog beslissen over het resterende deel van het verzoek, te weten een machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van 25 juli 2026 tot 25 oktober 2026. 3.3. De GI handhaaft op de zitting het resterende deel van het verzoek. De moeder heeft stappen gezet. Toch kan [voornaam minderjarige] nu nog niet bij de moeder worden teruggeplaatst. De moeder heeft op Koningsdag een terugval gehad. Daarom is eerst meer stabiliteit nodig. De moeder moet verder werken aan haar herstel en haar behandeling bij Fivoor blijven volgen. [voornaam minderjarige] ziet de moeder nu een dag per week. De bedoeling is om de omgang stap voor stap uit te breiden. Uiteindelijk kan worden toegewerkt naar logeren in twee weekenden per maand. Daarbij moet steeds worden gekeken of dit veilig en verantwoord is voor [voornaam minderjarige] . 4De standpunten4.1. Door en namens de moeder wordt op de zitting naar voren gebracht dat zij het niet eens is met verlenging van de machtiging voor de resterende periode. Door wisselingen bij de GI is er te weinig voortgang geweest. De omgang heeft een tijd stilgelegen en is pas weer deels opgestart. De moeder erkent dat zij op Koningsdag alcohol heeft gebruikt. Zij heeft dit zelf gemeld. Deze gebeurtenis heeft geen negatieve invloed gehad op haar gedrag. De moeder wil dat [voornaam minderjarige] binnen afzienbare termijn weer bij haar komt wonen. Zij is bereid mee te werken aan urinecontroles, veiligheidsafspraken en overige voorwaarden. De moeder vindt het belangrijk dat tante [naam tante] betrokken blijft in het leven van [voornaam minderjarige] . Dat geldt ook als [voornaam minderjarige] weer bij de moeder komt wonen. De moeder verzoekt de machtiging hooguit te verlengen tot 30 augustus 2026. Daarna begint het nieuwe schooljaar. [voornaam minderjarige] hoeft dan tussentijds niet van school te wisselen. Voor het overige verzoekt zij het verzoek af te wijzen. 4.2. Tante [naam tante] verklaart op de zitting dat zij [voornaam minderjarige] wil blijven helpen. Zij wil goed voor hem blijven zorgen en betrokken blijven. 5De beoordeling5.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. De afgelopen periode zijn positieve stappen gezet. Er is weer een vaste jeugdbeschermer betrokken. Ook is de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de moeder hervat. [voornaam minderjarige] ziet de moeder nu iedere woensdag. Dat verloopt goed. Verder is het belangrijk dat de moeder zich inzet voor haar persoonlijke traject. Ondanks deze goede ontwikkelingen vindt de kinderrechter een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] nu of op korte termijn nog te vroeg. De moeder heeft op Koningsdag helaas een terugval gehad. Het valt te waarderen dat zij dat open gedeeld heeft met de GI. Hierdoor is het vertrouwen van de GI in haar gegroeid dat zij belangrijke informatie, ook als het negatief is, deelt met de GI. Door de terugval zijn de zorgen over haar verslavingsproblematiek blijven bestaan. Een terugplaatsing moet veilig en verantwoord zijn voor [voornaam minderjarige] . De kinderrechter volgt de moeder daarom niet in haar verzoek om de machtiging niet langer dan tot 30 augustus 2026 te verlengen. [voornaam minderjarige] woont al langere tijd bij tante [naam tante] . Hij ontwikkelt zich daar goed. Hij heeft daar rust, structuur, stabiliteit en veiligheid. De kinderrechter vindt het in het belang van [voornaam minderjarige] dat hij daar voorlopig blijft wonen. De moeder moet de komende periode laten zien dat zij geen alcohol gebruikt en dit kan volhouden. Ook moet zij haar behandeling bij Fivoor blijven volgen. Verder moet zij er open over blijven, mocht zij opnieuw een terugval hebben. 5.3. Wel is het belangrijk dat de omgang tussen de moeder en [voornaam minderjarige] verder wordt uitgebreid. Daarin moet een volgende stap worden gezet. Als er geen nieuwe zorgen zijn, moet binnen een maand in ieder geval een dag in het weekend aan de omgang worden toegevoegd. Daarna kan worden bekeken welke uitbreiding verder mogelijk is. Ook is het belangrijk dat tante [naam tante] betrokken blijft. [voornaam minderjarige] heeft een nauwe band met haar. Als in de toekomst verder wordt toegewerkt naar thuisplaatsing, moet de GI bekijken hoe de moeder en tante [naam tante] samen een vangnet voor [voornaam minderjarige] kunnen vormen. 5.3. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek toewijzen. Daarbij gaat de kinderrechter ervan uit dat de GI, behoudens onvoorziene omstandigheden, de omgang tussen de moeder en [voornaam minderjarige] snel en zorgvuldig uitbreidt. 5.4. Mocht de GI te zijner tijd verlenging van de uithuisplaatsing verzoeken, dan attendeert de kinderrechter de GI erop dat een nieuw verzoek vergezeld moet gaan van een toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming. 5.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 25 oktober 2026; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 16 juli 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. Artikel 1:265j, derde lid, Burgerlijk Wetboek.