Afwijziging ZM na ZM wegens ontbreken psychische stoornis, betrokkene is voorafgaand aan eerste ZM niet beoordeeld.
Rechtbank Rotterdam 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9453
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
C/10/721964 / FA RK 26-5038
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBROT:2026:9453text/xmlpublic2026-08-06T16:31:332026-08-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Rotterdam2026-07-03C/10/721964 / FA RK 26-5038UitspraakBeschikkingNLRotterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:9453text/htmlpublic2026-08-06T16:29:382026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:9453 Rechtbank Rotterdam , 03-07-2026 / C/10/721964 / FA RK 26-5038 Afwijziging ZM na ZM wegens ontbreken psychische stoornis, betrokkene is voorafgaand aan eerste ZM niet beoordeeld.
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie Zaak-/rekestnummer: C/10/721964 / FA RK 26-5038
Referentienummer: [nummer] Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 3 juli 2026 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van: de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier, met betrekking tot:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] 2003, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
op dit moment verblijvende in het [locatie] te [plaats] ,
advocaat mr. L.C. Baars te Schiedam. 1Procesverloop1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 23 juni 2026. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd: de medische verklaring opgesteld door [persoon A] , psychiater, van 17 juni 2026; de deels-ingevulde, maar niet ondertekende zorgkaart; het zorgplan van 8 juni 2026; de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan; de gegevens waaruit blijkt dat op 13 mei 2026 een eerste zorgmachtiging op grond van de Wvggz is afgegeven; de relevante politiegegevens van betrokkene; het bericht dat er geen relevante strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn. 1.2 De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen: betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
[persoon B] , psychiater, verbonden aan het Erasmus Medisch Centrum. 1.3 De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte. 1.4 Het verzoek is tegelijk behandeld met het verzoek van de officier tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging, bekend onder zaak- en rekestnummer: C/10/721964 / FA RK 26-5038, op welk verzoek afzonderlijk is beslist. 2Beoordeling2.1 Bij beschikking van deze rechtbank van 13 mei 2026 is op grond van artikel 6:4 Wvggz een zorgmachtiging verleend tot en met 24 juni 2026. De officier heeft op 23 juni 2026 een verzoek ingediend voor een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden. 2.2 Uit de overgelegde stukken blijkt dat betrokkene sinds november 2025 in beeld is gekomen bij zorgverleners vanwege suïcidaliteit en het vermoeden van een psychotische stoornis, gepaard gaand met onbegrepen gedrag. In maart 2026 heeft tweemaal een crisisbeoordeling plaatsgevonden. De eerste beoordeling vond plaats na een conflict met buren en de tweede beoordeling nadat betrokkene met een ijzeren staaf op straat werd aangetroffen. Betrokkene verklaart daarover dat het een halter was. Naar aanleiding van deze beoordelingen is de procedure voor het aanvragen van een zorgmachtiging gestart. Betrokkene woonde destijds in een woning van het Centrum Voor Dienstverlening, maar was door zijn gedrag daar moeilijk te begeleiden. Betrokkene verklaart hierover dat hij een woning huurt via de woningbouwvereniging Havensteder en dat de huur door zijn bewindvoerder wordt betaald. Verder had betrokkene geen werk en leek hij zijn leven niet op orde te krijgen, terwijl hij hulp en begeleiding daarbij weigerde. Betrokkene verklaart dat hij op het moment van de opname net was aangenomen als hulp in een spoelkeuken en dat als hij niet langer opgenomen is, hij direct op een andere advertentie voor een hulp in de spoelkeuken zal gaan reageren door langs te gaan bij het betreffende restaurant. Betrokkene is door zijn beide ouders verlaten en heeft veel hulpverlening gehad, hij heeft weinig vertrouwen in hulpverlening. Op 13 mei 2026 is een eerste zorgmachtiging voor betrokkene afgegeven voor een periode van zes weken. Deze machtiging is beperkt in duur en beperkt tot de opname, omdat betrokkene niet persoonlijk was onderzocht door de onafhankelijke psychiater en nog niet volledig duidelijk was welke hulp hij precies nodig had. Na afgifte van de machtiging is betrokkene op 20 mei 2026 opgenomen in het Erasmus Medisch Centrum. 2.3 Tijdens de mondelinge behandeling verklaart de behandelaar dat betrokkene zich tijdens de opname afwerend heeft opgesteld, waardoor het lastig is om inzicht in zijn belevingswereld te krijgen. Ook was sprake van afdelingsontwrichtend gedrag. De behandelaar licht toe dat betrokkene niet bereid is om enige samenwerking aan te gaan. Volgens de behandelaar is sprake van een sterk vermoeden van een psychotisch toestandsbeeld, omdat betrokkene hallucinatoir gedrag laat zien en achterdochtig is. Zo is sprake geweest van desorganisatie, in zichzelf lachen en de angst dat het verplegend personeel medicatie in zijn drinken zou hebben gedaan. De behandelaar acht het noodzakelijk dat betrokkene langer opgenomen blijft en wordt ingesteld op antipsychoticamedicatie. Geconfronteerd met de opmerking van de rechtbank dat een sterk vermoeden voor een zorgmachtiging onvoldoende is, verklaart de behandelaar dat zij op basis van de gegevens van de laatste weken de vermoedens kan bevestigen. 2.4 Namens betrokkene is afwijzing van het verzoek bepleit. De advocaat stelt dat geen sprake is van een psychische stoornis. In de medische verklaring die is opgesteld door de onafhankelijke psychiater staat namelijk dat tijdens de beoordeling geen sprake is van een floride psychotisch toestandsbeeld, maar dat een onderliggende psychose nog steeds niet uitgesloten kan worden. De advocaat benadrukt dat het voor het afgeven van een zorgmachtiging vereist is dat sprake is van een psychische stoornis en niet enkel een vermoeden. De advocaat bepleit dan ook dat in dit geval niet wordt voldaan aan dit wettelijk criterium. Betrokkene vertelt dat hij het niet eens is met het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging. Volgens betrokkene is geen sprake van een psychotisch toestandsbeeld. Hij geeft aan dat hij geen medicatie wil innemen en daarom eenmalig zorgen heeft geuit over zijn drinken. Bovendien vertelt betrokkene dat hij zijn hele leven hulpverlening heeft gehad, maar dat dit hem in het verleden niet veel goeds heeft gebracht. Hierdoor is hij afwerend in het contact en staat hij ook niet open voor verdere behandeling. Wat volgens betrokkene wel positief is geweest aan de opname, is dat hij is gestopt met het gebruik van cannabis. De rechtbank heeft betrokkene hiervoor een compliment gemaakt en na de uitspraak de hoop uitgesproken dat betrokkene niet weer begint. 2.5 De rechtbank zal het verzoek voor het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging afwijzen. De rechtbank is van oordeel dat de er onvoldoende vaststaat dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. In de medische verklaring van 17 juni 2026 wordt vermeld dat er ten tijde van de beoordeling geen sprake is van een floride (acuut) psychotisch toestandsbeeld, maar dat een onderliggende psychose nog steeds niet uitgesloten kan worden. Ook tijdens de mondelinge behandeling geeft de psychiater, in ieder geval aanvankelijk, aan dat er sterke vermoedens bestaan van een psychotisch toestandsbeeld. Korte tijd later bevestigt de behandelaar dat er daadwerkelijk sprake is van een psychose, maar licht dit niet verder toe. Voor het verlenen van een zorgmachtiging moet de psychische stoornis echter vaststaan en mogen hier geen twijfels meer over bestaan. Betrokkene is eerder door de crisisdienst beoordeeld, wat niet heeft geleid tot een crisismaatregel. De rechtbank heeft bij de beoordeling ook betrokken wat er fout zou kunnen gaan als betrokkene naar huis gaat. In theorie kan er veel misgaan. Als betrokkene zo goed kan acteren dat er sinds 13 mei 2026 niets naar boven komt, dan zou het kunnen zijn dat betrokkene opnieuw in beeld komt. De rechtbank geeft mee dat het fijn zou zijn als betrokkene en zijn advocaat wat contact kunnen houden. De advocaat is hiertoe bereid. 3Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze beschikking is op 3 juli 2026 mondeling gegeven door mr. S.L. Raphael, rechter, in tegenwoordigheid van R.A.M. Smit, griffier, en op 17 juli 2026 schriftelijk uitgewerkt en getekend. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.