Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:9467

Afwijzing verzoek om uitbreiding ondersteuning Wmo. Herhaald verzoek om voorlopige voorziening. Geen nova. Verzoek afgewezen.

Rechtbank Rotterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:9467 text/xml public 2026-08-03T14:03:12 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-07-31 ROT 26/5170 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:9467 text/html public 2026-08-03T14:02:41 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:9467 Rechtbank Rotterdam , 31-07-2026 / ROT 26/5170
Afwijzing verzoek om uitbreiding ondersteuning Wmo. Herhaald verzoek om voorlopige voorziening. Geen nova. Verzoek afgewezen.
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/5170

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Rotterdam, verzoekster,
gemachtigde: mr. A. el Idrissi,

en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. A. Hielkema.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2026 heeft het college het verzoek van verzoekster om herindicatie van het aan haar op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) verstrekte ondersteuningsarrangement toegewezen en om uitbreiding daarvan, afgewezen.

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt voor wat betreft de afwijzing van de uitbreiding.

Bij uitspraak van 7 mei 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:5258) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster, strekkende tot verkrijging van de verzochte uitbreiding van haar ondersteuningsarrangement totdat op het bezwaar is beslist, afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot verkrijging van de verzochte uitbreiding van haar ondersteuningsarrangement totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026. Namens verzoekster is haar gemachtigde verschenen. Het college is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Herhaald verzoek om voorlopige voorziening

1. Uit artikel 8:85 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel is bedoeld om te gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure. Omdat verzoekster in deze zaak eerder een verzoek om voorlopige voorziening strekkende tot verkrijging van de verzochte uitbreiding van haar ondersteuningsarrangement heeft ingediend dat de voorzieningenrechter heeft afgewezen, moet het thans voorliggende verzoek worden aangemerkt als een herhaald verzoek om voorlopige voorziening. Een herhaald verzoek om voorlopige voorziening kan volgens vaste rechtspraak alleen dan voor toewijzing in aanmerking komen, als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141).

2. In de uitspraak van 7 mei 2026, waarbij het eerdere verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster is afgewezen, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat

verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat de reeds toegekende ondersteuning niet toereikend is en dat de door haar verzochte uitbreiding noodzakelijk is. Omdat verzoekster niet met stukken heeft onderbouwd of anderszins inzichtelijk heeft gemaakt waarom de verdubbeling van het pgb noodzakelijk is, heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen vasthouden aan voortzetting van de reeds van toepassing zijnde indicatie voor huishoudelijke hulp. Ten aanzien van de gevraagde indicatie voor individuele begeleiding heeft het college zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat verzoekster hiervoor een beroep kan doen op haar naasten of sociale netwerk. Mantelzorg of ondersteuning vanuit het netwerk is voorliggend op ondersteuning vanuit de Wmo 2015. Voor wat betreft de boodschappen en maaltijden heeft het college verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen wijzen op de mogelijkheid van boodschappen- en maaltijdservicediensten. Ook dit zijn voorliggende voorzieningen. Verzoekster heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van zo’n service niet mogelijk is door verzoeksters darmklachten. Dat verzoekster graag zelf haar boodschappen wil doen acht de voorzieningenrechter – evenals haar wens om vaker buiten te komen – niet onbegrijpelijk, maar leidt in het kader van een voorlopige voorziening niet op voorhand tot een aanspraak onder de Wmo 2015. Verder heeft verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet aannemelijk gemaakt op grond waarvan zij – ook als voorlopige voorziening – per dag 1 uur begeleiding nodig heeft. Daarbij heeft de voorzieningenrechter gewezen op de door het college geschetste mogelijkheden voor verzoekster dat zij voor begeleiding bij het bewegen terecht kan bij het huis van de wijk of de fysiotherapeut die al aan huis komt. Bovendien kan verzoekster gebruik maken van een taxiservice met extra begeleiding die haar naar de gewenste bestemming brengt, aldus de voorzieningenrechter.

3. Volgens verzoekster is er sprake van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden, aangezien haar situatie na de uitspraak van 7 mei 2026 verder achteruit is gegaan. Dit blijkt volgens verzoekster uit het feit dat op zaterdag 9 mei 2026, terwijl zij buitenshuis was, haar duizeligheidsklachten dermate ernstig werden dat de ambulance moest komen. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoekster een afschrift van het verslag van de ambulance van 9 mei 2026 overgelegd. Ook is verzoekster op 3 juni 2026 bij de eerste hulp geweest, waar is geconstateerd dat zij bloedarmoede heeft. Inmiddels heeft de huisarts vastgesteld dat zij geen bloedarmoede meer heeft, maar de duizeligheidsklachten zijn nog steeds onverminderd aanwezig, aldus verzoekster. Verder is verzoekster van mening dat in de uitspraak van 7 mei 2026 sprake is van ernstige onvolkomenheden.

4. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden die de toewijzing van haar herhaald verzoek om voorlopige voorziening kan rechtvaardigen. Uit het verslag van de ambulance blijkt dat verzoekster in verband met duizeligheidsklachten zelf 112 heeft gebeld en dat zij, na een onderzoek waarbij geen bijzonderheden zijn vastgesteld, thuis is afgezet met het advies om bij verandering in het klachtenpatroon dat weekend contact op te nemen met de huisartsenpost en anders maandag de eigen huisarts te bellen. Hieruit kan niet worden opgemaakt dat de situatie van verzoekster na de uitspraak van 7 mei 2026 verder achteruit is gegaan. Dit geldt ook voor wat verzoekster over de bloedarmoede naar voren heeft gebracht.

5. Uit wat verzoekster naar voren heeft gebracht over de uitspraak van 7 mei 2026 blijkt alleen dat verzoekster het niet eens is met de voorzieningenrechter, maar blijkt niet dat sprake is van ernstige onvolkomenheden in deze uitspraak.

Conclusie

6. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening en dient het verzoek daartoe te worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 31 juli 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen