Afwijzing verzoek om ontheffing arbeidsverplichtingen en tegenprestatie. Herhaald verzoek om voorlopige voorziening. Geen nova. Verzoek afgewezen.
Rechtbank Rotterdam 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9468
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
ROT 26/5493
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBROT:2026:9468text/xmlpublic2026-08-03T14:08:422026-08-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Rotterdam2026-07-31ROT 26/5493UitspraakVoorlopige voorzieningNLRotterdamBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:9468text/htmlpublic2026-08-03T14:07:502026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:9468 Rechtbank Rotterdam , 31-07-2026 / ROT 26/5493 Afwijzing verzoek om ontheffing arbeidsverplichtingen en tegenprestatie. Herhaald verzoek om voorlopige voorziening. Geen nova. Verzoek afgewezen.
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Rotterdam, verzoekster, gemachtigde: mr. M. el Idrissi, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: mr. D. Gogar. Procesverloop Bij besluit van 11 december 2025 heeft het college het verzoek van verzoekster om haar ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen en tegenprestatie, afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij (mondelinge) uitspraak van 19 februari 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:2993) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster, strekkende tot verkrijging van de verzochte ontheffing totdat op het bezwaar is beslist, afgewezen. Bij besluit van 27 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot verkrijging van de verzochte ontheffing totdat op het beroep is beslist. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en met tolk Z. Hamidi. Het college is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Overwegingen Herhaald verzoek om voorlopige voorziening
1. Uit artikel 8:85 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel is bedoeld om te gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure. Omdat verzoekster in deze zaak eerder een verzoek om voorlopige voorziening strekkende tot verkrijging van de verzochte ontheffing heeft ingediend dat de voorzieningenrechter heeft afgewezen, moet het thans voorliggende verzoek worden aangemerkt als een herhaald verzoek om voorlopige voorziening. Een herhaald verzoek om voorlopige voorziening kan volgens vaste rechtspraak alleen dan voor toewijzing in aanmerking komen, als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141). 2. In de uitspraak van 19 februari 2026, waarbij het eerdere verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster is afgewezen, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat verzoekster niet kan worden gevolgd in haar stelling dat het college in de mantelzorg voor haar partner dringende redenen had moeten zien om haar ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen en tegenprestatie. De bewijslast van dringende redenen die aanleiding kunnen vormen voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen en tegenprestatie rust op verzoekster als aanvrager van de ontheffing. Bij het medisch onderzoek dat naar aanleiding van het verzoek van verzoekster heeft plaatsgevonden, ging het slechts om de vraag of verzoekster vanwege haar eigen medische problemen niet in staat is om te werken. Het is aan het college en niet aan de medisch adviseur om te beoordelen of verzoekster vanwege de mantelzorg voor haar partner niet in staat is om te werken. Dat neemt niet weg dat verzoekster, gezien de op haar rustende bewijslast, eerst zelf met (een begin van) bewijs zal moeten komen waaruit blijkt dat zij vanwege de mantelzorg beperkingen bij de arbeidsinschakeling ondervindt, voordat het aan het college is om hier nader onderzoek naar te doen. Verder heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het vaste rechtspraak is dat het verrichten van mantelzorg geen dringende reden vormt op grond waarvan het college iemand (tijdelijke) ontheffing van de arbeidsverplichtingen en tegenprestatie dient te verlenen en dat verzoekster niet heeft onderbouwd dat de zorg voor haar partner zo intensief is dat zij hierdoor niet in staat is om de arbeidsverplichtingen en tegenprestatie te kunnen verrichten, noch heeft onderbouwd dat er geen mogelijkheden zijn om de zorgtaken die zij ten behoeve van haar partner verleent uit te besteden met de inzet van een pgb of zorg in natura. Hierbij heeft de voorzieningenrechter ook in aanmerking genomen dat verzoekster heeft verklaard dat haar dochter haar in de weekenden een paar uurtjes helpt met de zorg voor haar partner. 3. Volgens verzoekster is er sprake van een belangrijke wijziging van de
relevante feiten en omstandigheden, nu haar dochter geen geldige Wmo-indicatie meer heeft en zij derhalve geen hulp meer van haar krijgt. Bovendien heeft het college volgens verzoekster, ondanks dat zij nieuwe medische stukken in het geding heeft gebracht, ten onrechte nagelaten deze medische stukken door een arts te laten beoordelen. Van belang hierbij is dat zij het college uitdrukkelijk heeft verzocht om een medisch onderzoek te laten plaatsvinden, aldus verzoekster. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster hierbij doelt op de door haar in bezwaar (na de uitspraak van 19 februari 2026) overgelegde medische stukken met betrekking tot haar partner en haar verzoek om een medisch onderzoek naar haar partner te laten plaatsvinden. 4. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden die de toewijzing van haar herhaald verzoek om voorlopige voorziening kan rechtvaardigen. Nog daargelaten dat de voorzieningenrechter niet zonder meer aannemelijk acht dat de dochter van verzoekster wegens het ontbreken van een geldige Wmo-indicatie op dit moment (op de zitting heeft verzoekster verklaard dat daarvoor een nieuwe aanvraag loopt) is gestopt met de hulp die zij haar moeder en vader in de weekenden bood, valt uit de uitspraak van 19 februari 2026 niet op te maken dat de door de dochter geboden hulp in de weekenden van doorslaggevende betekenis is geweest voor de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. Dit ligt ook allerminst voor de hand, nu in de uitspraak van 19 februari 2026 ook is overwogen dat het vaste rechtspraak is dat het verrichten van mantelzorg geen dringende reden vormt op grond waarvan het college iemand (tijdelijke) ontheffing van de arbeidsverplichtingen en tegenprestatie dient te verlenen en dat verzoekster niet heeft onderbouwd dat de zorg voor haar partner zo intensief is dat zij hierdoor niet in staat is om de arbeidsverplichtingen en tegenprestatie te kunnen verrichten, noch heeft onderbouwd dat er geen mogelijkheden zijn om de zorgtaken die zij ten behoeve van haar partner verleent uit te besteden met de inzet van een pgb of zorg in natura (vergelijk in dit verband bijvoorbeeld ook de uitspraak de CRvB van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3860). In dit opzicht bieden de door verzoekster in bezwaar overgelegde medische stukken met betrekking tot haar partner en haar verzoek om een medisch onderzoek naar haar partner te laten plaatsvinden (noch de bij het verzoekschrift door haar overgelegde brief van de maag-, darm- en leverarts van 9 juni 2026) evenmin grond voor het oordeel dat sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. Zoals ook in het bestreden besluit is opgemerkt, wordt door het college al onderkend dat de partner van verzoekster langdurig ernstig ziek is. Waar het om gaat is dat het aan verzoekster is om aannemelijk te maken dat haar zorg voor haar partner in dit verband zo intensief is dat zij hierdoor niet in staat is om de arbeidsverplichtingen en tegenprestatie te kunnen verrichten en dat er geen mogelijkheden zijn om deze zorg uit te besteden met de inzet van een pgb of zorg in natura. Daarvan heeft verzoekster tot op heden geen (begin van) bewijs overgelegd. Dat verzoekster, zoals zij op de zitting heeft toegelicht, bezig is met een aanvraag voor een Wlz-indicatie voor haar partner en dat het indienen van een dergelijke vraag veel tijd in beslag neemt, maakt dit niet anders. 5. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter. Conclusie
6. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening en dient het verzoek daartoe te worden afgewezen. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 31 juli 2026. De griffier is niet in staat
de uitspraak te ondertekenen griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet.