Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:9484

Wettig en overtuigend bewezen poging zware mishandeling. De 18-jarige verdachte heeft het slachtoffer van zijn fatbike afgetrokken en hem geslagen en geschopt toen het slachtoffer op de grond lag. Daarbij heeft hij ook het hoofd van het slachtoffer geraakt. Het slachtoffer is door de geweldshandelingen buiten bewustzijn geraakt.

Rechtbank Rotterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:9484 text/xml public 2026-08-03T10:44:42 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-07-23 10-220377-25 en 96-283876-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:9484 text/html public 2026-08-03T10:43:16 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:9484 Rechtbank Rotterdam , 23-07-2026 / 10-220377-25 en 96-283876-23
Wettig en overtuigend bewezen poging zware mishandeling. De 18-jarige verdachte heeft het slachtoffer van zijn fatbike afgetrokken en hem geslagen en geschopt toen het slachtoffer op de grond lag. Daarbij heeft hij ook het hoofd van het slachtoffer geraakt. Het slachtoffer is door de geweldshandelingen buiten bewustzijn geraakt.
Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd

Parketnummer: 10-220377-25

Parketnummer vordering TUL VV: 96-283876-23

Datum uitspraak: 23 juli 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2007,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] , [postcode] [woonplaats] ,

raadsvrouw mr. A.E.S. Heijnen, advocaat te Rotterdam.
<nr>1</nr>Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 9 juli 2026.
<nr>2</nr>Tenlastelegging
Aan de verdachte is een poging doodslag dan wel een poging zware mishandeling ten laste gelegd zoals is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
<nr>3</nr>Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. L.H. de Jong heeft gevorderd:

bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

toepassing van het jeugdstrafrecht;

veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 35 dagen met aftrekvan voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van een jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: te noemen JBRR);

met opdracht aan de gecertificeerde instelling JBRR tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht;

veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie;

toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.
<nr>4</nr>Waardering van het bewijs 4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd aangever te doden. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, getuigenverklaringen, de camerabeelden en het letsel dat bij de aangever is geconstateerd.
4.1.2.
Standpunt verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van het ten laste gelegde, omdat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de aangever of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op basis van het dossier kan namelijk niet worden vastgesteld of en waar de verdachte de aangever heeft geschopt.
4.1.3.
Beoordeling

Vastgestelde feiten

Op 14 juli 2025 zat de aangever achterop een fatbike voor een gesloten overweg te wachten. Verdachte heeft de aangever daarvan af getrokken, waardoor deze op de grond belandde. Toen de aangever op de grond lag heeft de verdachte hem geslagen en geschopt, waarbij hij ook het gezicht van de aangever heeft geraakt. De aangever had letsel in zijn gezicht en een bult op zijn hoofd. Ook is hij korte tijd buiten bewustzijn geweest.

Poging tot doodslag

Uit het dossier en de behandeling op zitting blijkt niet dat verdachte vol opzet had om aangever te doden. Er kan echter ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake als er een aanmerkelijke kans was dat het slachtoffer zou overlijden en de verdachte zich realiseerde dat die kans er was en die kans heeft aanvaard, terwijl hij doorging met slaan en schoppen.

De vaststelling dat de verdachte de aangever tegen het hoofd heeft geschopt, nadat hij was gevallen is onvoldoende om te concluderen dat hierdoor een aanmerkelijke kans op de dood van de aangever is ontstaan. Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen hoe hard de verdachte aangever tegen het hoofd heeft geschopt en hoe vaak dat is gebeurd. Het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van aangever kan om die reden niet bewezen worden. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de tenlastegelegde poging tot doodslag.

Poging tot zware mishandeling

Anders dan de raadsvrouw van de verdachte acht de rechtbank wel bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van vol opzet is ook hierbij niet gebleken. Door aangever tegen het hoofd en tegen het lichaam te trappen bestond wel een aanmerkelijke kans dat er zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Het hoofd is een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam en geweldshandelingen tegen het hoofd kunnen ernstig letsel tot gevolg hebben. Door te handelen zoals hierboven beschreven heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. De rechtbank vindt de poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 14 juli 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermaals op/tegen het gezicht en het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
<nr>5</nr>Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.
<nr>6</nr>Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.
<nr>7</nr>Motivering straffen 7.1.
Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd

De 18-jarige verdachte heeft het slachtoffer van zijn fatbike afgetrokken en hem geslagen en geschopt toen het slachtoffer op de grond lag. Daarbij heeft hij ook het hoofd van het slachtoffer geraakt. Het slachtoffer is door de geweldshandelingen buiten bewustzijn geraakt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en hiervan psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dat blijkt ook uit de slachtofferverklaring die namens het slachtoffer is voorgelezen ter zitting. Bovendien nemen als gevolg van dit soort delicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

Het baart de rechtbank zorgen dat er tussen de verdachte en het slachtoffer sprake lijkt te zijn van een langer lopend conflict wat eerder heeft geleid tot fysieke escalaties en letsel en wat nog niet is opgelost.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting.

Het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 juni 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Er zijn veel beschermende factoren, maar het risico op recidive wordt ingeschat als hoog vanwege onverwerkte trauma’s bij de verdachte. Als gevolg van een eerder incident met het slachtoffer ervaart de verdachte vermoedelijk traumaklachten en de reclassering vermoedt dat onderhavige verdenking ook hieruit voortvloeit. De verdachte staat voor de behandeling van deze klachten op de wachtlijst bij De Waag.

De reclassering adviseert toepassing van het jeugdstrafrecht en het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf met begeleiding door jeugdreclassering, ambulante behandeling en het volgen van onderwijs als bijzondere voorwaarden met een proeftijd van een jaar.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: te noemen JBRR) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 juni 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Geadviseerd wordt om de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- tot aan het behalen van zijn startkwalificatie onderwijs volgt;

- GGZ-behandeling volgt bij De Waag of een vergelijkbare instelling;

- zich aan de afspraken en aanwijzingen van de jeugdreclassering houdt gedurende een jaar.

Daarbij dient aan JBRR opdracht te worden gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Deskundige [persoon A] , werkzaam als jeugdbeschermer, heeft op de zitting naar gebracht dat de verdachte staat open voor een gesprek en graag behandeld wil worden bij De Waag. Zij adviseert, anders dan in haar rapport vermeld, een deels voorwaardelijke en deels onvoorwaardelijke werkstraf.
7.4.
Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdachte heeft het bewezenverklaarde feit gepleegd na zijn 18e verjaardag. Gelet op het advies van de reclassering zal de rechtbank ten aanzien van de verdachte het jeugdstrafrecht toepassen.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

De rechtbank zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en het recidive risico te beperken door het stellen van bijzondere voorwaarden.

Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 35 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar en de nader te noemen bijzondere voorwaarden passend. Anders dan geadviseerd door de reclassering zal de rechtbank het behalen van een startkwalificatie niet opleggen als bijzondere voorwaarde, omdat de verdachte meerderjarig is.

Daarnaast vindt de rechtbank het opleggen van een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van 60 uur passend en geboden.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten [slachtoffer] . Gelet op de ernst van het feit en het tussen het slachtoffer en de verdachte bestaande conflict is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte weer een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de voorwaarden en het toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
<nr>8</nr>Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.995,99 bestaande uit

€ 495,99 (kleding, opnieuw laten schieten gaatjes en Airpods) aan materiële schade en een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het slachtoffer heeft een week lang last gehad met eten vanwege verwondingen in en aan zijn mond. Hij heeft gesteld dat hij zich onveilig en bang voelt op straat en daarom door zijn vader gebracht wordt.
8.1.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering die ziet op materiële schade voor toewijzing vatbaar is, met uitzondering van de vergoeding voor de Airpods. De officier van justitie refereert zich ten aanzien van de hoogte van de immateriële schade aan het oordeel van de rechtbank. Dit alles vermeerderd met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging

De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard vanwege de bepleitte vrijspraak. Subsidiair dient de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard. Over de Airpods is niets opgemerkt in de aangifte en het opnieuw laten schieten van de gaatjes in de oren van het slachtoffer staat niet in direct causaal verband tot het ten laste gelegde. De immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd.
8.3.
Beoordeling

Materiële schade

Op basis van het dossier is onvoldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij de Airpods door het ten laste gelegde is verloren. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen. De gevorderde schade voor de kleding is onvoldoende onderbouwd, omdat uit het dossier niet blijkt dat de kleding beschadigd is en zo ja, wat de (rest)waarde van de kleding is. De kosten voor het opnieuw laten schieten van de gaatjes in de oren is onvoldoende onderbouwd omdat deze post is onderbouwd met een factuur voorzien van een datum van voor het ten laste gelegde. De benadeelde partij zal daarom voor deze schadeposten niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op het lichamelijk letsel dat hij heeft opgelopen en omdat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ onder meer sprake kan zijn als wordt gekeken naar de aard en ernst van de normschending en de aard en ernst van de nadelige gevolgen voor het slachtoffer. De benadeelde partij heeft onderbouwd dat hiervan sprake is en dit is door de verdediging niet betwist.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’ en vergelijkbare uitspraken. Aan de hand daarvan wordt de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld op € 1.000,00.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 14 juli 2025.

Proceskosten

Omdat de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

Over een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.
<nr>9</nr>Vordering tenuitvoerlegging 9.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 1 maart 2024 van de kantonrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van een Wegenverkeerswet veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 8 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 16 maart 2024.
9.2.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie handhaaft de vordering.
9.3.
Beoordeling

Het bewezenverklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van dit feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank vindt tenuitvoerlegging hiervan echter niet opportuun: de vordering ziet op een ander feit, een overtreding van de Wegenverkeerswet, en heeft betrekking op een feit uit 2023. De rechtbank zal daarom de vordering afwijzen.
<nr>10</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 45, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y,77z, 77aa en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
<nr>11</nr>Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
<nr>12</nr>Beslissing
De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 35 (vijfendertig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat deze jeugddetentie een gedeelte van de jeugddetentie groot 30 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op een jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich zal melden bij de jeugdreclassering, en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo vaak als de jeugdreclassering noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2009);

- zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling zal stellen bij de Waag of een vergelijkbare zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er plek is voor de verdachte. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugd/reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaard/n en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst af het deel van de vordering dat ziet op de Airpods van de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.000,- (hoofdsom, zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 1 maart 2024 van de kantonrechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. K.T.F. Chocolaad - de Bos en L.W.M. Hendriks, rechters,

in tegenwoordigheid van C.A. van den Houwen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juli 2026.

De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 14 juli 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermaals op/tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Artikel delen