Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:9508

Varia, last onder dwangsom vanwege overtreding artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012, beroep ongegrond.

Rechtbank Rotterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:9508 text/xml public 2026-08-03T14:24:42 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-06-26 ROT 25/5580 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:9508 text/html public 2026-08-03T14:21:00 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:9508 Rechtbank Rotterdam , 26-06-2026 / ROT 25/5580
Varia, last onder dwangsom vanwege overtreding artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012, beroep ongegrond.
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/5580
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.R. de Kok),

en
de burgemeester van de gemeente Rotterdam
(gemachtigden: mr. drs. M.A.C. Kooij en [naam 1] ).
Samenvatting 1.1.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de door de burgemeester aan eiser opgelegde last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 2:47 van de Algemene plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV). Eiser is het niet eens met het besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop 2.1.
Met het besluit van 24 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft de burgemeester aan eiser een last onder dwangsom opgelegd inhoudend dat eiser zich dient te onthouden van gedragingen als bedoeld in artikel 2:74 van de APV. Als eiser de last niet naleeft verbeurt hij per overtreding een dwangsom van € 2.500,- totdat een maximum van € 10.000,- is bereikt.
2.2.
Met het besluit van 10 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De burgemeester heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 2] als waarnemer van eisers gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester.
Totstandkoming van het bestreden besluit<?linebreak?> 3.1.
De burgemeester heeft aan zijn besluitvorming de bestuurlijke rapportage van de Politie eenheid Rotterdam van 25 september 2024 (de rapportage) ten grondslag gelegd. Hieruit volgt dat politieambtenaren op 10 juli 2024 getuige waren van een drugstransactie waar eiser deel van uitmaakte. De politieambtenaren zagen een voertuig dat op naam staat van eiser, die in de aandacht staat vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen. Zij zagen eiser vervolgens uit het voertuig stappen en in de richting lopen van een man wachtende op de kruising. De twee mannen gaven elkaar een handdruk, waarna er iets overhandigd werd. Na de transactie te hebben afgewikkeld liep eiser terug naar het voertuig en werd hier door de politieambtenaren aangehouden. Op het politiebureau hebben politieambtenaren 0,2 gram heroïne (achteraf vastgesteld) en 5,9 gram cocaïne (ook achteraf vastgesteld) aangetroffen. Dit betreft een handelshoeveelheid. Uit de rapportage volgt verder dat politieambtenaren op 3 augustus 2024 in de wijk Ommoord bezig waren met surveillance. Hen werd toen verzocht uit te kijken naar het voertuig van eiser, vanwege de vermeende betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen. Bij de politieambtenaren was bekend dat in de wijk Ommoord de laatste tijd veel overlast ervaren werd van de handel in verdovende middelen. De politieambtenaren zagen vervolgens het voertuig van eiser rijden, hebben het voertuig laten stoppen en begonnen een algemene controle. Zij zagen dat eiser het voertuig bestuurde. Na controle bleek dat ook de bijrijder diverse registraties en antecedenten op het gebied van de Opiumwet op diens naam had staan. In deze feiten en omstandigheden en de weinig overtuigende reden die eiser desgevraagd had gegeven voor zijn aanwezigheid in die buurt zagen de politieambtenaren reden om een onderzoek in te stellen in het voertuig van eiser. Hierbij zijn in het dashboard honderden gripzakjes en in een verborgen ruimte 43 ponypacks gevuld met cocaïne (achteraf vastgesteld) aangetroffen. Het totale gewicht van de cocaïne bedroeg 19,5 gram, een handelshoeveelheid. Op basis van de rapportage heeft de burgemeester geconcludeerd dat eiser zich meerdere malen op straat heeft begeven met het doel drugs te verhandelen op straat. Hij overtreedt hiermee artikel 2:74 van de APV. De handel in drugs ontwricht de samenleving en tast de openbare orde aan. Eisers gedrag vormt een bedreiging voor de openbare orde en heeft een negatieve invloed op een veilig woon- en leefklimaat in de stad.
3.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 8 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De bezwaarschriftencommissie heeft vervolgens een advies uitgebracht en de burgemeester geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. De commissie onderschrijft de beoordeling door de burgemeester dat eiser zich op 10 juli 2024 en op 3 augustus 2024 op straat heeft begeven met het doel drugs te verhandelen op straat. De commissie is van oordeel dat het belang van handhavend optreden in dit geval het opleggen van de last onder dwangsom rechtvaardigt. Het doel is drugshandel binnen de gemeente Rotterdam terug te dringen. De burgemeester heeft gemotiveerd aangegeven dat de handel in drugs de samenleving ontwricht en dat sprake is van verstoring van de openbare orde en van schending van het woon- en leefklimaat. De commissie is voorts van oordeel dat de hoogte van de dwangsom, het maximum daarvan en de termijn van twee jaar in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. De onderhavige last onder dwangsom kan eiser stimuleren artikel 2:74 van de APV niet meer te overtreden, zodat bovengenoemd belang niet meer door eiser wordt geschonden. De belangen van eiser wegen daar naar het oordeel van de commissie niet tegen op, gelet op het grote belang dat met het opleggen van de last is gediend.
3.3.
Met het bestreden besluit van 10 juni 2025 heeft de burgemeester, onder verwijzing naar het advies van de commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Wettelijk kader<?linebreak?>
4. De relevante wetsartikelen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Artikel 2:74 van de APV

5. Eiser voert aan dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser op 10 juli 2024 en op 3 augustus 2024 in strijd met artikel 2:74 van de APV heeft gehandeld. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft eiser strafrechtelijk vervolgd voor de verdenking dat hij op deze dagen in strijd met de Opiumwet heeft gehandeld. De politierechter heeft niet bewezen verklaard dat eiser op 3 augustus 2024 heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet en eiser is in die zaak vrijgesproken. De verdenking van 10 juli 2024 is door de politierechter bewezen verklaard. Voor dit feit is een gevangenisstraf van twee dagen, gelijk aan het voorarrest, en een taakstaf van 30 uren opgelegd. Zowel het OM als eiser zijn tegen het vonnis van de politierechter in hoger beroep gegaan. Gelet op de vrijspraak in de strafzaak van 3 augustus 2024 kan de burgemeester onvoldoende aannemelijk maken dat eiser op die dag het bepaalde in artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Ten aanzien van de verdenking dat eiser op 10 juli 2024 heeft gehandeld in verdovende middelen voert hij aan dat de informatie in de bestuurlijke rapportage onjuist en onvolledig is. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt, anders dan in de bestuurlijke rapportage is te lezen, dat de politie niet heeft waargenomen dat eiser aan de andere persoon drugs heeft overhandigd. De politie stelt alleen te hebben waargenomen dat aan eiser ‘een briefje’ is overhandigd. Uit het proces-verbaal is verder af te leiden dat de politie de andere man heeft gevolgd en kort na een handdruk met eiser heeft staande gehouden. Bij die man zijn geen verdovende middelen aangetroffen, waardoor de verdenking dat hij in strijd met het bepaalde in artikel 2:74 van de APV heeft gehandeld is komen te vervallen. Uit het proces-verbaal kan daarom worden afgeleid dat eiser geen drugs voorhanden heeft gehad met het kennelijke doel deze al dan niet tegen betaling, aan te bieden, te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
5.1.
Op grond van artikel 2:74 van de APV, is het, onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan de weg in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. De burgemeester heeft dit gedaan door aan de last de bestuurlijke rapportage ten grondslag te leggen. In beginsel mag de burgemeester uitgaan van informatie in een bestuurlijke rapportage, tenzij wat eiser aanvoert twijfel wekt aan de betrouwbaarheid van de vastlegging in de bestuurlijke rapportage. Ten aanzien van de gebeurtenis op 10 juli 2024 vermeldt de bestuurlijke rapportage dat de politieambtenaren getuige zijn van een drugstransactie en dit afleiden uit de handdruk die de twee mannen elkaar geven, waarna er iets overhandigd wordt. Het ‘kennelijke doel’ blijkt hier uit de concrete omstandigheden zoals de politieambtenaren op ambtseed beschrijven. Dat in de strafrechtelijke rapportage aanvullend op de bestuurlijke rapportage wordt beschreven dat de tweede persoon aan eiser ‘een briefje’ overhandigt, kan niet de conclusie dragen dat de informatie in de bestuurlijke rapportage onjuist en onvolledig is. De bestuurlijke rapportage biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende grondslag om aan te nemen dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. De rechtbank sluit zich daarbij aan bij het door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) gehanteerde uitgangspunt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Gelet op de observaties van de politieambtenaren op zowel 10 juli 2024 als 3 augustus 2024, de handelshoeveelheid drugs die op 10 juli 2024 bij eiser en op 3 augustus 2024 in de auto van eiser zijn aangetroffen, alsmede de bij de burgemeester bekende antecedenten, zoals volgt uit de bestuurlijke rapportage, heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser zich op 10 juli 2024 en op 3 augustus 2024 artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de bepaling al wordt overtreden door het postvatten met de kennelijke bedoeling of zich in een voertuig bevinden met de kennelijke bedoeling, zonder dat vaststaat dat de betrokkene op dat moment al drugs bij zich heeft of heeft verhandeld. De overtreding van artikel 2:74 van de APV wordt juist nog eens bevestigd door het feit dat na de observaties ook inderdaad drugs bij eiser is aangetroffen. Verder leidt de omstandigheid dat eiser door de politierechter ten aanzien van de verdenking op 3 augustus 2024 is vrijgesproken niet tot een ander oordeel. Het uiteindelijke strafrechtelijk verwijt is immers bij de last onder dwangsom niet bepalend.

Het zich begeven op een openbare plaats met het kennelijke doel om drugs te verhandelen

6. Eiser voert aan dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich op 3 augustus 2024 op een openbare plaats heeft begeven met het kennelijke doel om drugs te verhandelen. De Afdeling heeft voor de uitleg van het begrip "zich ophouden" aangesloten bij de betekenis die daaraan in het algemeen spraakgebruik wordt gegeven, namelijk: "tijdelijk verblijven". Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de politie eiser zag rijden in zijn voertuig en hem vervolgens een stopteken heeft gegeven. Dit voldoet niet aan het vereiste van zich ergens ophouden. Eiser verbleef niet tijdelijk op een openbare plaats, maar was aan het rijden. De burgemeester heeft niet voldoende gemotiveerd dat eiser heeft postgevat met het kennelijke doel om drugs te verhandelen. Eiser wijst verder op de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, de uitspraak van rechtbank Den Haag van 16 december 2024 en de uitspraak van deze rechtbank van 23 februari 2023. Uit de rechtspraak volgt dat het vervoeren van drugs in een voertuig niet verboden is op grond van artikel 2.74 van de APV.
6.1.
Het beroep van eiser op de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2022 en de uitspraak van rechtbank Den Haag van 16 december 2024 slaagt niet. Die uitspraken gaan over de APV-bepaling van de gemeente Den Helder en de gemeente Leiden. De Rotterdamse APV-bepaling kent niet de term “zich ophouden”, maar verbiedt “op of aan de weg post te vatten, of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan de weg in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen”. De gedraging van eiser kwalificeert zich binnen de omschrijving van dit artikel. Op 3 augustus 2024 is de auto van eiser gesignaleerd in Ommoord, waar eiser niet woont en waar overlast ervaren werd van de handel in verdovende middelen. Bij controle blijkt dat eiser een weinig overtuigende reden had voor zijn aanwezigheid in de wijk en dat de bijrijder van eiser diverse registraties en antecedenten op het gebied van de Opiumwet op zijn naam heeft staan. Nadat onderzoek wordt ingesteld worden honderden gripzakjes en een handelshoeveelheid verdovende middelen aangetroffen in het dashboard en achter een verborgen paneel in de auto. Deze omstandigheden rechtvaardigen de conclusie van de burgemeester dat eiser zich met de auto op de weg bevond of met de auto rondreed met het kennelijke doel verdovende middelen te verhandelen. Daarbij is ook van belang dat eiser ook op 10 juli 2024 artikel 2:74 van de APV heeft overtreden.
6.2.
Het beroep van eiser op de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025 en de uitspraak van deze rechtbank van 23 februari 2023, slaagt ook niet. Er is geen sprake van een vergelijkbare situatie. Anders dan in de door eiser aangehaalde uitspraken bevond eiser zich op 3 augustus 2024 als bestuurder in een voertuig op een openbare weg met het kennelijke doel verdovende middelen te verhandelen. Gelet op de combinatie van omstandigheden zoals hiervoor is overwogen, namelijk dat eiser zich in Ommoord bevond, waar overlast werd ervaren van handel in verdovende middelen, hij geen goede reden had om daar te zijn, in eisers auto een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen en hij op 10 juli 2024 artikel 2:74 van de APV heeft overtreden, heeft de burgemeester kunnen concluderen dat eiser zich met de auto op de weg bevond of met de auto rondreed met het kennelijke doel verdovende middelen te verhandelen.

Bevoegdheid van de burgemeester

7. Nu eiser, gelet op het voorgaande, op 10 juli 2024 en op 3 augustus 2024 artikel 2.74 van de APV heeft overtreden, was de burgemeester bevoegd om aan eiser een last onder dwangsom op te leggen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.

De rechter is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

Griffier

Rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:4

1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.

2. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.

Gemeentewet

Artikel 125

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

3. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.

4. Een bestuurscommissie bezit de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang en de bevoegdheid tot het geven van een machtiging tot binnentreden van een woning slechts indien ook die bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen.

Artikel 172 1. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde.

2. De burgemeester is bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie.

3. De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

(…).

Opiumwet

Artikel 2

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

a. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

b. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

c. aanwezig te hebben;

d. te vervaardigen.

Lijst I

Artikel 3

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

a. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

b. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

c. aanwezig te hebben;

d. te vervaardigen.

Lijst II

Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (APV)

Artikel 2:74 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan de weg in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:400 en 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:780.

Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738 en van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362

Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117.

Eiser verwijst naar de Afdelingsuitspraak van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1361, r.o. 2.3.

ECLI:NL:RVS:2025:2170

ECLI:NL:RBDHA:2024:21522, r.o. 6

ECLI:NL:RBROT:2023:1288.

Artikel delen