Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:9600

Toepassen jeugdstrafrecht. Veroordeling van wapenbezit met bijbehorende munitie. Oplegging van een jeugddetentie groot deel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden.

Rechtbank Rotterdam 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:9600 text/xml public 2026-08-05T10:58:30 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-07-02 10-177197-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:9600 text/html public 2026-08-05T10:54:22 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:9600 Rechtbank Rotterdam , 02-07-2026 / 10-177197-25
Toepassen jeugdstrafrecht. Veroordeling van wapenbezit met bijbehorende munitie. Oplegging van een jeugddetentie groot deel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden.
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd

Parketnummer: 10-177197-25

Datum uitspraak: 2 juli 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

raadsvrouw: mr. M.C.A. Schulpen, advocaat te Rotterdam.
<nr>1</nr>Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 18 juni 2026.
<nr>2</nr>Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
<nr>3</nr>Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. J.M. Loppé heeft gevorderd:

bewezenverklaring van het ten laste gelegde wapenbezit en bezit van bijbehorende munitie;

toepassing van het jeugdstrafrecht;

veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen met aftrekvan het voorarrest, waarvan 74 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland (hierna: de reclassering),

met opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
<nr>4</nr>Waardering van het bewijs 4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het ten laste gelegde wapenbezit en bezit van bijbehorende munitie is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Rotterdameen wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens enmunitie,te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm vaneen pistool van het merk: Zastava, type: M 57, kaliber: 7.62 x 25mm,en/of (bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2,categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten acht, althans een of meerderekogel patro(o)n(en),voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
<nr>5</nr>Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van de categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
<nr>6</nr>Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
<nr>7</nr>Motivering straf 7.1.
Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op twintigjarige leeftijd schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. De verdachte is, terwijl hij werd achtervolgd door de politie, uit de auto gesprongen en heeft met een vuurwapen en munitie over de openbare weg gerend. Op enig moment heeft de verdachte het vuurwapen met munitie onder een auto verstopt. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft een enorme maatschappelijke impact. Het voorhanden hebben van vuurwapens leidt immers maar al te vaak ook tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien. Daarbij komt dat het vuurwapen met munitie uiteindelijk – op de openbare weg en onder een auto – is aangetroffen door minderjarigen. Deze minderjarigen hebben het vuurwapen met munitie meegenomen en elders neergelegd. Ook aan hen had potentieel aanzienlijk letsel kunnen worden toegebracht. Dit alles is zorgelijk en rekent de rechtbank de verdachte aan. Er dient streng opgetreden te worden tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder met de politie in aanraking is geweest voor het bezit een steekwapen, wat heeft geleid tot een voorwaardelijk sepot.
7.3.2.
Rapportage

De reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 juni 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Het advies is om het jeugdstrafrecht toe te passen. Er zijn meerdere indicaties aanwezig voor de toepassing van het jeugdstrafrecht op het gebied van handelingsvaardigheden. De verdachte vertoont kinderlijk gedrag, organiseert zijn eigen handelen niet en is impulsief. Bovendien ziet de reclassering nog pedagogische mogelijkheden in de aansturing van moeder. Verder ontvangt de verdachte hulpverlening via de Jeugdwet. Om deze noodzakelijke hulp voort te zetten is toepassing van het jeugdstrafrecht nodig. De reclassering ziet ook contra-indicaties voor de toepassing van het jeugdstrafrecht. Zo kan uit de gesprekken met verdachte worden afgeleid dat hij in een crimineel leefmilieu leeft. Het is echter onduidelijk in hoeverre deze informatie juist is, daar die niet geverifieerd kan worden. Verder lijkt verdachte niet onder de indruk van justitiële autoriteiten.

De reclassering adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met verschillende bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 2 jaren. De zorgen over de verdachte zijn gelegen in zijn sociaal netwerk, middelengebruik, het psychosociaal functioneren en zijn houding. Het contact met de verdachte loopt, mede door zijn problematiek, moeizaam. De verdachte heeft daarnaast moeite met het nakomen van afspraken. Vanwege de zorgen is begeleiding en behandeling noodzakelijk om meer zicht te krijgen op de (psychische) problematiek van de verdachte en die adequaat te behandelen. Daarnaast is het van belang dat er zicht en controle komt op het middelengebruik van de verdachte en dat hij een dagbesteding heeft, zodat hij structuur heeft in zijn leven.
7.4.
Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Jeugdstrafrecht

Volgens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 20 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportage van de reclassering en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.

Straf

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte zat destijds in een moeilijke periode van zijn leven. Inmiddels gaat het beter met hem. Zijn cannabisgebruik is gestopt, hij doet zijn best om zich positief te ontwikkelen en staat open voor hulpverlening. De verdachte heeft ter zitting aangegeven baat te hebben bij de hulpverlening vanuit Fivoor. Daarnaast heeft de verdachte spijt van zijn handelen.

De rechtbank zal het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen straf gelijk laten zijn aan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zodat hij niet terug hoeft naar de justitiële jeugdinrichting en zijn positieve ontwikkeling kan voortzetten. De rechtbank legt daarnaast een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk op. De rechtbank legt daarbij de voorwaarden op overeenkomstig het advies van de reclassering, met uitzondering van de bijzondere voorwaarden met betrekking tot het contactverbod en het vinden en behouden van een dagbesteding, nu deze naar het oordeel van de rechtbank niet passend zijn voor de verdachte. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De verdediging heeft bepleit dat het opleggen van de bijzondere voorwaarde betreffende de meldplicht daarnaast niet in het belang is van de verdachte. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om deze voorwaarde niet op te leggen, nu het contact met de reclassering noodzakelijk is om toezicht te houden op de opgelegde bijzondere voorwaarden en om de positieve ontwikkeling van de verdachte te waarborgen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
<nr>8</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z en 77aa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
<nr>9</nr>Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
<nr>10</nr>Beslissing
De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 90 (negentig) dagen ;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde

jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere

vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 74 (vierenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal melden bij de reclassering, zo lang en zo vaak als de reclassering dat noodzakelijk acht;

gedurende de proeftijd zal meewerken aan een diagnostisch onderzoek en aan behandeling door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

gedurende de proeftijd zal meewerken aan een verblijf in een instelling voor begeleid wonen of een maatschappelijke opvang en zich zal houden aan de regels en afspraken van de instelling en aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

gedurende een door de reclassering te bepalen tijd en periode zal meewerken aan (onaangekondigde) controles van zijn middelengebruik om deze te beheersen. De reclassering kan een urineonderzoek inzetten voor een controle;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij

eerdere beslissing geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.S. Flikweert, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J. Groot en S.C. Sassen, (kinder)rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2026.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Rotterdameen wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens enmunitie,te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm vaneen pistool van het merk: Zastava, type: M 57, kaliber: 7.62 x 25mm,en/of (bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2,categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten acht, althans een of meerderekogel patro(o)n(en),voorhanden heeft gehad.

Artikel delen