Gezag op basis van artikel 1:253t, verzoek om oma en moeder gezamenlijk met gezag te belasten, verzoek wordt toegewezen in belang van de minderjarige, moeder woont in het buitenland.
Rechtbank Rotterdam 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9697
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
C/10/696952 / FA RK 25-2454
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBROT:2026:9697text/xmlpublic2026-08-06T09:33:552026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Rotterdam2026-07-27C/10/696952 / FA RK 25-2454UitspraakBeschikkingNLRotterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:9697text/htmlpublic2026-08-06T09:32:222026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:9697 Rechtbank Rotterdam , 27-07-2026 / C/10/696952 / FA RK 25-2454 Gezag op basis van artikel 1:253t, verzoek om oma en moeder gezamenlijk met gezag te belasten, verzoek wordt toegewezen in belang van de minderjarige, moeder woont in het buitenland.
Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummer / rekestnummer: C/10/696952 / FA RK 25-2454 Beschikking van 27 juli 2026 over het ouderlijk gezag in de zaak van:
[naam oma]
, hierna: de oma,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. C.W.F. Jansen te Rotterdam, e n
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. C.W.F. Jansen te Rotterdam, belanghebbende in deze zaak is:
[naam man]
, hierna: de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen van de oma en de vrouw, ingekomen op 31 maart 2025; het bericht met bijlage van de oma en de vrouw van 19 juni 2026. 1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026. Daarbij zijn verschenen: de oma en de vrouw, bijgestaan door hun advocaat; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2De vaststaande feiten2.1. De vrouw en de man zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] . 2.2. De man heeft de minderjarige erkend. 2.3. De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige. 3De beoordeling3.1. Gezag 3.1.1. De oma en de vrouw verzoeken primair te bepalen dat zij gezamenlijk het gezag over de minderjarige zullen uitoefenen. Subsidiair is het verzoek om het gezag van de vrouw te beëindigen en de oma als voogdes te benoemen over de minderjarige. 3.1.2. Op grond van lid 1 van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank, als het ouderlijk gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het ouderlijk gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over het kind belasten. Op grond van lid 2 van het hiervoor genoemde artikel wordt, als het kind ook in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen als:
a. a) de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en
b) de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het ouderlijk gezag over het kind belast is geweest.
Het verzoek wordt, op grond van lid 3 van het hiervoor genoemde artikel, afgewezen als, mede in het licht van de belangen van de andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. 3.1.3. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke vereisten van artikel 1:253t lid 1 BW is voldaan. De oma is vanaf de geboorte van de minderjarige nauw betrokken bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Er is sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de oma en de minderjarige. De minderjarige woont feitelijk al vanaf zijn geboorte bij de oma en de minderjarige blijft hier ook wonen. De vrouw is wel nauw betrokken in het leven van de minderjarige en draagt al ruime tijd samen de zorg met de oma over de minderjarige. Daarmee wordt ook voldaan aan artikel 1:253t lid 2 onder a BW. De vrouw heeft hierover toegelicht dat ze bijvoorbeeld ook naar schoolactiviteiten van de minderjarige komt en elke dag belt met de oma en de minderjarige om te vragen hoe het gaat etc. De vrouw woont in Frankrijk vanwege haar werk, maar het leven van de minderjarige is in Nederland. Hij gaat hier naar school en heeft hier ook zijn sociale leven. Het is de wens van de vrouw en de oma dat dit ook zo blijft. De vrouw acht het in belang van de minderjarige dat hij een stabiel leven leidt, hetgeen de vrouw de minderjarige in het dagelijks leven nu niet kan bieden door haar werk. De oma kan dit wel, daarom verblijft de minderjarige feitelijk al zijn hele leven bij haar. Het zou echter praktischer zijn dat de oma ook beslissingen kan nemen zonder eerst de vrouw te moeten bereiken, zoals bijvoorbeeld bij ziekenhuisbezoeken en dergelijke. De vrouw en de oma hebben uitgelegd dat de minderjarige zijn oma in praktische zin soms meer als moeder ziet dan de vrouw. De vader van de minderjarige heeft daarnaast nooit een actieve rol gespeeld in het leven van de minderjarige. 3.1.4. Het derde lid van artikel 1:253t BW staat niet aan toewijzing van het verzoek van de moeder en oma in de weg. Niet gebleken is dat gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd. De raad ondersteunt het verzoek. Het verzoek zal daarom worden toegewezen. 3.2. Proceskosten Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. 4De beslissing De rechtbank: 4.1. belast [naam oma] geboren op [geboortedatum 2] 1970 te [geboorteplaats 2] , samen met [naam vrouw] geboren op [geboortedatum 3] 2000 te [geboorteplaats 3] , met het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ; 4.2. bepaalt dat van deze beslissing, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister; 4.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 4.4. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.5. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Huizenga, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. B.J. Louter, griffier, op 27 juli 2026. Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.