Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:3943

Toekennen eenhoofdig gezag, ontzeggen recht op omgang, informatieregeling, afwijzen proceskostenveroordeling. Raadsonderzoek niet nodig.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 May 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:3943 text/xml public 2026-05-28T13:05:48 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-10 C/02/442081 / FA RK 25-5955 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3943 text/html public 2026-05-28T12:07:23 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3943 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-04-2026 / C/02/442081 / FA RK 25-5955
Toekennen eenhoofdig gezag, ontzeggen recht op omgang, informatieregeling, afwijzen proceskostenveroordeling. Raadsonderzoek niet nodig.

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/442081 / FA RK 25-5955

datum uitspraak: 10 april 2026

beschikking

in de zaak van

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. dr. J.A.E. van Raak-Kuiper uit Udenhout,

tegen

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. B.E.S. Chin-A-Fat uit Breda,

over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
<nr>1</nr>Het procesverloop 1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de man van 19 november 2025 met 8 bijlagen, ontvangen op 19 november 2025;

- het door [minderjarige 1] ingezonden reactieformulier, ontvangen op 19 januari 2026;

- het door [minderjarige 2] ingezonden reactieformulier met 1 bijlage, ontvangen op 2 februari 2026;

- het verweerschrift van de vrouw tevens houdende zelfstandige verzoeken met21 bijlagen, ontvangen op 5 maart 2026;

- de brief van mr. Chin-A-Fat van 10 maart 2026 met 1 bijlage;

- de brief van mr. Chin-A-Fat van 12 maart 2026 met 7 bijlagen;

- het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken, tevens aanvullend verzoekschrift met 5 bijlagen, ontvangen op 12 maart 2026;

- het bericht van mr. Chin-A-Fat van 13 maart 2026 met 3 bijlagen.
1.2
De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 17 maart 2026. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.
1.3
De minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld om met de behandelend rechter over de verzoeken te praten tijdens een kindgesprek of hierover een brief aan de rechter te schrijven. [minderjarige 1] heeft ervoor gekozen om voorafgaand aan de zitting met de rechter te praten en [minderjarige 2] heeft ervoor gekozen om aan de rechter een brief te schrijven. De minderjarigen hebben geen toestemming aan de rechter gegeven om hetgeen zij hebben aangegeven ter zitting te delen met partijen en de Raad.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en samengewoond. Deze relatie is begin 2015 geëindigd. Uit de relatie van partijen zijn de minderjarigen geboren.
2.2
De man heeft de minderjarigen erkend.
2.3
Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De vrouw is alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.4
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
2.5
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2016 is, voor zover thans nog van belang, bepaald dat de man gerechtigd is tot onbegeleid contact met de minderjarigen:

- één weekend per twee weken van vrijdag 07:00 uur tot maandag naar school;

- in de andere week van maandagavond 17:00 uur tot dinsdagavond 18:00 uur, waarbij de minderjarigen op maandag en dinsdag bij de man eten;

- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.
2.6
De minderjarigen hebben onder toezicht gestaan van Stichting Bureau Jeugdzorg Brabant (thans: Stichting Jeugdbescherming Brabant) van 15 juli 2017 tot 15 juli 2019.
2.7
In 2018 heeft de jeugdzorgwerker het contact tussen de man en de minderjarigen beperkt tot één weekend in de twee weken.
2.8
Naar aanleiding van drie zorgmeldingen die in februari 2023 en maart 2023 zijn gedaan over de thuissituatie van de minderjarigen bij de man is de uitvoering van de contact- en omgangsregeling zoals bepaald bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2016 volledig stil komen te vallen. Veilig Thuis is betrokken geraakt en heeft veiligheidsvoorwaarden opgesteld. Partijen en de minderjarigen zijn door Veilig Thuis overgedragen aan [hulpverlening 1] voor procesregie en de inzet van passende hulpverlening. Partijen en de minderjarigen zijn door [hulpverlening 1] aangemeld bij Crossroads, die advies heeft uitgebracht over de hulpverlening. In november 2023 zijn partijen en de minderjarigen een hulpverleningstraject bij Sterk Huis gestart voor kinder- en ouderbegeleiding, waarbij onder meer de methodiek “Berg van Herstel” is ingezet. In mei 2024 zijn partijen, in overleg met Sterk Huis, overeengekomen dat in aanloop en gedurende deze methodiek geen app- of belcontact tussen de man en de minderjarigen plaatsvindt, maar dat het contact met de man op initiatief van de minderjarigen vorm gegeven zal gaan worden. Ook is afgesproken dat één keer per maand e-mailcontact tussen partijen over de minderjarigen plaatsvindt waarbij de vrouw de man één keer per maand (elke eerste van de maand) informatie geeft over het welzijn en de ontwikkeling van de minderjarigen en de man één keer per maand (elke vijftiende van de maand) een e-mail naar de vrouw stuurt waarbij hij vragen kan stellen of reageren op de mail van de vrouw.
<nr>3</nr>De verzoeken 3.1
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de vrouw te veroordelen om, al dan niet met hulpverlening, mee te werken aan het opbouwen van de contacten tussen de man en de minderjarigen, waarbij toegewerkt wordt naar de contact- en omgangsregeling zoals vastgesteld door rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 21 juli 2016;

II. een informatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw de man elke eerste van de maand per e-mail informeert over belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot de minderjarigen, waarbij naast informatie over hun ontwikkeling zoals hun gezondheid en school ook informatie wordt verstrekt waaruit opgemaakt kan worden wat in het leven van de minderjarigen speelt alsmede dat iedere maand een goedgelijkende en recente foto van de minderjarigen wordt toegestuurd, waaronder een vermelding van het adres waar de minderjarigen wonen,

Kosten rechtens.

De man is het niet eens met de zelfstandige verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
3.2
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat als ongegrond en onbewezen af te wijzen.

Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de vrouw de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. op grond van art. 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] op te heffen en te bepalen dat de vrouw alleen met het gezag over haar wordt belast;

II. de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2016 te wijzigen en op

grond van art. 1:377a, derde lid, sub a, c of d van het BW de man de omgang met de [minderjarige 2] te ontzeggen en op grond van art. 1:253a, tweede lid, sub a, van het BW de man een tijdelijk verbod tot contact met [minderjarige 1] op te leggen, danwel een zodanige contact- en omgangsregeling te bepalen als de rechtbank juist acht;

III. de man te veroordelen in de werkelijke kosten van het geding, te weten

advocaatkosten en griffierechten.
<nr>4</nr>De standpunten 4.1
Door en namens de man is, samengevat, het volgende aangevoerd.

Partijen zijn na hun uiteengaan een voorlopige contact- en omgangsregeling overeengekomen. Aan deze regeling is tot november 2015 uitvoering gegeven, waarna de vrouw de man onterecht beschuldigde van seksueel misbruik. Veilig Thuis is hierdoor betrokken geraakt, die adviseerde het contact tijdelijk begeleid te laten plaatsvinden. De man heeft hieraan gehoor gegeven, maar omdat er geen stappen werden gezet naar onbegeleide omgang, is de man uiteindelijk een procedure gestart waarbij de Raad onderzoek heeft verricht. De Raad heeft op basis van zijn onderzoek om een ondertoezichtstelling van de minderjarigen verzocht, die bij beschikking van rechtbank Rotterdam van 15 juli 2016 is uitgesproken en nadien is verlengd met een jaar. Daarnaast is bij beschikking van 21 juli 2026 van rechtbank Oost-Brabant een onbegeleide contact- en omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen bepaald. Geoordeeld is dat geen sprake is van zorgsignalen en dat de enkele angstgevoelens van de vrouw geen reden vormen om het contact tussen de man en de minderjarigen nog begeleid te laten plaatsvinden.

Deze contact- en omgangsregeling is tot februari 2023, zij het met enkele onderbrekingen, nagekomen. Daarna kwam de vrouw opnieuw met een beschuldiging richting de man, namelijk dat hij door middel van een sigaret een brandwond op de arm van [minderjarige 1] veroorzaakt zou hebben. Ook is in deze periode een anonieme melding bij Veilig Thuis gedaan dat de man de minderjarigen niet goed zou behandelen. De beschuldiging van de brandwond is ontkracht door het LECK, die heeft geconcludeerd dat een dieperliggende huidinfectie waarschijnlijker was. De melding bij Veilig Thuis kon de man niet plaatsen. Integendeel, tijdens het laatste contact in februari 2023 hebben de man en de minderjarigen het samen erg leuk gehad, waarbij zij, samen met een vriendin van de man en haar kinderen, hebben geschaatst. Desondanks was het advies van Veilig Thuis om, naast het werken aan een verbetering van de communicatie tussen partijen, twee weken geen contact te hebben. De man is hiermee akkoord gegaan om escalaties te voorkomen. In het belang van de minderjarigen wilde de man geen strijd voeren met de vrouw.

Er is vervolgens hulpverlening geweest vanuit verschillende instanties, waaraan de man zijn volledige medewerking heeft verleend. Hij had vertrouwen in de hulpverlening waarbij ingezet zou worden op contactherstel. Achteraf bezien is de man van mening dat hij wellicht onmiddellijk gerechtelijke stappen had moeten ondernemen. De medewerking van de vrouw bleef namelijk uit, en de betreffende hulpverlening leverde niets op. Zelfs het app- en belcontact, dat na februari 2023 tot mei 2024 nog wel plaatsvond tussen de man en de minderjarigen, is weg komen te vallen naar aanleiding van de methodiek Berg van Herstel dat Sterk Huis heeft ingezet. Gedurende dit traject heeft de vrouw de gelegenheid gehad om de minderjarigen geheel voor zich te winnen waarbij de minderjarigen steeds verder vervreemd zijn geraakt van de man. Het is voor de man niet te bevatten dat hij de minderjarigen al meer dan drie jaar, namelijk sinds februari 2023, niet meer heeft gezien. Er wordt steeds iets anders door de vrouw aangedragen om de man buiten spel te zetten. De beschuldigingen die de vrouw naar de man doet zijn zeer ernstig van aard. Voor de beschuldigingen is echter geen enkel bewijs en de man ontkent deze ten zeerste. Desondanks blijft de vrouw van mening dat de minderjarigen niet veilig zijn bij de man. Zij projecteert haar angsten op de minderjarigen waarbij de vrouw door de jaren heen een constant signaal aan de minderjarigen heeft afgegeven dat het niet veilig en fijn is bij de man. De minderjarigen hebben hierdoor een zeer negatief beeld van de man gekregen en zijn bang voor de man gemaakt. Om die reden, maar ook omdat de minderjarigen weten dat de vrouw het niet fijn vindt als zij contact met de man hebben, gaan de minderjarigen het contact met de man inmiddels geheel uit de weg. Dit doet de man heel veel verdriet. Hij voelt zich machteloos en mist de minderjarigen enorm. Daarnaast maakt de man zich grote zorgen over de opvoedsituatie van de minderjarigen bij de vrouw. Bij de vrouw is sprake van psychische problematiek en zij is overbezorgd over de minderjarigen. Voor de minderjarigen kan dit een belemmering zijn om vrij en blij op te groeien.

De man hoopt met de onderhavige procedure een doorbraak in het contact tussen hem en de minderjarigen te bewerkstelligen. De vrouw heeft stelmatig contact en omgang geweigerd, en wil dit zelfs op dit moment verbieden. De man staat open voor een onderzoek door de Raad zodat voor eens en altijd kan komen vast te staan dat de minderjarigen veilig bij hem zijn. Ook staat de man open voor een ondertoezichtstelling van de minderjarigen om het contact tussen hem en de minderjarigen op te bouwen. De minderjarigen verdienen een vader, en het contact moet zo snel mogelijk worden hersteld. De man en de minderjarigen hebben recht op contact en omgang met elkaar. Er zijn geen zwaarwegende omstandigheden waardoor dit recht ingeperkt of zelfs het contact verboden dan wel de omgang ontzegd zou moeten worden. Evenmin is er reden om het ouderlijk gezag van de man over [minderjarige 1] te beëindigen. Er is geen sprake van het klemcriterium. De man staat de vrouw niet in de weg bij te nemen (gezags)beslissingen over [minderjarige 1] . Hij vormt geen enkele bedreiging voor de vrouw en hij geeft haar gewoon toestemming voor een vakantie. Het is niet aan de man te wijten dat hij niet weet wat zich in het leven van [minderjarige 1] afspeelt. Deze informatie wordt hem onthouden. De man is bereid tot verbetering van de communicatie, maar daaraan zal ook de vrouw moeten meewerken. De vrouw zet alle middelen in om maar niet te hoeven communiceren.

Tijdens het hulpverleningstraject bij Sterk Huis zijn afspraken gemaakt over de informatievoorziening van de vrouw aan de man. Partijen mailen elkaar maandelijks één keer per maand, waarbij de vrouw de man kort en zakelijk informeert over zaken met betrekking tot de ontwikkeling van de minderjarigen, over medische zaken en de veiligheid in de afgelopen maand. Deze regeling wordt nagekomen, maar de informatie die de vrouw geeft is te summier en te zakelijk om te weten hoe het echt met de minderjarigen gaat. Het gaat voornamelijk over school en de schoolresultaten van de minderjarigen. Verder krijgt de man geen informatie. Hij weet niet hoe de minderjarigen eruit zien omdat de vrouw weigert foto’s te sturen. Ook weet de man het adres niet waar de minderjarigen wonen. De man zou graag informatie over de minderjarigen willen hebben wat er echt toe doet, zoals wat hun hobby’s zijn, wat hun lievelingseten is, hoe het gaat met sporten, welke films of muziek ze leuk vinden, wat ze doen in de weekenden enzovoorts. Met een dergelijke informatievoorziening kan de man zich een beter beeld vormen hoe het met de minderjarigen gaat. Gelet hierop verzoekt de man een uitgebreidere informatieregeling te bepalen dan reeds overeengekomen.

Voor een proceskostenveroordeling van de man bestaat geen plaats. De man heeft het recht om bij de rechtbank een verzoek in te dienen tot nakoming van een beschikking aangezien de vrouw de omgang heeft stopgezet. Daarbij gaat de man er vanuit dat de proceskosten worden gecompenseerd zoals in familiezaken gebruikelijk is.
4.2
Door en namens de vrouw is, samengevat, het volgende aangevoerd.

Partijen kennen een belaste voorgeschiedenis, waarbij vermoedens zijn van seksueel misbruik van de minderjarigen door de man en een brandwond bij [minderjarige 1] veroorzaakt door een sigaret. Daarnaast is sprake van persoonlijke problematiek bij de man. In 2018 is bij de man een vermijdende persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in alcoholgebruik vastgesteld. Daarnaast staat vast dat tijdens de relatie van partijen sprake is geweest van huiselijk geweld van de man richting de vrouw. Dit is bevestigd in het rapport van Veilig Thuis van 18 februari 2016, en is opgenomen in de eerdere beschikkingen van rechtbank Rotterdam van 15 juli 2016 en rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2016. Ook hebben de vrouw en de minderjarigen een schadevergoeding ontvangen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Tot begin 2023 is uitvoering gegeven aan de contact- en omgangsregeling zoals neergelegd in de beschikking van rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2026, waarbij de toenmalige jeugdzorgwerker in 2018 de omgang heeft beperkt tot één weekend in de twee weken. In februari en maart 2023 zijn er drie zorgmeldingen bij Veilig Thuis gedaan: op 14 februari 2023 door de basisschool waar [minderjarige 2] zorgelijke uitspraken heeft gedaan, op 23 februari 2023 door [hulpverlening 2] (waar de vrouw in behandeling is voor PTSS) en op 1 maart 2023 een anonieme zorgmelding. Alle drie de meldingen betroffen zorgen over de veiligheid van de minderjarigen bij de man. Er was een blauwe plek geconstateerd bij een van de minderjarigen, en er zou sprake zijn van opsluiting, onthouding van voedsel en verbaal en fysiek geweld. Als gevolg van deze zorgmeldingen is, op advies van Veilig Thuis, de omgang tussen de man en de minderjarigen stil gelegd. De zaak is overgedragen aan [hulpverlening 1] , waarna Crossroads is ingeschakeld omdat opschaling nodig was bovenop de hulpverlening die de minderjarigen hadden. In het adviesverslag van Crossroads van6 september 2023 staat vermeld dat zowel de man als de vrouw willen dat de contacten tussen de man en de minderjarigen beter gaan verlopen. Crossroads adviseerde hulpverlening, waarbij ondersteuning van de man gericht op pedagogisch handelen en het kunnen aansluiten bij de behoeften van de minderjarigen noodzakelijk werd geacht.

In november 2023 is het hulpverleningstraject bij Sterk Huis gestart. Tijdens dit traject is de individuele therapie van beide minderjarigen blijven doorlopen. [minderjarige 1] is in 2022 gestart met paardencoaching bij paardencoach [persoon 1] . [minderjarige 2] is in april 2023 gestart met PMT bij [therapeut] . In mei 2024 heeft Sterk Huis geadviseerd om het op dat moment nog aanwezige app- en belcontact tussen de man en de minderjarigen voorlopig stop te zetten. Dit in verband met de inzet van de methodiek Berg van Herstel, van waaruit onderzocht ging worden of contactherstel nog mogelijk was, in welke vorm en op welke termijn.

[minderjarige 2] heeft een langdurig traject doorlopen. [minderjarige 1] heeft niet een volledig traject kunnen doorlopen na een wisseling van begeleider. Ook is vanuit [hulpverlening 1] met de minderjarigen gesproken. [minderjarige 1] heeft op 19 februari 2025, met ondersteuning van haar therapeut [persoon 1] , in het gesprek met de heer [persoon 2] van [hulpverlening 1] aangegeven dat zij de man niet wil zien en ook geen contact wil via social media. Een kaartje af en toe is goed, maar niet te vaak. Ook heeft zij aangegeven te willen stoppen met het traject Berg van Herstel. [minderjarige 2] heeft op 27 februari 2025 in een gesprek met de heer [persoon 2] aangegeven geen contact te willen met de man, ook niet een kaartje. Ook zij wil stoppen met het traject Berg van Herstel.

In mei 2025 heeft Sterk Huis besloten om zowel de kinder- als ouderbegeleiding te beëindigen, en daarmee het hulpverleningstraject af te sluiten. Geadviseerd is om geen verdere hulpverlening meer in te zetten op het gebied van complexe scheidingen. Het gezinssysteem kan dat niet dragen, waardoor er momenteel geen verandermogelijkheid is voor beide partijen. Met betrekking tot de minderjarigen is geadviseerd om, naast het continueren van de individuele therapie van beide minderjarigen, jaarlijks bij hen na te vragen of zij open staan voor (indirect) contactherstel met de man.

De man was niet akkoord met voormelde adviezen van Sterk Huis en wenste opschaling. Naar aanleiding hiervan heeft er een intern overleg plaatsgevonden bij [hulpverlening 1] over de vraag of opschaling nodig is en of (dus) de Raad nog onderzoek zou moeten doen. Geconcludeerd is dat het onderzoek dat voorligt voldoende uitgebreid is en duidelijkheid en veiligheidsvoorwaarden voor de minderjarigen biedt voor nu en voor de toekomst. Aan de man is voorgesteld om het MET eventueel in te schakelen, om, onder meer in aanwezigheid van de Raad, te beoordelen of alle stappen zorgvuldig zijn gezet of dat wellicht een belangrijke stap in het onderzoek is overgeslagen. De vrouw heeft hiervoor haar akkoord heeft gegeven, maar de man heeft zijn toestemming onthouden. In plaats daarvan is hij de onderhavige procedure gestart.

Uit het vorenstaande volgt dat Veilig Thuis, Crossroads, [hulpverlening 1] en Sterk Huis vanaf de stopzetting van de contact- en omgangsregeling in februari 2023 uitgebreid en gedegen onderzoek hebben verricht, waarbij alle bij de minderjarigen betrokken professionals gehoord zijn. De vrouw ziet dan ook geen reden voor een onderzoek door de Raad. Er zijn al heel veel middelen vanuit de Jeugdwet ingezet om onderzoek te laten doen en hulpverlening te bieden aan de minderjarigen en partijen. De vrouw ziet geen enkele reden om te twijfelen aan de rapportages van de betrokken instanties. Bovendien is er bij de afsluiting van het hulpverleningstraject van Sterk Huis een heel helder advies gegeven, namelijk dat de grenzen van de minderjarigen gerespecteerd moeten worden waarbij rust voorop staat. Die rust wordt niet bereikt door het starten van een procedure met als insteek nakoming van de contact- en omgangsregeling. Bovendien houdt de man zich niet aan het advies om het tempo van de minderjarigen te volgen, en hen niet te benaderen. De man stuurt berichten via geldoverschrijvingen aan de minderjarigen en zoekt met enige regelmaat nog steeds contact met hen via de app. Daarnaast wijst de vrouw erop dat niet alleen zijzelf, maar ook de minderjarigen slachtoffer zijn geweest van huiselijk geweld van de man. Dit staat, onder verwijzing naar het Verdrag van Istanbul, omgang in de weg nu, gezien dit gedrag van de man, de rechten en veiligheid van de moeder en de minderjarigen bij omgang onvoldoende gewaarborgd zijn. Gelet op dit alles meent de vrouw dat de ontzeggingsgronden sub a en d van artikel 1:377a BW van toepassing zijn, en in het geval van [minderjarige 1] , die inmiddels veertien jaar is, ook sub c. Daarbij wijst de vrouw er op dat het nu goed gaat met beide minderjarigen en dat zij vooruitgang en groei laten zien in hun ontwikkeling vanaf het moment dat zij geen contact meer hebben met de man. Dit bevestigen niet alleen de scholen van de minderjarigen, maar ook hun therapeuten.

Er bestaat een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige 1] klem of verloren zal raken tussen partijen bij instandhouding van het gezamenlijk gezag en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare termijn voldoende verbetering zal komen. De communicatie tussen partijen is zeer slecht. Daar is jarenlang aan gewerkt door instanties, maar contact blijft vanuit de man zeer regelmatig bedreigend, manipulatief en onvriendelijk. Als gevolg van het huiselijk geweld tijdens de relatie heeft de vrouw PTSS. De communicatie met de man triggert de vrouw regelmatig enorm. Het geeft de vrouw telkens veel spanning als er toestemming van de man nodig is of als er een gezamenlijke beslissing over [minderjarige 1] genomen moet worden. Er moet bovendien toestemming worden gevraagd voor vakantie, waarbij allerlei gegevens over de reis gedeeld moeten worden die de vrouw in verband met (het gevoel van) veiligheid juist niet wil delen. Aangezien de man [minderjarige 1] al tweeënhalf jaar niet heeft gezien of gesproken en [minderjarige 1] erg is veranderd de afgelopen jaren, is het erg ingewikkeld voor de man om voor [minderjarige 1] passende beslissingen over haar te nemen. Al jaren geeft het gedoe als er toestemming voor therapie moet komen. Bij therapie voor [minderjarige 1] had de man telkens opnieuw vragen, wat ergens begrijpelijk, maar zeker niet praktisch is. De laatste keer is er zes maanden verstreken voordat de toestemming er was, waardoor de therapie van [minderjarige 1] maandenlang stil lag. [minderjarige 1] is inmiddels ouder dan twaalf jaar en krijgt daardoor een stukje mee hoe dingen werken. Het voelt voor [minderjarige 1] , na alles wat er gebeurd is in het verleden, niet prettig als ook haar vader moet mee beslissen over dingen die voor [minderjarige 1] belangrijk zijn.

In het ontbreken van contact en/of omgang tussen de man en de minderjarigen valt de vrouw geen verwijt te maken; signalen van de minderjarigen zelf hebben er toe geleid dat het contact en de omgang stil is komen te liggen. De vrouw heeft tot op heden aan alle hulpverlening haar medewerking verleend om tot contactherstel te komen, maar zonder resultaat. Op basis van uitgebreid en gedegen onderzoek is geconcludeerd dat contact tussen de man en de minderjarigen niet in het belang van de minderjarigen is. Desondanks is de man de onderhavige procedure gestart, en schakelt hij de rechtbank nodeloos in waardoor de vrouw op kosten wordt gejaagd. Dit geeft reden voor een proceskostenveroordeling van de man, temeer nu de man bij zijn verzoek niet de uitgebreide informatie, die ruimschoots beschikbaar is, heeft overgelegd. Hierdoor is de vrouw gedwongen uitgebreid verweer te voeren met bijkomende kosten.

Voor zover de man heeft verzocht om de vastlegging van een informatieregeling, wijst de vrouw erop dat zij de man maandelijks voorziet van informatie over de minderjarigen volgens de regels vanuit de BIFF (kort, informatief, vriendelijk en stellig) zoals aangeleerd tijdens het hulpverleningstraject bij Sterk Huis. De man is hierdoor op de hoogte hoe het met de minderjarigen gaat, en de vrouw is bereid om hem maandelijks te blijven informeren over de minderjarigen. Zij acht de vastlegging van een informatieregeling, en met name een uitgebreide informatieregeling zoals door de man verzocht, echter niet in het belang van de minderjarigen. De minderjarigen hebben er moeite mee dat informatie over hen wordt gedeeld met de man. Daarnaast hebben de minderjarigen duidelijk aan de vrouw te kennen gegeven dat zij niet willen dat er foto’s van hen aan de man worden gestuurd en dat hun adresgegevens worden gedeeld met de man.
4.3
De vertegenwoordigster van de Raad heeft aangevoerd dat door partijen zeer veel informatie is ingebracht die tot meerdere vragen bij de Raad leidt. Er worden verstrekkende verzoeken gedaan. De Raad acht de voorliggende situatie te complex om zonder nader onderzoek een gedegen advies te kunnen geven. De Raad onthoudt zich aldus van advies en ziet noodzaak voor het verrichten van een raadsonderzoek naar het gezag, het contact en de omgang tussen de man en de minderjarigen en de wijze van informeren.
<nr>5</nr>De beoordeling 5.1
Allereerst overweegt de rechtbank dat zij zich op basis van de door partijen overgelegde stukken en dat wat ter zitting is besproken voldoende geïnformeerd acht om weloverwogen beslissingen te nemen op de voorliggende verzoeken van partijen. Zij ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden voor het verrichten van een onderzoek door de Raad.

Gezag
5.2
Het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag zoals bepaald in artikel 1:253n van het BW.
5.3
Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders het gezag gezamenlijk over hun kind uitoefenen. Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW evenwel worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt.
5.4
Niet in geschil is, en ook de rechtbank is op basis van de voorliggende stukken en de ter zitting geschetste feiten en omstandigheden van oordeel, dat voldoende is komen vast te staan dat de omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige 1] zijn gewijzigd. Zo is de relatie tussen partijen begin 2015 geëindigd, is er nadien diverse hulpverlening in zowel het vrijwillig als het onvrijwillig kader betrokken geweest en heeft [minderjarige 1] sinds februari 2023 geen omgang meer met de man. Gelet hierop kan de vrouw worden ontvangen in haar verzoek om alleen met het gezag over [minderjarige 1] te worden belast.
5.5
De rechtbank stelt vast dat zich veel heeft afgespeeld tussen partijen tijdens hun relatie. Partijen hebben ieder voor zich hierover een andere beleving, hetgeen duidelijk naar voren komt uit het clientplan van Sterk Huis van 8 mei 2025. Zo is volgens de vrouw sprake geweest van (ernstig) huiselijk geweld, terwijl de man aangeeft dat partijen uit elkaar zijn gegroeid. Op basis van de gesprekken die met partijen zijn gevoerd, onder andere naar aanleiding van de uitkomsten van de MASIC die bij beide partijen bij de start van het hulpverleningstraject van Sterk Huis zijn afgenomen, neemt Sterk Huis aan dat de vrouw zich ernstig bedreigd en onveilig heeft gevoeld tijdens de relatie dat doorwerkt in het hier en nu. De rechtbank ziet op basis van de voorliggende stukken en dat wat ter zitting naar voren is gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan deze aanname van Sterk Huis, temeer nu bij de vrouw als gevolg van hetgeen zij heeft meegemaakt tijdens en na de relatie met de man PTSS is vastgesteld. Daarvoor krijgt zij op dit moment nog steeds therapie waarbij nu ingezet wordt op traumaverwerking.
5.6
Voor gezamenlijk gezag is het nodig dat partijen met elkaar communiceren. Dit zodat zij beslissingen van enig belang over [minderjarige 1] in gezamenlijkheid kunnen nemen, dan wel tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond [minderjarige 1] kunnen voordoen, zodat [minderjarige 1] niet klem of verloren raakt tussen partijen. Hoewel vanaf 2015 diverse hulpverlening is ingezet, ook om te komen tot een verbetering van de communicatie en samenwerking tussen partijen op ouderniveau, is de rechtbank op basis van de voorliggende informatie gebleken dat de minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. De verstandhouding tussen partijen is nog steeds ernstig verstoord, en de rechtbank acht het gezien de hulpverleningsgeschiedenis niet aannemelijk dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal komen. Ook tijdens het hulpverleningstraject bij Sterk Huis is ingezet op ouderschapsbemiddeling. Het is partijen en Sterk Huis echter niet gelukt om de patronen en dynamieken tussen partijen te doorbreken, waarbij door Sterk Huis is geadviseerd om geen verdere hulpverlening in te zetten op het gebied van complexe scheidingen aangezien het gezinssysteem dat niet kan dragen.
5.7
Als relevante omstandigheid neemt de rechtbank tevens mee dat het gezamenlijk gezag met zich brengt dat de vrouw als hoofdopvoeder van [minderjarige 1] telkens de communicatie en het overleg met de man moet opzoeken. Elk contact met de man triggert echter de PTSS van de vrouw, hetgeen niet alleen haar behandeling in de weg staat, maar onmiskenbaar ook een negatieve weerslag op de minderjarigen heeft. Het is daarom in het belang van beide minderjarigen noodzakelijk dat de vrouw in een situatie wordt gebracht waarin zij niet langer door middel van gezamenlijk gezag verbonden is aan de man. Dit klemt temeer nu bij beide minderjarigen problematiek speelt waardoor zij kwetsbaar zijn. De minderjarigen moeten aldus kunnen steunen, bouwen en vertrouwen op een sterke en stevige ouder die hun belangen waarborgt. Belangrijk is dat de vrouw zich als hoofdopvoeder van de minderjarigen staande weet te houden en dat zij in de gezagsuitoefening van [minderjarige 1] niet langer geconfronteerd wordt met (verplicht) contact en overleg met de man dat haar PTSS-klachten kan verergeren en haar uit balans kan brengen, en wel zodanig dat het haar niet meer lukt om een stabiele opvoedomgeving aan de minderjarigen te bieden.
5.8
Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de man, naast de informatie die hij van de vrouw krijgt, niet op de hoogte is wat er speelt in het leven van [minderjarige 1] . De man en [minderjarige 1] hebben al meer dan drie jaar geen fysiek contact, en sinds mei 2024 ook geen app- of belcontact meer. Dit maakt dat de man niet kan beoordelen wat [minderjarige 1] nodig heeft en niet weet welke beslissingen in haar belang zijn, terwijl de situatie van [minderjarige 1] hierom juist vraagt gezien de problematiek die bij haar speelt en waarnaar op dit moment nader onderzoek wordt gedaan.
5.9
Belangrijk is dat er rust komt. Die rust kan er alleen komen wanneer de vrouw wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en zelf beslissingen kan nemen die voor haar nodig zijn.
5.10
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en dat de vrouw overeenkomstig haar verzoek met het eenhoofdig gezag zal worden belast. De rechtbank zal aldus beslissen.

Omgang
5.11
Omdat het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] zal worden toegewezen en de vrouw over [minderjarige 2] , vanaf haar geboorte, alleen het ouderlijk gezag uitoefent, zal de rechtbank hierna spraken over een omgangsregeling/de omgang.
5.12
Ingevolge artikel 1:377a, eerste lid, van het BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van het tweede lid van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge het derde lid van voornoemd artikel slechts indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,

d. indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Ingevolge artikel 1:377e van het BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.14
Niet in geschil is, en ook de rechtbank is op basis van de voorliggende stukken en de ter zitting geschetste feiten en omstandigheden van oordeel, dat voldoende is komen vast te staan dat de omstandigheden na de beschikking van rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2016 waarbij een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen is bepaald, zijn gewijzigd. Sinds februari 2023 is de uitvoering van voormelde regeling namelijk volledig stil komen te liggen. Beide partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoek ter zake de omgang.
5.15
De rechtbank stelt vast dat, nadat de omgang tussen de man en de minderjarigen in februari 2023 stil is komen te liggen, er is ingezet op het herstellen van het contact tussen de man en de minderjarigen middels een hulpverleningstraject bij Sterk huis, waarbij de methodiek Berg van Herstel is gehanteerd. Zoals aangegeven in het clientplan van Sterk Huis van 8 mei 2025 is de methodiek Berg van Herstel een traject voor kinderen en ouders waarbij een spelmethodiek wordt aangereikt om aan de slag te gaan met contactverlies, ouderonthechting en hechtingsproblematiek. Door middel van de methodiek komt er meer inzicht voor ouders en kinderen in wat de wensen en grenzen van de kinderen zijn om weer met elkaar in contact te treden.
5.16
De rechtbank is gebleken dat partijen zich hebben ingezet om dit traject te laten slagen. Zij hebben beiden hieraan hun medewerking verleend, waarbij voor de rechtbank op basis van de voorliggende stukken voldoende is vast komen te staan dat de vrouw de minderjarigen in aanloop naar en gedurende dit traject heeft gesteund. De minderjarigen hebben aldus de ruimte gekregen om te onderzoeken wat zij wenselijk vinden in het contact met de man en wat hierin hun behoeften zijn. Desondanks is het traject moeizaam verlopen. [minderjarige 1] heeft uiteindelijk geen start met het traject gemaakt. [minderjarige 2] wel, maar met de nodige vertragingen. Eind 2024/begin 2025 hebben beide minderjarigen aangegeven niet (langer) open te staan voor het traject, hetgeen zij ook afzonderlijk van elkaar hebben aangegeven in een gesprek met de heer [persoon 2] van [hulpverlening 1] waarin (nogmaals) navraag is gedaan over hun wensen en behoeften tot contact met de man. Hierdoor was er geen grond meer om het traject voort te zetten.
5.17
Hoewel de rechtbank de minderjarigen een fijn contact met hun vader gunt, en in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat het hebben en onderhouden van contact tussen een kind en de niet-verzorgende ouder van wie het kind (ook) voor een deel afstemt belangrijk is, is de rechtbank van oordeel dat de omgang tussen de man en de minderjarigen op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Reeds bij de start van de methodiek Berg van Herstel vertoonden de minderjarigen al veel weerstand tegen het contact met de man. Ondanks alle hulpverlening en begeleiding die aan partijen en de minderjarigen vanuit Sterk Huis is geboden, is het niet gelukt om de weerstand van de minderjarigen naar de man te verminderen. Zij wijzen op dit moment, hoewel zij al meer dan drie jaar geen omgang met de man hebben, het contact met de man af. Daarbij geven beide minderjarigen duidelijk aan rust te willen hebben en zich te verzetten tegen iedere vorm van contact met de man. De rechtbank constateert dan ook dat bij de minderjarigen elk draagvlak ontbreekt voor contact met de man. De oplegging van gedwongen contact met de man zal dan ook, gelet op de aanhoudende weerstand die bij de minderjarigen aanwezig is, enkel averechts werken.
5.18
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de man tot nakoming van de omgangsregeling zoals bepaald bij beschikking van rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2016 afwijzen en het verzoek van de vrouw tot ontzegging van het recht van de man tot omgang met de minderjarigen toewijzen op grond van artikel 1:377a, derde lid, onder d, van het BW. In haar oordeel neemt de rechtbank mee dat uit de verslagen van de therapeuten van de minderjarigen blijkt dat zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] vooruitgang en groei laten zien in hun ontwikkeling vanaf het moment dat zij geen contact meer hebben met de man en dit hen niet meer wordt opgelegd. Gelet hierop, en nu er op dit moment geen zicht bestaat op binnen welke termijn er mogelijk wel (weer) mogelijkheden bij de minderjarigen zijn tot contact met de man, zal het omgangsrecht voor onbepaalde tijd worden ontzegd.
5.19
De rechtbank is zich ervan bewust dat deze beslissing zeer pijnlijk en verdrietig voor de man zal zijn. Met een ontzegging van het omgangsrecht van de man wordt naar het oordeel van de rechtbank op dit moment echter het meest recht gedaan aan de belangen van de minderjarigen die centraal staan. Bovendien laat het voorgaande onverlet dat de man zich in geval van wijziging van omstandigheden op grond van artikel 1:377e van het BW en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden met een verzoek tot opheffing van de ontzegging van het recht op omgang. Daarnaast is het advies van de Sterk Huis om jaarlijks bij de minderjarigen na te vragen of zij openstaan voor (indirect) contactherstel met de man. [hulpverlening 1] heeft dit advies van Sterk Huis overgenomen en aangegeven hieraan uitvoering te geven. De rechtbank geeft de vrouw in dit kader verder nog mee dat zij van haar, als gezaghebbende ouder en tevens hoofdopvoeder van de minderjarigen, verwacht dat zij de minderjarigen zal ondersteunen in de omgang met de man wanneer de minderjarigen aangeven hieraan behoefte te hebben.

Informatieregeling
5.20
Op grond van artikel 1:377b, eerste lid, van het BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. Volgens het tweede lid van dit artikel kan de rechter indien het belang van het kind zulks vereist zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.
5.21
De rechtbank stelt vast dat partijen tijdens het hulpverleningstraject bij Sterk Huis met elkaar zijn gaan communiceren via de e-mail waarbij zij de regels gebruiken vanuit de BIFF. Daarbij zijn partijen met elkaar overeengekomen dat de vrouw de man één keer per maand (elke eerste van de maand) informatie geeft over het welzijn en de ontwikkeling van de minderjarigen zowel thuis als op school en over de hulpverlening, en dat de man ook één keer per maand een e-mail naar de vrouw (elke vijftiende van de maand) stuurt waarbij hij vragen kan stellen of kan reageren op de mail van de vrouw.
5.22
Vaststaat dat de vrouw voormelde afspraken omtrent de informatievoorziening van de man nakomt en ook het belang inziet van het informeren van de man. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven bereid te zijn om aan deze afspraken tot aan de volwassenheid van de minderjarigen uitvoering te blijven geven. Hoewel de rechtbank er vanuit gaat dat de vrouw hierin woord zal houden, ziet zij in de moeizame relatie tussen partijen reden om zekerheidshalve een informatieregeling tussen partijen wettelijk vast te leggen, en wel conform de afspraken die partijen hierover reeds met elkaar hebben gemaakt. Daarbij overweegt de rechtbank dat haar op basis van de voorliggende stukken, dat wat ter zitting naar voren is gebracht en door de minderjarigen zelf is aangegeven is gebleken dat de belangen van de minderjarigen zich verzetten tegen een uitgebreidere informatieregeling zoals door de man verzocht. Voor de rechtbank is namelijk vast komen te staan dat de minderjarigen er moeite mee hebben dat informatie over hen wordt gedeeld met de man, waarbij zij ten aanzien van het verstrekken van foto’s van hen aan de man alsook het delen van hun adresgegevens uitdrukkelijk hebben laten weten dat zij dat niet willen. Gelet op de leeftijd van de minderjarigen is de rechtbank van oordeel dat de mening van de minderjarigen serieus moet worden meegewogen bij de beoordeling van het verzoek van de man, waarbij het belang van de minderjarigen bij eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer prevaleert boven het belang van de man om ook door middel van kennisneming van de adresgegevens en foto’s van de minderjarigen geïnformeerd te worden over waar en de wijze waarop de minderjarigen opgroeien.

Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.23
De rechtbank zal deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beschikking zal gelden ook wanneer één van de partijen daartegen hoger beroep zou instellen (hoger beroep schort de tenuitvoerlegging van de beschikking niet op).

Proceskosten
5.24
De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de proceskosten. Een dergelijk verzoek is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van het procesrecht of onrechtmatig handelen. Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke compensatie van proceskosten in familiezaken. Zij zal het verzoek van de vrouw tot proceskostenveroordeling van de man afwijzen, en bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

Brief minderjarigen
5.25
De rechtbank vindt het belangrijk om de minderjarigen een brief te sturen waarin de beslissingen die de rechtbank heeft genomen aan hen kenbaar worden gemaakt en beide partijen daarvan op de hoogte te stellen. In deze brief, die naar het adres van de vrouw wordt verzonden, lezen de minderjarigen het volgende.

Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,

Zoals jullie weten zijn jullie ouders een procedure bij de rechtbank gestart. Zij hebben verschillende verzoeken gedaan aan de rechtbank. [minderjarige 1] heeft over deze verzoeken haar mening gegeven in een gesprek met mij en [minderjarige 2] in een brief die zij aan mij heeft geschreven.

Ik heb goed geluisterd naar [minderjarige 1] in het gesprek. Ook heb ik de brief van [minderjarige 2] goed gelezen. Jullie hebben alle twee heel duidelijk gemaakt hoe het gaat en wat jullie graag willen. Ik vind dat heel knap.

Op de zitting heb ik met jullie ouders en hun advocaten gesproken. Ook was op de zitting een mevrouw van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig.

Ik heb goed nagedacht over de verzoeken. Gelet op hoe de situatie nu is, heb ik besloten dat het voor [minderjarige 1] beter is wanneer jullie vader niet langer meer het gezag over haar heeft. Dit betekent dat jullie moeder voortaan alleen het gezag over [minderjarige 1] heeft, net zoals dat bij [minderjarige 2] het geval is. Ook vind ik contact en omgang met jullie vader op dit moment niet in jullie belang. Besloten is daarom om het recht van jullie vader op omgang te ontzeggen. Dat betekent dat jullie vader geen contact met jullie mag opnemen en opeisen. Als jullie op een later moment wel weer open zouden staan voor omgang met jullie vader, mag dat natuurlijk wel. Jullie zijn hierin vrij en mogen dit zelf bepalen. Verder heb ik besloten dat jullie moeder, zoals zij dit nu al doet, elke maand een e-mail naar jullie vader moet sturen waarin zij aangeeft hoe het met jullie gaat thuis en op school en de hulpverlening die jullie krijgen. De adresgegevens hoeft jullie moeder niet te geven en ook hoeft zij geen foto(‘s) van jullie naar jullie vader te sturen.

Ik hoop dat met deze brief duidelijk is welke beslissingen ik heb genomen. Ik wens jullie het allerbeste en ik bedank jullie beiden voor het geven van je mening.

Deze brief wordt ook opgenomen in de beschikking die jullie ouders en de Raad voor de Kinderbescherming krijgt.

Met vriendelijke groet,

De kinderrechter,

mr. Van de Kraats.
<nr>6</nr>De beslissing
De rechtbank:
6.1
beëindigt het gezamenlijk gezag over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011 en bepaalt dat het gezag over voornoemde minderjarige voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
6.2
ontzegt de man met ingang van heden het recht op omgang met de minderjarigen voor onbepaalde tijd;
6.3
bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per maand, telkens op de eerste van de maand, per e-mail informeert over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij informatie wordt verstrekt over hun ontwikkeling en welzijn zowel thuis als op school en de hulpverlening die zij ontvangen, en dat de man eenmaal per maand per e-mail, telkens op de vijftiende van de maand, vragen kan stellen of kan reageren op de e-mail van de vrouw;
6.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.6
wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Artikel delen