Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:5880
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-07-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
26002952
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
ECLI:NL:RBZWB:2026:5880text/xmlpublic2026-08-03T10:22:542026-07-02Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-0226002952UitspraakRaadkamerNLBredaStrafrecht; Materieel strafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5880text/htmlpublic2026-08-03T10:22:302026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:5880 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-07-2026 / 26002952 Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen.
datum : 2 juli 2026 beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klaagster] ,
geboren op [geboortedag] 2000,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. A.A.T.X. Vonken, Wilhelminasingel 92, 6221 BL Maastricht, hierna te noemen: de klaagster, tevens beslagene. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 29 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank; de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 19 november 2025 onder beslagene in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf] GmbH in beslag is genomen: een Volkswagen, type Polo GTI met het Duitse kenteken [kenteken] . de reactie van de officier van justitie en de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer. Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klaagster en mr. Vonken, advocaat van klaagster, gehoord. De belanghebbende (tevens verdachte) is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit is: [bedrijf] GmbH. Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat zij de auto heeft gekregen van haar partner [persoon 1] , Ze wist dat de auto nog op haar naam gezet moest worden, maar is daar te laks in geweest. De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klaagster onvoldoende heeft aangetoond dat zij rechthebbende is. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring oordeelt. Om die reden dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard. 2. De beoordeling De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is tijdig ingediend. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klaagster ontvankelijk is in haar klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klaagster uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klaagster ontvankelijk is. Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klaagster daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift. De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt. Op 19 november 2025 werd klaagster samen met haar vriend aangehouden in de Volkswagen Polo en verklaarde zij tegen de politie dat ze het voertuig hadden geleend van [persoon 2] . [persoon 2] is bestuurder van [bedrijf] GmbH waar de auto ook op naam stond. Gelet hierop heeft klaagster niet aangetoond dat zij de redelijkerwijs rechthebbende is. Klaagster zegt nog stukken over het eigendom te kunnen overleggen, maar gelet op de verklaring die zij aflegde bij haar aanhouding, ziet de rechtbank hierin geen meerwaarde. Dit leidt tot de conclusie dat het klaagschrift reeds hierom ongegrond moet worden verklaard. 3De beslissing De rechtbank verklaart: - het klaagschrift ongegrond. Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026. INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).