Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:5889
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-07-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
25018443
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
ECLI:NL:RBZWB:2026:5889text/xmlpublic2026-08-03T10:22:562026-07-02Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-0225018443UitspraakRaadkamerNLBredaStrafrecht; Materieel strafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5889text/htmlpublic2026-08-03T10:17:392026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:5889 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-07-2026 / 25018443 Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen.
datum : 02 juli 2026 beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klaagster] B.V.,
vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger],
gevestigd aan de [adres] , [postcode] [plaats] ,
mr. J.N.A. Kilian, advocaat te Tilburg, hierna te noemen: de klaagster. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 16 juli 2025 ter griffie van deze rechtbank; de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 15 december 2025 in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] GmbH en [persoon 2] onder deze [persoon 2] in beslag is genomen: een Ford Bronco met Duits kenteken [kenteken 1] en een Hymer Grand Canyon S Camper met Duits kenteken [kenteken 2] ; het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 23 december 2025; de reactie van de officier van justitie en de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer. Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, de heer [vertegenwoordiger] (namens klaagster) en mr. Kilian als raadsman van klaagster gehoord. De belanghebbende, de heer [persoon 2] , tevens verdachte en beslagene, is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Wel is verschenen zijn raadsman mr. A.J.C.M. de Graaf, advocaat te Breda. Ook belanghebbende, tevens verdachte, [bedrijf 1] GmbH, is niet verschenen. Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Namens klaagster is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend hierop stelt klaagster de volledige koopsom voor de Ford te hebben betaald via bankoverschrijving aan [persoon 2] . Uit de overgelegde notariële vaststellingsovereenkomst tussen klaagster en [persoon 2] volgt eveneens dat klaagster eigenaar van de inbeslaggenomen Ford Bronco is en dat klaagster te goeder trouw is geweest. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel klaagster als haar vertegenwoordiger, de heer [vertegenwoordiger] , verdachten zijn. Er is sprake van een schijnconstructie tussen klager en [persoon 2] . Onder die omstandigheden is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend tot verbeurdverklaring van de Ford komt. Mr. A.C.J.M. de Graaf heeft verklaart:
Mijn cliënt wil dat klaagster de Ford en de Hymer terugkrijgt. 2De beoordeling De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is tijdig ingediend. Klaagster is ontvankelijk in haar beklag. Er is één klaagschrift ingediend op naam van [de klaagster] B.V. en [bedrijf 2] B.V., die beiden klagen over de teruggave van de Ford Bronco en [bedrijf 3] BVBA, dat klaagt over de Hymer Grand Canyon S. Camper. De rechtbank zal, gelet hierop, in drie separate beslissingen op het klaagschrift beslissen, namelijk ten behoeve van [de klaagster] B.V. en [bedrijf 2] B.V. over de Ford Bronco en voor [bedrijf 3] BVBA over de Hymer Grand Canyon S. Camper. In deze klaagschriftprocedure is dus aan de orde het beslag op de Ford Bronco. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard. Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. In dit geval is klaagster een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt. Klaagster stelt rechthebbende te zijn en klaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave. De rechtbank zal dan bij de beoordeling ook rekening moeten houden met art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr. In dit artikel is bepaald onder welke voorwaarden een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort kan worden verbeurd verklaard. Die verbeurdverklaring is mogelijk als de rechthebbende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat kort gezegd er een relatie bestaat tussen het voorwerp en een strafbaar feit. De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 1] GmbH, [bedrijf 4] UG en [bedrijf 5] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven.
Voor klaagster geldt dat de auto waarvan zij stelt eigenaar te zijn, op 15 december 2025 in beslag is genomen. Klaagster is zelf niet de beslagene. Voor deze auto staat vast dat deze geregistreerd stond op naam van [bedrijf 1] GmbH en in beslag is genomen onder [persoon 2] . Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit op zichzelf een ongebruikelijke gang van zaken is. Klaagster heeft in het aanvullend klaagschrift en in raadkamer echter uitvoerig uitgelegd waarom de auto in Duitsland geregistreerd stond en dit ook met stukken, waaronder aankoopfacturen, onderbouwd. Klaagster heeft aangegeven de auto te hebben gekocht bij [persoon 2] . Inmiddels is er een vaststellingsovereenkomst bij een notaris opgesteld waarbij [persoon 2] ook heeft verklaard dat de auto aan klaagster toebehoort. De rechtbank leest in deze vaststellingovereenkomst dat er bedragen vanuit [persoon 2] aan [bedrijf 3] dienen te worden betaald. Hoewel deze overeenkomst wat vragen oproept, is dit onvoldoende om te oordelen dat er sprake is geweest van een witwasconstructie zoals bedoeld in het onderzoek Durmstrang waarbij klaagster enige betrokkenheid heeft gehad. De rechtbank ziet zich gesterkt door de uitvoerige uitleg in het klaagschrift en in raadkamer. Klaagster heeft namelijk gesteld over voldoende financiële middelen te beschikken om het onderhavige voertuig te kunnen bekostigen en heeft hiertoe ook stukken overgelegd, waaronder een aankoopfactuur van de auto.
Tegen die achtergrond en oordelend op basis van de beperking hoeveelheid stukken waar de rechtbank thans over beschikt, begrijpt zij de officier van justitie niet in zijn standpunt dat klaagster als verdachte van witwassen wordt gezien. Zij acht het ook niet niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter die uiteindelijk inhoudelijk over de zaak zal oordelen, op basis van een veroordeling voor witwassen tot verbeurdverklaring zal overgaan.
De officier van justitie heeft in raadkamer gesteld dat klaagster ook als verdachte van BPM-fraude en mogelijk als verdachte van valsheid in geschrifte wordt gezien. De rechtbank is van oordeel dat zelfs als de inhoudelijke rechter uiteindelijk tot een veroordeling van klaagster voor deze strafbare feiten zou komen - hetgeen nog de vraag is - de kans minimaal is dat deze zelfde rechter tot verbeurdverklaring van de onderhavige auto zal overgaan. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank nadrukkelijk de hoge waarde van de auto. Het alsnog moeten betalen van de verschuldigde BPM en aansluitend een boete lijkt veel meer in de rede te liggen.
Nu er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende van de Ford Bronco is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren en de teruggave gelasten van onderhavige auto. 3De beslissing De rechtbank verklaart: - het klaagschrift gegrond voor zover het is gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag op de Ford Bronco met Duits kenteken [kenteken 1] en gelast de teruggave aan klaagster. Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026. INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering). Bijlage:
-de pleitnota, overgelegd op de zitting van 4 juni 2026. ECLI:NL:HR:2010:BL2823.