Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:5893

Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking voor witwassen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:5893 text/xml public 2026-08-03T10:49:42 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-02 25032736 Uitspraak Raadkamer NL Breda Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5893 text/html public 2026-08-03T10:48:46 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:5893 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-07-2026 / 25032736
Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking voor witwassen.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht

Zittingsplaats Breda

parketnummer : 02-265165-25

raadkamernummer : 25-032736

datum : 02 juli 2026

beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

Besloten Vennootschap [de klaagster/beslagene] (hierna: [de klaagster/beslagene] ),

vertegenwoordigd door de heer [persoon] ,

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T. van den Wildenberg, advocaat te 's-Hertogenbosch, (Rompertsebaan 70, 5231 GT 's-Hertogenbosch),

hierna te noemen: de klaagster, tevens beslagene.
<nr>1</nr>De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 18 december 2025 ter griffie van deze rechtbank;

de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv artikel 94a Sv, waaruit blijkt dat op 19 november 2025 onder beslagene [persoon] in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf 1] UG in beslag is genomen: een Mercedes Benz met kenteken [kenteken] ;

de reactie van de officier van justitie en

de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.

Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klaagster en mr. Van den Wildenberg, raadsman van klaagster, gehoord.

De belanghebbende (tevens verdachte) is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit is: [bedrijf 1] UG.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Namens klaagster is een pleitnota overgelegd. De inhoud van deze pleitnota kan hier als ingelast worden beschouwd en zal als bijlage bij deze beslissing worden gevoegd. Aanvullend is namens klaagster verklaard dat de politie de administratie van de [de klaagster/beslagene] heeft onderzocht en geconcludeerd heeft dat er geen sprake was van witwassen omdat de gelden niet afkomstig waren van enig misdrijf. Een veroordeling voor witwassen ligt dan niet in de rede. Zelfs als klaagster of haar vertegenwoordiger de heer [persoon] wel voor valsheid in geschrifte veroordeeld zou worden, dan is het juridisch uitgesloten dat een verbeurdverklaring volgt omdat de juridische drempel voor een verbeurdverklaring niet gehaald wordt. Ten slotte is de voortduring van het beslag in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel klaagster als de heer [persoon] verdachten zijn. De officier van justitie heeft gemeld dat tevens artikel 94a beslag aan de orde is en heeft hiertoe een machtiging conservatoir beslag overgelegd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend, tot verbeurdverklaring komt. Bij een valsheid in geschrifte zal op grond van artikel 94a Sv een geldboete worden opgelegd. Ook dat is reden om het klaagschrift ongegrond te verklaren.
<nr>2</nr>De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.

Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in haar beklag.

De klaagschriftprocedure kent niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene daarover een klaagschrift heeft ingediend (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

De rechtbank zal bij haar overwegingen rekening houden met het feit dat de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat zowel de [de klaagster/beslagene] als de heer [persoon] als verdachten dienen te worden aangemerkt. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat de officier van justitie heeft gesteld dat het beslag rust op zowel artikel 94 Sv als artikel 94a Sv en de rechtbank zal dan ook beide grondslagen toetsen.

Artikel 94 Sv:

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:

a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,

b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.

Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:

- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of

- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of

- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.

De rechtbank stelt op grond van de thans voorhanden zijnde stukken vast dat binnen het onderzoek ‘Durmstrang’ drie Duitse ondernemingen als verdachte zijn aangemerkt. Die ondernemingen zijn [bedrijf 2] GmbH, [bedrijf 1] UG en [bedrijf 3] UG. Deze ondernemingen hadden bij de aanvang van onderzoek Durmstrang een groot aantal voertuigen op hun naam staan terwijl zij hiervan niet de eigenaren waren. Het betroffen overwegend exclusieve en kostbare voertuigen, die vaak werden bestuurd door personen met antecedenten en die regelmatig betrokken waren bij verdachte situaties. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat personen die hun voertuig op naam van deze ondernemingen hebben laten registeren, hun identiteit wilden verhullen, crimineel geld wilden witwassen of BPM-fraude wilden plegen. Voorts bestaat in een aantal zaken de verdenking dat de eigenaren valsheid in geschrifte hebben gepleegd teneinde een valse voorstelling van zaken te kunnen geven.

Voor klaagster geldt dat de auto waarvan zij stelt eigenaar te zijn, op 19 november 2025 onder haar in beslag is genomen. Voor deze auto staat vast dat deze geregistreerd stond op naam van [bedrijf 1] UG. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit op zichzelf een ongebruikelijk gang van zaken is. Klaagster heeft in het (aanvullend) klaagschrift en in raadkamer echter uitvoering uitgelegd waarom de auto in Duitsland geregistreerd stond en dit ook met stukken onderbouwd. Voorts heeft klaagster gesteld over voldoende financiële middelen te beschikken om het onderhavige voertuig te kunnen bekostigen en heeft daartoe ook stukken overgelegd. Daarnaast stelt de rechtbank met de raadsman vast dat de politie heeft aangegeven klaagster en [persoon] niet als verdachte van witwassen te zien (p.83 van het raadkamer-pv). Tegen die achtergrond acht de rechtbank het ook niet niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter die uiteindelijk inhoudelijk over de zaak zal oordelen, op basis van een veroordeling voor witwassen tot verbeurdverklaring zal overgaan.

De officier van justitie heeft in raadkamer gesteld dat klaagster mogelijk ook als verdachte van BPM-fraude en als verdachte van valsheid in geschrift wordt gezien. De rechtbank is van oordeel dat, zelfs als de inhoudelijke rechter uiteindelijk tot een veroordeling van klaagster voor deze strafbare feiten zou komen - hetgeen nog de vraag is -, de kans minimaal is dat deze zelfde rechter tot verbeurdverklaring van de onderhavige auto zal overgaan. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank nadrukkelijk de hoge waarde van de auto. Het alsnog moeten betalen van de verschuldigde BPM en aansluitend een boete lijkt veel meer in de rede te liggen.

Nu er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van Mercedes Benz met kenteken [kenteken] is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren en de teruggave van de auto aan klaagster gelasten.

Artikel 94a Sv:

De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechter, bij een artikel 94a, eerste, tweede of derde lid, Sv beslag onderzoeken:

( i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd;

en

(ii) of zich het geval voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete zal opleggen. In dat geval echter is het beslag op een dure auto als de onderhavige niet proportioneel. Ook om die reden dient het klaagschrift gegrond te worden verklaard.
<nr>3</nr>De beslissing
De rechtbank verklaart:

- het klaagschrift gegrond voor zover het is gericht tegen het op grond van artikel 94 en 94a Sv gelegde beslag op Mercedes Benz met kenteken [kenteken] en gelast de teruggave van de auto aan klaagster.

Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier,

en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).

Bijlage:

-de pleitnota, overgelegd op de zitting van 4 juni 2026.

ECLI:NL:HR:2010:BL2823.

ECLI:NL:HR:2010:BL2823.

Artikel delen