Vader en minderjarige gerechtigd tot contact met elkaar onder leiding en regie van de GI.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:5972
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
C/02/446341 / JE RK 26-499
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
ECLI:NL:RBZWB:2026:5972text/xmlpublic2026-08-06T12:22:332026-07-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-06-03C/02/446341 / JE RK 26-499UitspraakRekestprocedureBeschikkingNLBredaCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5972text/htmlpublic2026-08-06T12:22:142026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:5972 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-06-2026 / C/02/446341 / JE RK 26-499 Vader en minderjarige gerechtigd tot contact met elkaar onder leiding en regie van de GI.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/446341 / JE RK 26-499
Datum uitspraak: 3 juni 2026 Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken in de zaak van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI, over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R.G.J. van Kerhof,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. T. Möller. 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026; de brief van 20 mei 2026 van de advocaat van vader; het bericht van 21 mei 2026 van de advocaat van moeder. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- middels een videobelverbinding de waarnemend advocaat van vader, mr. I.A.C. Cools;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De vader is, met bericht aan de rechtbank, niet verschenen. 2De feiten2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2.
[minderjarige] woont met haar moeder in een moeder-kindhuis. 2.3.
[minderjarige] staat onder toezicht van de GI, deze maatregel loopt tot 28 juli 2026. 3Het verzoek3.1. De GI verzoekt op grond van artikel 1:265g lid 1 BW een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen in die zin dat [minderjarige] eenmaal per twee weken bij vader verblijft van zaterdagochtend 10.00 uur op station [plaats 1] tot zondagavond 19.30 uur op station [plaats 2] . De GI verzoekt verder dat de regie over de zorgregeling bij haar wordt belegd en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten4.1. De GI legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. Eén van de doelen van de ondertoezichtstelling is dat [minderjarige] onbelast contact heeft met beide ouders. Sinds oktober 2025 wordt binnen het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt aan het opbouwen van een contactregeling tussen [minderjarige] en haar vader. Het contact is inmiddels ontwikkeld richting een weekendregeling. Ouders hebben geen direct contact met elkaar, communicatie verloopt via tussenpersonen, zoals hulpverleners van de verblijfplaats van moeder, [gezinshuis] . Er is sprake van aanhoudend wantrouwen tussen ouders. Met name moeder ervaart wantrouwen richting vader. Zij geeft aan zich zorgen te maken wanneer [minderjarige] bij vader verblijft, omdat zij dan geen direct zicht heeft op de situatie. Vanuit de GI zijn er geen concrete zorgen over de opvoed- en leefsituatie van [minderjarige] bij vader. Vanaf maart 2026 is er gestart met hulpverlening vanuit De Gezinsmanager die ook observaties zal uitvoeren in beide opvoed- en leefsituaties van ouders. De bereikte weekendregeling is enkele keren volgens afspraak verlopen. Op 28 februari 2026 heeft moeder echter besloten [minderjarige] niet naar de geplande omgang te brengen, omdat haar zorgen over de situatie bij vader waren toegenomen. Moeder gaf daaropvolgend bij de GI aan dat zij het onverantwoord vindt om [minderjarige] naar vader te laten gaan, omdat zij het gevoel heeft dat [minderjarige] daar niet op een verantwoorde manier wordt verzorgd. Hiervoor zijn echter geen concrete signalen of objectieve aanwijzingen vastgesteld. Moeder geeft aan dat ze [minderjarige] niet meer naar vader wil brengen. De GI ziet zich genoodzaakt het onderhavige verzoek in te dienen. Het doel hiervan is om het contact tussen [minderjarige] en haar vader, maar ook het contact tussen beide ouders te waarborgen en duidelijkheid en stabiliteit te creëren rondom de uitvoering van de contactregeling. Ter zitting heeft de GI toegelicht dat het laatste contactmoment tussen [minderjarige] en haar vader half februari heeft plaatsgevonden en de vader sinds half maart in Suriname verblijft. Het was de bedoeling dat de vader op 19 april 2026 terug zou keren naar Nederland, maar tot op heden is hij nog in Suriname. Er heeft in de tussentijd geen contact plaatsgevonden tussen vader en [minderjarige] . De GI handhaaft haar verzoek, maar zal bij terugkomst van vader het contact langzaamaan opbouwen en gelijktijdig De Gezinsmanager inschakelen om de contactmomenten te observeren. Op de zorgen van moeder en de hulpverleners van [gezinshuis] , zoals die ter zitting door moeder zijn aangedragen, heeft de GI desgevraagd verklaard deze zorgen intern met de gedragswetenschapper werkzaam bij de GI te hebben besproken. De visie van de gedragswetenschapper van de GI is dat [minderjarige] last heeft van spanningen van de ouders bij de overdrachtsmomenten en er geen signalen van onveiligheid zijn. Verder zou [minderjarige] geen emotionele toestemming voelen van moeder om contact te hebben met haar vader. 4.2. Vader kan zich vinden in het onderhavige verzoek van de GI. Hij wenst dat er duidelijke afspraken komen zodat het contact tussen hem en [minderjarige] gewaarborgd blijft. Hij wil een actieve rol vervullen in het leven van [minderjarige] . Hij maakt zich zorgen dat als er geen duidelijke afspraken worden vastgelegd, zijn betrokkenheid in het leven van [minderjarige] onvoldoende stabiel kan worden vormgegeven. Ter zitting is namens vader toegelicht dat er sprake moet zijn van een ondergrens voor wat betreft de zorgregeling. Het is verder begrijpelijk dat het contact bij terugkeer van vader weer opgebouwd moet worden. Onduidelijk is op dit moment wanneer de vader weer terug zal keren naar Nederland. 4.3. Door en namens moeder is naar voren gebracht dat er zorgen bestaan over de contactmomenten bij de vader. [minderjarige] is normaliter een vrolijk kind dat veel praat. Tijdens de overdrachtsmoment praat [minderjarige] echter in het geheel niet. De hulpverleners van [gezinshuis] is dit ook opgevallen. De hulpverleners en de gedragswetenschapper van [gezinshuis] hebben gemeend bij brief van 18 februari 2026 melding van de zorgen te maken bij de GI. Hierin is onder andere opgenomen dat vader vrijwel geen bijzonderheden communiceert tijdens de overdrachtsmomenten. Ook een zogenoemd ‘heen-en-weer’-schriftje wordt door vader niet ingevuld. Daarnaast is vader niet altijd op tijd op de afgesproken overdrachtsmomenten, zonder dat hij communiceert dat hij later is. Verder zijn de hulpverleners de rode ogen van vader opgevallen en vragen zij zich af of middelengebruik speelt bij vader. Al met al zien ze een ander kind bij terugkomst van de contactmomenten en bestaan daar zorgen over. Bij moeder spelen verder vermoedens dat [minderjarige] geslagen wordt tijdens de contactmomenten met vader en er is niet altijd andere familie aanwezig bij vader als [minderjarige] bij hem verblijft. Moeder is het er absoluut mee eens dat vader in het leven van [minderjarige] is, maar dit moet wel veilig zijn. Daarnaast moet hij de contactmomenten consequent nakomen. Het is sprekend voor vader dat hij vaker langere periodes in het buitenland bij familie verblijft en als hij dan weer terug is in Nederland wil hij meteen deel uitmaken van het leven van [minderjarige] . 4.4. De Raad heeft ter zitting aangegeven dat de vader duidelijkheid dient te geven over de tijdsduur van zijn verblijf in het buitenland en waarom dit zo veel langer is dan aanvankelijk door hem is aangegeven. Hij moet inzet tonen en afspraken nakomen voor wat betreft de zorgregeling. De GI mag hier strakker regie op voeren. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] , kan zij zo’n lange tijd geen contact met haar vader niet overzien. De weekendregeling meteen in zijn geheel hervatten bij terugkomst van de vader in Nederland, acht de Raad niet in het belang van [minderjarige] . Een onbelast contact met beide ouders is in het belang van [minderjarige] en een van de doelen van de ondertoezichtstelling. Onduidelijk is echter waarom [minderjarige] ander gedrag laat zien tijdens de overdrachtsmomenten en na afloop van het overdrachtsmoment. De Gezinsmanager zal uit moeten zoeken waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt; van spanningen tussen de ouders of onveiligheid bij de vader. Afhankelijk van de uitkomst, kan er daarna een plan van aanpak komen voor ouders of een veiligheidsplan. De GI moet ook uitzoeken of vader bekend is met middelengebruik. Moeder kan al dan niet gerustgesteld worden in de zorgen die zij heeft als er meer duidelijkheid komt. Het is dus van belang dat De Gezinsmanager snel kan starten met de observaties en begeleide omgangen. Het is nu onduidelijk of de door de GI verzochte zorgregeling in het belang van [minderjarige] is. Het kan een doel op zich zijn om tot deze zorgregeling te komen, maar dan moeten eerst voornoemde punten goed uitgezocht zijn. 5De beoordeling5.1. Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. 5.2. De kinderrechter constateert dat zich na indiening van het verzoek door de GI zich nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan. Vader verblijft al voor langere tijd in Suriname en onduidelijk is wanneer hij terugkeert naar Nederland. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij vader strakker houdt aan zijn verplichtingen en verantwoordelijkheden voor wat betreft de contactmomenten met [minderjarige] . Het is niet in haar belang, met name gelet op haar jonge leeftijd, dat de contactmomenten (voor lange(re) tijd) onderbroken worden. Verder acht de kinderrechter het van belang dat De Gezinsmanager zo snel mogelijk het traject van observaties en begeleide omgangen kan starten bij vader. Daarvoor is noodzakelijk dat vader terugkeert naar Nederland, aangezien het proces nu vertraagd wordt. Het verzoek in zijn huidige vorm acht de kinderrechter niet in het belang van [minderjarige] , aangezien er op dit moment teveel onduidelijkheden bestaan. De Gezinsmanager zal eerst goed uit moeten zoeken waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt dat gezien wordt tijdens de overdrachtsmomenten en na de contactmomenten met vader. De Gezinsmanager zal de interactie tussen [minderjarige] en haar vader tijdens de begeleide contactmomenten in kaart moeten brengen alsmede de opvoedsituaties bij beide ouders. Afhankelijk van die uitkomst zal daarvoor een plan van aanpak moeten komen voor ouders, dan wel een veiligheidsplan. De GI zal ook contact moeten leggen met de gedragswetenschapper van [gezinshuis] , nu deze intensiever betrokken is bij moeder en [minderjarige] dan de interne gedragswetenschapper van de GI. Ook zal de GI nader onderzoek moeten doen naar eventueel middelengebruik door vader. De kinderrechter is in beginsel van mening dat recht bestaat op contact tussen de vader en [minderjarige] , en toegewerkt wordt naar een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals door de GI verzocht. Van belang is echter dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan structureel wordt nagekomen door vader en de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd is. De regie hiervoor ligt bij de GI om dit te bewerkstelligen. De nodige stappen moeten nog worden gezet. De kinderrechter zal dan ook bepalen dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar, en dat de regie hiervoor bij de GI ligt, een en ander met inachtneming van het hiervoor overwogene. 5.3. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1. bepaalt dat de vader en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar onder leiding en regie van de GI, een en ander met inachtneming van het in 5.2 overwogene; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.3. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.