RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/418757 FA RK 24-532
datum uitspraak: 3 juni 2026
Nadere beschikking over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hoofdverblijf, ouderlijk gezag en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer,
en
[de man]
,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Elias.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 5 september 2024 en alle daarin vermelde stukken;
- het op 29 april 2025 ontvangen gewijzigd zelfstandig verzoek van de man;
- de op 28 augustus 2025 ontvangen rapportage van het Uniform Hulpaanbod (UHA);
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 17 oktober 2025;
- de op 26 februari 2026 ontvangen rapportage van de Raad;
- het op 8 mei 2026 ontvangen gewijzigd zelfstandig verzoek van de man;
- de brief van mr. Van Reeven-Özer van 12 mei 2026 tevens houdende aanvullend verzoek;
- de brief van mr. Elias van 15 mei 2026;
- het F9-formulier van 28 mei 2026 van mr. Elias houdende overeenstemming tussen partijen voor wat betreft de kinderalimentatie;
- het F9-formulier van 29 mei 206 van mr. Van Reeven-Özer houdende bevestiging van de overeenstemming zoals geformuleerd door mr. Elias.
1.2 De zaak is, gelijktijdig met de zaak met procedurenummer C/02/445417 JE RK 26/329 (verzoek ondertoezichtstelling), behandeld op de mondelinge behandeling van 18 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling (GI).
1.3 De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. [minderjarige 1] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4 Naar aanleiding van het behandelde ter zitting hebben beide partijen, op hun verzoek, tot 28 mei 2026 gelegenheid gekregen om in overleg te gaan voor wat betreft de kinderalimentatie. Zij hebben de rechtbank bij F9-formulieren van 28 en 29 mei 2026 bericht dat overeenstemming is bereikt ten aanzien van de kinderalimentatie.
2De nu nog voorliggende verzoeken
2.1
De vrouw verzoekt, samengevat:
wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
dat zij voortaan alleen met het ouderlijk gezag wordt belast over [minderjarige 2] .
2.2
De man verzoekt, samengevat:
te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] voortaan bij de man ligt;
de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] te wijzigen in die zin dat [minderjarige 1] bij de vrouw is in de even weken van woensdag uit school tot maandag naar school in de oneven weken. Mocht deze dag in een vakantieweek vallen dan dient het wisselmoment op de maandag om 10.00 uur te zijn en op de woensdag om 12.30 uur;
Bij toewijzing van de verzoeken van de man de onderhoudsbijdrage hiermee in overeenstemming te brengen, met de gegevens zoals die door het Hof ’s-Hertogenbosch zijn gehanteerd.
3De beoordeling
3.1
Bij voormelde beschikking is een door de man de betalen onderhoudsbijdrage bepaald voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] vastgesteld. De definitieve beslissing op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is daarbij aangehouden, in afwachting van de resultaten van het (jeugd)hulptraject. Partijen zijn bij dezelfde beschikking verwezen naar het Uniform Hulpaanbod voor de inzet van hulpverlening, waarbij de rechtbank aan heeft gegeven dat het prioriteit is dat gewerkt wordt aan het herstel van vertrouwen en contact tussen [minderjarige 2] en de man.
3.2
Uit de rapportage van het UHA blijkt dat het traject niet positief is afgesloten. De hulpverlening stelt dat er een duidelijke zorgregeling moet komen, maar dat het ouders niet lukt om daarover afspraken te maken. Ouders communiceren in het geheel niet met elkaar. Het herstel van contact en vertrouwen tussen [minderjarige 2] en de man is niet gelukt. [minderjarige 1] is nu degene die als boodschapper fungeert tussen ouders. De man heeft aangegeven niet meer voor hulpverlening open te staan. De hulpverlening is van mening dat er hulpverlening in het gedwongen kader nodig is zodat ouders leren afspraken te maken in het belang van hun kinderen.
3.3
Bij brief van 17 oktober 2025 heeft de Raad aangegeven een gezag- en omgangsonderzoek te starten, waarbij tevens overwogen zal worden of een beschermingsonderzoek nodig is. Op 26 februari 2026 is de rapportage van de Raad ontvangen. Hieruit blijkt dat, kort samengevat, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgroeien in een situatie waarin sprake is van een langdurige en escalerende ouderlijke strijd. Hulpverlening heeft niet geleid tot duurzame verbetering in de samenwerking tussen ouders of tot herstel van het contact tussen [minderjarige 2] en haar vader. [minderjarige 1] bevindt zich in een kwetsbare positie tussen ouders. Er zijn signalen van een loyaliteitsconflict, waarbij [minderjarige 1] rekening houdt met de gevoelens en reacties van beide ouders. Deze spanningen kunnen een negatieve invloed hebben op zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en school functioneren. Bij [minderjarige 2] zijn zorgen nadrukkelijker aanwezig op emotioneel en psychisch vlak. Zij heeft inmiddels circa twee jaar geen fysiek contact met vader gehad. Eventueel contact met vader roept bij haar sterke spanning en onzekerheid op. Zij voelt zich door vader onvoldoende gehoord en gezien. Gelet op het voorgaande heeft de Raad een ondertoezichtstelling verzocht voor de duur van een jaar. Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken adviseert de Raad dat de regeling voor [minderjarige 1] wordt vastgesteld conform de feitelijke situatie, zodat hij bij moeder verblijft in de even weken van woensdag uit school tot maandag naar school in de oneven weken, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties- en feestdagen. [minderjarige 1] geeft namelijk aan zich prettig te voelen bij deze regeling. Het biedt hem stabiliteit, rust en duidelijkheid wanneer de regeling aansluit bij zijn huidige leef praktijk. Het wijzigen van deze regeling, tegen zijn uitdrukkelijke wens in, zou naar verwachting leiden tot verdere loyaliteitsproblematiek en emotionele belasting. Het is wel van belang dat binnen deze regeling wordt gewaarborgd dat [minderjarige 1] onbelast contact kan onderhouden met zijn moeder en dat ouders hun communicatie zodanig vormgeven dat [minderjarige 1] niet langer klem komt te zitten tussen hen. Binnen de ondertoezichtstelling dient hier actief op gemonitord te worden. Ten aanzien van [minderjarige 2] adviseert de Raad dat er geen zorgregeling wordt vastgesteld. Dit is niet in het belang van [minderjarige 2] , omdat fysiek contact met vader momenteel te belastend en te beangstigend is. Contactherstel tussen haar en haar vader dient ook onder regie plaats te gaan vinden. De Raad adviseert de rechtbank de definitieve beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2] aan te houden voor de periode van een jaar, in afwachting van het verloop van de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling.
3.4
De man heeft reeds voorafgaand aan de afronding van het UHA-traject en het onderzoek door de Raad aanvullend verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen en vaststelling van een zorgregeling zoals die al langere tijd uitgevoerd wordt en nu ook door de Raad is geadviseerd. Bij brief van 8 mei 2026 wordt namens de man verzocht om de kinderalimentatie in overeenstemming te brengen met de feitelijk situatie, indien zijn aanvullende verzoeken worden toegewezen.
3.5
Bij brief van 12 mei 2026 is namens de vrouw bericht dat zij graag had gezien dat het contact tussen [minderjarige 2] en haar vader anders zou worden en daarin een positieve ontwikkeling zich zou voordoen, maar dat zich dat helaas de afgelopen twee jaar niet heeft voorgedaan. De vrouw verwacht ook niet dat er een positieve verandering aan de orde zal zijn, gelet op de houding die de man richting [minderjarige 2] heeft aangenomen. [minderjarige 2] is door de man namelijk niet geïnformeerd over zijn aanstaande huwelijksfeest. Dit heeft [minderjarige 2] hard geraakt. De vrouw is van mening dat [minderjarige 2] rust en duidelijkheid nodig heeft zodat zij zich kan richten op haar PMT en EMDR-therapie en deze succesvol af te ronden. Dit betekent dat er geen concrete regeling moet worden vastgesteld voor [minderjarige 2] . De vrouw heeft verder zorgen over een eventuele aanhouding van de zaak met het oog op een stapsgewijze begeleide omgang tussen [minderjarige 2] en haar vader. De vrouw wil voorkomen dat [minderjarige 2] weer teleurgesteld wordt en een terugval krijgt. De vrouw heeft niet de verwachting dat contactherstel succesvol zal zijn, omdat de man [minderjarige 2] als een verlengstuk van de vrouw ziet. De vrouw kan zich niet verenigen met het advies van de Raad om de beslissing ten aanzien van de contactregeling tussen [minderjarige 2] en de man aan te houden. Ten aanzien van [minderjarige 1] wil de vrouw voorop stellen dat zij hem ontzettend mist met de huidige feitelijke regeling. Zij kan leven met zijn wens, maar heeft ook ernstige zorgen over een aantal zaken. [minderjarige 1] geeft bij de vrouw aan bij zijn vader te willen wonen, zodat vader geen alimentatie meer hoeft te betalen aan de vrouw. Daarnaast heeft zij zorgen over de praktische aangelegenheden, zoals persoonlijke verzorging en aanschaf benodigde zaken.
3.6
De vrouw verzoekt daarnaast om het gezag ten aanzien van [minderjarige 2] te wijzigen, zodat zij voortaan alleen met het ouderlijk gezag over haar wordt belast. De man is al geruime tijd niet, dan wel onvoldoende, betrokken bij de aangelegenheden rondom [minderjarige 2] . Dit is een bewuste keuze van de man geweest. Hij heeft letterlijk en figuurlijk afstand genomen van [minderjarige 2] . Hij is niet op haar uitnodiging ingegaan om op haar nieuwe school te komen kijken en haar dansvoorstelling bij te wonen. De man is niet meer in staat om samen met de vrouw beslissingen te nemen en keuzes te maken voor [minderjarige 2] . Daarnaast heeft het gezamenlijk gezag al voor de nodige onrust gezorgd, voor vakanties, inschrijving van [minderjarige 2] op haar huidige school en recent de schoolreis van [minderjarige 2] naar [plaats 3] . De man toont hiermee geen enkel inlevingsvermogen met wat zijn gedrag teweeg brengt bij [minderjarige 2] en toont hij geen enkele interesse in haar.
3.7
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
3.8
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] af. Op 18 mei 2026 zijn de kinderen onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. Beide kinderen hebben te maken met een loyaliteitsconflict en zitten klem tussen de ouders. In het kader van de ondertoezichtstelling zal worden toegewerkt naar een situatie waarbij partijen het belang van de kinderen boven hun eigen belang kunnen stellen, pedagogische begeleiding bij partijen geïmplementeerd zal worden en de oudercommunicatie (in het kader van Parallel Solo Ouderschap) op niveau komt. Nu hieraan gewerkt gaat worden kan niet gesteld worden dat op dit momentvoldaan is aan het wettelijk criterium dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat partijen als gelijkwaardige gezaghebbende ouders bij de ondertoezichtstelling zullen worden betrokken. Evenals de Raad acht de rechtbank een wijziging van het gezag ook daarom niet in het belang van de kinderen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af.
Het verzoek van de vrouw is mede ingegeven doordat de man lastig bereikbaar kan zijn voor haar en/of derden en daardoor de benodigde toestemming voor gezagskwesties soms langer uitblijft dan wenselijk. [minderjarige 2] ervaart hierdoor veel spanning. De man heeft ter zitting toegezegd dat hij direct/per omgaande zal reageren op verzoeken vanuit de vrouw of school die betrekking hebben op gezagsbeslissingen ten aanzien van [minderjarige 2] en waarvoor zijn toestemming/handtekening nodig is.
3.9
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.10
Hoewel de vrouw [minderjarige 1] ontzettend mist en zorgen heeft over de praktische aangelegenheden voor wat betreft de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] als hij bij de man is, kan zij zijn wens respecteren om de huidige feitelijke zorgregeling vast te stellen, zoals ook door de Raad is geadviseerd. De zorgen die de vrouw heeft zullen meegenomen worden in de ondertoezichtstelling en door de GI gemonitord worden. Voor wat betreft de vakanties en feestdagen van [minderjarige 1] zijn partijen het erover eens dat deze bij helfte gedeeld dienen te worden, welke zij nader in onderling overleg, indien nodig met hulp van de GI, zullen bepalen.
3.11
Nu het zwaartepunt van de zorgtaken van [minderjarige 1] bij de man ligt, kan de vrouw er ook mee instemmen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] voortaan bij de man zal zijn. Namens de vrouw is ook op dit punt aangekaart dat haar zorg met name zit in het regelen van praktische zaken en het gebrek aan communicatie tussen hen als ouders. Deze onderwerpen zullen in de ondertoezichtstelling aan bod komen en gemonitord worden door de GI.
3.12
Ten aanzien van [minderjarige 2] zijn de betrokkenen het erover eens dat er geen vastomlijnde zorgregeling tussen haar en de man wordt vastgelegd. Een vakantie- en feestdagenregeling is ook niet aan de orde. In afwijking van het advies van de Raad ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak op dit punt aan te houden, nu er reeds twee jaar geen fysiek contact bestaat tussen [minderjarige 2] en haar vader. [minderjarige 2] wil zich ook eerst richten op haar eigen therapieën en heeft aangegeven daarvoor rust te willen. Op dit moment bestaat er bij haar geen ruimte voor (een begin van) contactherstel. Eén van de doelen van de ondertoezichtstelling is om te bezien of er een omgangstraject opgestart kan worden tussen [minderjarige 2] en haar vader, mits dat in haar belang wordt geacht en [minderjarige 2] daaraan toe is. De kinderrechter heeft tevens benadrukt dat er ten aanzien van het contact met de man op [minderjarige 2] geen druk moet komen te liggen. Zij zal zich eerst richten op haar eigen therapieën. De man zal op zijn beurt ook hulpverlening aan moeten gaan, om handvatten te krijgen zodat hij beter de aansluiting kan vinden bij [minderjarige 2] , zodat zij meer richting hem kan bewegen. De regie en monitoring daarvan ligt bij de GI. Dit punt is daarom als zodanig geborgd in de ondertoezichtstelling. In de onderhavige procedure zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige 2] en de man gerechtigd zijn tot contact met elkaar op initiatief en aangeven van [minderjarige 2] en de hulpverlening dit ook in haar belang acht, waarbij de GI regie zal voeren en monitoren. De man heeft ter zitting ingestemd dat er geen vastomlijnde zorgregeling zal worden bepaald en dat de zaak op dit punt niet wordt aangehouden. Ook de man is de mening toegedaan dat rekening gehouden moet worden met [minderjarige 2] en dat haar tempo gevolgd moet worden in deze.
3.13
Partijen hebben de rechtbank bericht bij brieven van 28 en 29 mei2026 over de kinderalimentatie. Partijen hebben overeenstemming bereikt. Deze overeenstemming houdt in dat de man met ingang van de afgifte van deze beschikking ten behoeve van [minderjarige 2] een alimentatie aan de vrouw moet betalen van € 285,00 per maand en ten behoeve van [minderjarige 1]
€ 79,00 per maand. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
4De beslissing
De rechtbank:
wijzigt het aan de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 30 juni 2020 gehechte ouderschapsplan en voor zover nodig de beschikking van deze rechtbank van 5 september 2024 en de beschikking van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 3 juli 2025 als volgt:
4.1
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012,
zijn hoofdverblijf voortaan heeft bij de man;
4.2
bepaalt dat de vrouw en voornoemde [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de even weken van woensdag uit school tot maandag naar school in de oneven weken, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, welke partijen in nader onderling overleg, en indien nodig onder regie van de GI, zullen bepalen;
4.3
bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2010, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar op initiatief en aangeven van [minderjarige 2] én indien de hulpverlening contact met de man ook in haar belang acht, een en ander onder regie van de GI en hetgeen in 3.12. is vermeld;
4.4
bepaalt dat de daarbij door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van de datum van deze beschikking nader wordt vastgesteld als volgt:
De man betaalt ten behoeve van [minderjarige 2] aan de vrouw € 285,00 per maand;
De man betaalt ten behoeve van [minderjarige 1] aan de vrouw € 79,00 per maand;
voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
4.5
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, (kinder)rechter en in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.