Voogdij na overlijden enige gezagsdrager (1:253g BW). Benoeming Nidos als voogdes.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:5983
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
C/02/447875 / FA RK 26-2319
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
ECLI:NL:RBZWB:2026:5983text/xmlpublic2026-08-06T12:47:332026-07-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-06-03C/02/447875 / FA RK 26-2319UitspraakRekestprocedureBeschikkingNLBredaCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5983text/htmlpublic2026-08-06T12:46:582026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:5983 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-06-2026 / C/02/447875 / FA RK 26-2319 Voogdij na overlijden enige gezagsdrager (1:253g BW). Benoeming Nidos als voogdes.
beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/447875 / FA RK 26-2319 Datum uitspraak: 3 juni 2026 Beschikking over voogdij
in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, over de minderjarigen:
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2025 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] . hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen. De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbend aan:
[de vader]
, de (vermoedelijke) biologische vader van de minderjarigen,
hierna te noemen: de vader,
verblijvende in [plaats] . De rechtbank merkt daarnaast in deze zaak als informant aan: de gecertificeerde instelling STICHTING NIDOS, locatie Tilburg,
hierna te noemen: de GI. 1Het procesverloop1.1. In het procesdossier zit het op 1 mei 2026 ontvangen verzoekschrift van de Raad, met bijlagen. 1.2. Op 3 juni 2026 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting is een vertegenwoordigster namens de Raad verschenen. De vader en de GI zijn niet verschenen. 1.3. Aangezien de vader is aangemerkt als belanghebbende in deze procedure en hij niet is verschenen, dient de rechtbank te controleren of hij correct is opgeroepen voor de zitting. De rechtbank stelt vast dat de vader in de Basisregistratie personen (Brp) bij de gemeente staat ingeschreven als “Registratie Niet Ingezetenen (RNI)”, maar dat in het raadsrapport wordt vermeld dat hij feitelijk in het asielzoekerscentrum in [plaats] verblijft. Om die reden is de vader per oproeping in de Staatscourant opgeroepen en is aan de Raad gevraagd om de oproeping met de vader te delen. Daarnaast blijkt uit de raadsrapportage dat de vader zijn mening over het verzoek kenbaar heeft gemaakt. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de vader correct is opgeroepen voor de zitting en dat hij kennelijk op de hoogte is van deze procedure, maar dat hij desondanks niet is verschenen. De rechtbank heeft daarom de mondelinge behandeling van het verzoek buiten aanwezigheid van de vader voortgezet. 1.4.
[minderjarige 1] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening over het verzoek te geven. Vanwege haar kindeigen problematiek heeft de rechtbank echter, op aangeven van de Raad, [minderjarige 1] niet daartoe uitgenodigd. 2De feiten2.1. Op 26 februari 2026 is de moeder van de minderjarigen (mevrouw [de moeder] ) overleden. Doordat de moeder tot dat moment het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen uitoefende, wordt er sindsdien niet voorzien in het gezag over de minderjarigen en is er dus sprake van een gezagsvacuüm. 2.2. De heer [de vader] is de (vermoedelijke) biologische vader van de minderjarigen. Hij heeft de minderjarigen niet erkend. 2.3. Op 3 maart 2026 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Gilze en Rijen per brief de Raad in kennis gesteld van het overlijden van de moeder en dat de minderjarige kinderen zijn achtergelaten. Naar aanleiding hiervan heeft de Raad een onderzoek verricht naar het vermoeden dat er niet in het gezag over de minderjarigen wordt voorzien en over (de invulling van het gezag over) de minderjarigen. 2.4. De minderjarigen verblijven samen met de vader in het asielzoekerscentrum in [plaats] . 3Het verzoek en de onderbouwing daarvan3.1. De Raad verzoekt om in de voogdij over de minderjarigen te voorzien en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad adviseert om de GI te benoemen als voogdes over de minderjarigen. 3.2. De moeder is op 26 februari 2026 overleden aan de gevolgen van kanker. De minderjarigen wisten dat hun moeder ziek was, maar niet dat zij zou komen te overlijden. De moeder heeft hen hierover niet geïnformeerd omdat zij hier zelf nog niet aan kon toegeven en vanuit culturele overwegingen. De Raad vindt het zorgelijk dat de minderjarigen niet waren voorbereid op het aanstaande overlijden van hun moeder, dat zij daarin niet zijn ondersteund en dat zij mogelijk onvoldoende afscheid hebben kunnen nemen van hun moeder. De Raad vindt het positief dat de minderjarigen goed zijn opgevangen door hun vader, vanuit school en door een gezamenlijke vriendin van de vader en de moeder ( [persoon] ). Er is een mooi afscheid georganiseerd en op allerlei manieren is en wordt er aandacht besteed aan het verlies. Alle minderjarigen lijken zich vooralsnog positief te ontwikkelen. Daarnaast wordt er door de betrokken (jeugd)professionals positief gesproken over de rol van de vader in het gezin. 3.3. Doordat de moeder is overleden en zij tot dat moment met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen was belast, is er sindsdien een gezagsvacuüm ontstaan. Daarnaast bestaan er momenteel veel spanningen, onrust en onduidelijkheid over de (on)mogelijkheden voor de vader om de minderjarigen te erkennen en/of het gezag over hen te verkrijgen, over zijn verblijfsstatus in Nederland en daarmee over die van de minderjarigen. De vader heeft namelijk al een verblijfsstatus in Italië en het is hem tot op heden niet gelukt om de juiste documenten uit zijn land van herkomst (Nigeria) te verkrijgen. De bestaande onduidelijkheid leidt bij de vader mogelijk tot veel spanningen en stress, terwijl hij vanwege het overlijden van de moeder en de verzorging en de opvoeding van de minderjarigen al veel aan zijn hoofd heeft. De Raad vindt het van belang dat de vader zo snel als mogelijk de minderjarigen kan en zal gaan erkennen (althans dat hij op een andere manier hun juridisch vader zal worden) en dat hij met het gezag over hen zal worden belast. Daarnaast dient er duidelijkheid te komen over het toekomstperspectief van de minderjarigen (samenhangend met hun verblijfsrecht). Tegelijkertijd vindt de Raad het van belang dat de vader en de minderjarigen bij elkaar blijven, daarbij ondersteund door [persoon] , en dat er aandacht blijft voor hun rouwproces. 3.4. Gelet op het voorgaande verzoekt de Raad om in de voogdij over de minderjarigen te voorzien. Om ervoor te zorgen dat allerlei belangrijke praktische (gezags)zaken over de minderjarigen voortvarend en op een goede manier geregeld kunnen en zullen worden, adviseert de Raad om de GI te benoemen als voogdes over de minderjarigen. Zodra er rust en meer duidelijkheid is ontstaan én de vader de minderjarigen heeft erkend, dient de vader (althans voor zover de Raad dat nu kan overzien) alsnog te worden belast met het gezag over de minderjarigen. 4De beoordeling4.1. Uit artikel 1:253g, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechtbank, indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kinderen alleen uitoefent, bepaalt dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over de kinderen wordt belast. Op grond van het tweede lid van voormeld artikel doet de rechter dit op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, de overlevende ouder of ambtshalve. Op grond van het derde lid van voormeld artikel wordt het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich tegen inwilliging verzet. 4.2. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt. Aangezien de moeder op het moment van haar overlijden was belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen, wordt er sindsdien niet voorzien in het gezag over de minderjarigen en is er dus sprake van een gezagsvacuüm. De rechtbank dient daarom, op grond van voormeld artikel, in het gezag over de minderjarigen te voorzien. 4.3. De rechtbank overweegt dat de vader weliswaar (vermoedelijk) de biologische vader van de minderjarigen is, maar dat hij hen niet heeft erkend waardoor hij niet hun juridische vader is. Aangezien de voorkeurspositie van de overlevende ouder zoals genoemd in voormeld artikel enkel geldt voor een juridische ouder (HR 9 oktober 1992, NJ 1992, 789), geldt deze voorkeurspositie in dit geval niet voor de vader. Hoewel de vader dus geen voorkeurspositie heeft om met het gezag over de minderjarigen te worden belast, zal de rechtbank de optie om hem met het gezag te belasten wel meenemen bij haar beslissing wie er dient te worden belast met de voogdij over de minderjarigen. 4.4. Het is de rechtbank gebleken dat de vader op dit moment feitelijk de verantwoordelijkheid draagt voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Zij verblijven momenteel samen in het asielzoekerscentrum in [plaats] . Hoewel de betrokken hulpverleners positief spreken over hoe de vader zijn ouderrol uitoefent, wordt ook gezien dat hij momenteel veel aan zijn hoofd heeft. Naast het recente overlijden van de moeder, het omgaan met het verlies en het rouwen, leidt onder meer de onduidelijkheid over de mogelijkheden voor het verkrijgen van juridisch vaderschap over de minderjarigen en over de verblijfsstatus van de vader en de minderjarigen tot veel spanningen en stress. Van belang is dat de vader ontlast en op een goede manier ondersteund wordt in deze moeilijke en spanningsvolle periode. 4.5. Uit het rapport van de Raad d,d. 30 april 2026 blijkt dat de vader achter het verzoek van de Raad staat. De GI heeft zich op 22 april 2026 schriftelijk bereid verklaard de voogdij over de minderjarigen te aanvaarden. 4.6. Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank de Raad volgen in zijn advies en de GI benoemen als voogdes over de minderjarigen. De rechtbank betrekt hierbij dat de vader en de minderjarigen vallen in de doelgroep van deze GI en dat de GI de nodige kennis en kunde bezit om de voogdij zo goed als mogelijk uit te voeren. 4.7. De rechtbank zal deze beslissing, gelet op het karakter daarvan en om een nieuw gezagsvacuüm te voorkomen, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld. 5De beslissing De rechtbank: 5.1. benoemt, met ingang van heden, de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, locatie Tilburg als voogdes over de navolgende minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2025 in [geboorteplaats 3] , 5.2. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 door mr. Pellikaan, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 17 juni 2026. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.