Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:5997

Verwijzing naar het UHA, aanhouding voor de duur van 9 maanden.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:5997 text/xml public 2026-08-05T13:16:30 2026-07-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-04 C/02/441377 / FA RK 25-5558 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5997 text/html public 2026-08-05T13:16:03 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:5997 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-06-2026 / C/02/441377 / FA RK 25-5558
Verwijzing naar het UHA, aanhouding voor de duur van 9 maanden.

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/441377 / FA RK 25-5558

datum uitspraak: 4 juni 2026

beschikking over de zorgregeling

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [plaats 1] ,

advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof in ’s-Heer Arendskerke,

tegen

[de man] ,

hierna: de man,

wonende in [plaats 2] ,

over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013, hierna: [minderjarige 1] ,

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017, hierna: [minderjarige 2] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
<nr>1</nr>Het procesverloop 1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 16 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het F9-formulier met bijlagen van mr. Maat-Oldenhof van 7 november 2025;

- het F9-formulier van mr. Maat-Oldenhof van 11 maart 2026.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 21 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man en de vrouw, met haar advocaat. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van [datum] 2025 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 26 februari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
2.4
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.5
Bij genoemde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het aan die beschikking gehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In dit ouderschapsplan zijn partijen onder meer overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week een weekend (de even weekenden) bij de man verblijven van vrijdag uit school 14:00 uur tot en met zondag 18:00 uur. De man haalt de minderjarigen op bij de vrouw en de vrouw haalt de minderjarigen op zondag op bij de man.
<nr>3</nr>Het verzoek en de standpunten 3.1
De vrouw verzoekt de zorgregeling, zoals die in het ouderschapsplan is vastgelegd, zodanig te wijzigen dat partijen in geval van een wisseling tussen de ouders ieder de helft van de reis op zich nemen en de minderjarigen halverwege tussen de woningen van partijen wisselen. De vrouw verzoekt deze beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, is het de rechtbank gebleken dat de vrouw de zorgregeling zodanig wenst te wijzigen dat partijen bij een overdrachtsmoment van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ieder de helft van de reis op zich nemen en de minderjarigen halverwege de woningen van partijen wisselen. De huidige regeling, waarbij de vrouw de minderjarigen op zondag ophaalt bij de man, is volgens de vrouw niet vol te houden. Het is voor haar te zwaar om op zondag heen en terug te rijden naar de woning van de man. Daarnaast vindt de vrouw dat de huidige regeling onvoldoende het signaal afgeeft dat beide ouders het belangrijk vinden dat zij intensief en betekenisvol bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betrokken zijn. Door de man is tijdens de zitting toegelicht dat hij niet kan instemmen met het verzoek van de vrouw. Hij vindt het namelijk belangrijk dat hij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vrijdagmiddag kan ophalen uit school. Op die manier ziet hij de minderjarigen op school en kan hij de juf en andere ouders spreken, hetgeen erg belangrijk is voor de man. Daarnaast vindt hij het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om het overdrachtsmoment op een parkeerplaats te laten plaatsvinden in plaats van op school en bij hem thuis, wat veilige plekken zijn voor de minderjarigen. Ook voorziet de man dat één van de partijen zal moeten wachten bij een overdrachtsmoment omdat het lastig zal zijn om op hetzelfde tijdstip aan te komen.
4.2
De rechtbank overweegt dat tijdens de zitting is gebleken dat dit geschilpunt tussen partijen onderdeel uitmaakt van een groter probleem, te weten het zeer moeizaam verlopen van de communicatie en het maken van afspraken tussen partijen, en het wantrouwen en argwaan tussen partijen. Gebleken is dat partijen zich realiseren dat hierin verbetering moet komen, ook met het oog op later te nemen gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.3
Uit het voorgaande blijkt dat partijen op dit moment (nog) niet voldoende in staat zijn om adequaat en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met elkaar te communiceren, afspraken te maken en om de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor partijen en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Dit zodat kan worden gewerkt aan het verbeteren van de onderling communicatie en het verwerken van het verleden, waarbij ook het voorliggende geschilpunt kan worden meegenomen. De ouders hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 22 mei 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.4
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.5
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van in ieder geval het volgende resultaat:

- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (keuze: lichte interventie).

De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.6
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk 22 februari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.7
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank de ouders (en de advocaat van de vrouw) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting nodig is. De advocaat van de vrouw maakt in haar reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor het verzoek met betrekking tot de minderjarigen.
4.8
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.9
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank de ouders (en de advocaat van de vrouw) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.10
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:

- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.11
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.12
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank de ouders (en de advocaat van de vrouw) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.13
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.14
Omdat de ouders en hun minderjarige kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het voorliggende verzoek van de vrouw ten aanzien van de zorgregeling, maar houdt hij de beslissing daarover voor de duur van negen maanden aan tot 22 februari 2027 pro forma. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
<nr>5</nr>De beslissing
De rechtbank
5.1
verwijst ouders en hun minderjarig kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Het loket zal de ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.2
verzoekt het loket om uiterlijk 22 februari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.3
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.4
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.5
verzoekt de Raad, regio Zeeland, locatie Middelburg wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.10 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.6
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.7
houdt de beslissing op het verzoek van de vrouw betreffende de zorgregeling aan tot 22 februari 2027 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.




Artikel delen