Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:6004

Klachtenprocedure Wvggz over inzet van tijdelijke verplichte zorg 7:3 Wvggz. Klachten ongegrond; geen reden voor toekenning schadevergoeding.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:6004 text/xml public 2026-08-05T13:46:01 2026-07-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-04 C/02/447722 / FA RK 26-2244 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6004 text/html public 2026-08-05T13:45:49 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:6004 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-06-2026 / C/02/447722 / FA RK 26-2244
Klachtenprocedure Wvggz over inzet van tijdelijke verplichte zorg 7:3 Wvggz. Klachten ongegrond; geen reden voor toekenning schadevergoeding.

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/447722 / FA RK 26-2244

Datum uitspraak: 4 juni 2026

Beschikking over klachtenprocedure en toekenning schadevergoeding Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)

naar aanleiding van het ingediende verzoekschrift van:

[betrokkene] ,

hierna te noemen: betrokkene,

geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. L.C. Baars te Schiedam.

De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbende aan:

ANTES ZORG B.V. te Rotterdam,

hierna te noemen: de zorgaanbieder.
<nr>1</nr>Het procesverloop 1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:

het verzoekschrift van 15 april 2026 met producties 1 t/m 12, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank Rotterdam op 16 april 2026;

het verweerschrift van 29 april 2026, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank Rotterdam op 30 april 2026;

de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2026, waarbij de zaak in de stand waarin deze zich op dat moment bevond, is verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant;

het bericht van 18 mei 2026 van mr. Baars, met aanvullende productie;

de tijdens de zitting namens de zorgaanbieder overgelegde aanvullende producties.
1.2.
Na ontvangst van het verzoekschrift heeft de rechtbank partijen opgeroepen voor de zitting op 21 mei 2026. Op grond van artikel 10:9 lid 2 Wvggz dient de rechtbank binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift te beslissen. Bij het bepalen van voormelde zittingsdatum heeft de rechtbank abusievelijk de datum waarop zij het verzoekschrift heeft ontvangen als uitgangspunt genomen (30 april 2026) en niet de datum waarop het verzoekschrift in eerste instantie is ontvangen door de rechtbank Rotterdam (16 april 2026). Als gevolg hiervan is de zittingsdatum buiten voormelde beslistermijn bepaald. Toen de rechtbank in de aanloop naar de zitting hiervan op de hoogte raakte, heeft zij contact opgenomen met de advocaat om hem hierover te informeren en de mogelijkheden te bespreken. Op 8 mei 2026 heeft de advocaat namens betrokkene bevestigd dat de termijn voor hem niet van belang is en dat hij afstand doet van zijn recht om zich te beroepen op deze termijn. Gelet hierop heeft de rechtbank de reeds geplande zitting door laten gaan.
1.3.
De rechtbank heeft dus op 21 mei 2026 het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting is betrokkene verschenen, bijgestaan door mr. Baars. Namens de zorgaanbieder zijn de heer [persoon 1] (psychiater en zorgverantwoordelijke), de heer mr. [persoon 2] (jurist), de heer [persoon 3] (psychiater), de heer [persoon 4] (arts) en mevrouw [persoon 5] (arts) verschenen.
1.4.
De rechtbank heeft daarnaast, op verzoek van betrokkene en met instemming van de overige aanwezigen, bijzondere toestemming verleend aan de ouders van betrokkene om de zitting als toehoorder bij te wonen.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Betrokkene is op 10 februari 2026 op eigen verzoek, dus op vrijwillige basis, opgenomen in de specialistische kliniek Niet Aangeboren Hersenletsel van de zorgaanbieder.
2.2.
Op 26 februari 2026 heeft betrokkene in de loop van de dag aangegeven dat hij met ontslag wenst te gaan.
2.3.
Bij beschikking van de burgemeester van de gemeente Rotterdam van 26 februari 2026 om 22.50 uur is ten aanzien van betrokkene een crisismaatregel genomen.
2.4.
Op 27 februari 2026 is door de zorgverantwoordelijke een schriftelijke beslissing en mededeling tot het verlenen van verplichte zorg genomen (op grond van artikel 8:9 Wvggz).
2.5.
Op 2 maart 2026 heeft betrokkene per brief bij de Klachtencommissie Patiënten Parnassia Groep regio Rijnmond, hierna te noemen: de klachtencommissie, een klacht ingediend tegen de toepassing van verplichte zorg. Betrokkene klaagde, samengevat, over de verplichte opname in de accommodatie (klacht 1), de beperking van de bewegingsvrijheid (klacht 2), het toedienen van medicatie (klacht 3), insluiting in de separatieruimte (klacht 4) en over voormelde mededeling en beslissing van de zorgverantwoordelijke van 27 februari 2026 tot het inzetten van verplichte zorg (de artikel 8:9 Wvggz beslissing) (klacht 5). Betrokkene heeft daarnaast om toekenning van een schadevergoeding verzocht.
2.6.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 2026 is het verzoek van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam tot voortzetting van de op 26 februari 2026 ten aanzien van betrokkene genomen crisismaatregel voort te zetten, afgewezen. Betrokkene is vervolgens ontslagen uit de accommodatie.
2.7.
Op 12 maart 2026 heeft de klachtencommissie, bij wijze van verkorte uitspraak, beslist op de klachten van betrokkene. De klachtencommissie verklaarde zich niet in staat om een oordeel te geven over de klachten 1 t/m 3. De klachtencommissie heeft daarnaast de klachten 4 en 5 ongegrond verklaard. Gelet op deze uitkomst zag de klachtencommissie geen grond om een schadevergoeding aan betrokkene toe te kennen. De klachtencommissie heeft deze beslissing op 18 maart 2026 schriftelijk uitgewerkt.
<nr>3</nr>De verzoeken 3.1.
Betrokkene verzoekt om voornoemde beslissing van de klachtencommissie te herzien, de klachten alsnog gegrond te verklaren en een schadevergoeding vast te stellen.
3.2.
De zorgaanbieder is het niet eens met voormeld verzoek van betrokkene en verzoekt, samengevat:

primair:

zich onbevoegd te verklaren, althans betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover het beroep een toetsing beoogt buiten de reikwijdte van artikel 10:3 Wvggz;

de klachten voor het overige ongegrond te verklaren;

het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen;

subsidiair:

- de hoogte van het door de zorgaanbieder aan betrokkene te betalen bedrag aan schadevergoeding te begroten met inachtneming van de Landelijke Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Familierecht (LOVF).
<nr>4</nr>Het standpunt van betrokkene 4.1.
Namens en door betrokkene is ter onderbouwing van zijn verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.

Betrokkene is op 10 februari 2026 op vrijwillige basis opgenomen in de accommodatie voor het krijgen van behandeling voor onder meer traumagerelateerde problematiek. Betrokkene vond de behandeling echter te passief. Daarom heeft hij op 26 februari 2026 aangegeven dat hij met ontslag wil gaan en dat hij wil terugkeren naar huis. De behandelaren belemmerden hem echter om weg te gaan, onder meer door met een groot aantal zorgmedewerkers om hem heen te staan en hem vast te houden. Pas vanaf dat moment is betrokkene boos geworden, waarbij hij zich verbaal heeft geuit en hij met zijn armen heeft gezwaaid. Als reactie daarop hebben de behandelaren een crisismaatregel aangevraagd en, in afwachting van de beslissing daarover, verplichte zorg toegepast op grond van artikel 7:3 Wvggz. Betrokkene is gedwongen opgenomen in de accommodatie. Hij is geplaatst op een gesloten afdeling en is zodoende in zijn bewegingsvrijheid beperkt. Op een gegeven moment is hij door middel van insluiting in een separeerruimte geplaatst en is er noodmedicatie aan hem toegediend.
4.2.
Betrokkene betwist dat er op het moment dat er verplichte zorg is ingezet, sprake was van ernstig nadeel dat voortkomt uit een psychische stoornis. De boosheid die betrokkene toonde, kwam namelijk niet voort uit zijn psychische stoornis, maar uit de frustratie die hij ervoer op het moment dat hij werd tegengehouden nadat hij zijn ontslagwens had geuit. Betrokkene stelt zich bovendien op het standpunt dat het op het moment dat hij zijn ontslagwens uitte en hij aanstalten maakte om de accommodatie te verlaten, niet nodig was om hem gedwongen op te nemen in de accommodatie, en zeker niet om hem in te sluiten en hem noodmedicatie toe te dienen. Nu de accommodatie is gespecialiseerd op het gebied van niet-aangeboren hersenletsel, hadden de behandelaren beter moeten weten en op een andere, de-escalerende manier moeten handelen. Het inzetten van verplichte zorg was op dat moment bovendien in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en dit was niet nodig voor het waarborgen van de veiligheid. Betrokkene heeft een schriftelijke verklaring van zijn partner overgelegd, waarin zij verklaart dat er thuis geen sprake was van agressiviteit. Hoewel betrokkene erkent dat zijn partner kort voor het ontstaan van de escalatie op 26 februari 2026 in de middag tegen de behandelaren heeft gezegd dat betrokkene op dat moment niet kon terugkeren naar huis, komt dit doordat zijn partner door de behandelaren onder druk werd gezet. Betrokkene was tot op dat moment ook niet bekend in het kader van de Wvggz.
4.3.
Over de insluiting stelt betrokkene aanvullend dat hij op 27 februari 2026 om 11.15 uur de separeerruimte mocht verlaten en dat hij vervolgens de rest van de dag op de afdeling heeft verbleven. Van 27 februari 2026 in de avond tot 28 februari 2026 in de ochtend is hij opnieuw ingesloten. De enige reden dat hij in de tweede nacht is ingesloten, is volgens betrokkene dat er die nacht sprake was van een onderbezetting van het zorgpersoneel. Betrokkene stelt daarnaast dat hij tijdens de insluiting slechts eenmaal fysiek is gezien door het zorgpersoneel.
4.4.
Over het toedienen van de (nood)medicatie heeft betrokkene aanvullend aangegeven dat betrokkene op advies van zijn internist is gestopt met het innemen van medicatie in de vorm van Depakine vanwege zorgen over zijn leverfuncties. Betrokkene is het er dan ook niet mee eens dat hem Depakine is toegediend zonder dat hij eerst is gezien door een crisispsychiater en er overleg is gevoerd met zijn internist. Ook was het niet nodig om hem rustgevende medicatie te geven.
4.5.
Betrokkene is tot slot van mening dat de schriftelijke beslissing en de mededeling van de zorgverantwoordelijke tot het verlenen van verplichte zorg niet voldoet aan de procedurele eisen zoals gesteld in artikel 8:9 Wvggz. Betrokkene vindt deze op schrift gestelde beslissing te algemeen gemotiveerd.
4.6.
Gelet op het voorgaande verzoekt betrokkene om zijn klachten gegrond te verklaren en hem op grond van artikel 10:11 Wvggz een billijke schadevergoeding toe te kennen, waarbij de hoogte van het bedrag dient te worden vastgesteld op basis van de Landelijke Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Familierecht (LOVF). Hierbij is aangevoerd dat het betrokkene vooral gaat om de vaststelling dat er onrechtmatig is gehandeld. De hoogte van het op te leggen bedrag aan schadevergoeding is voor betrokkene minder van belang.
<nr>5</nr>Het standpunt van de zorgaanbieder 5.1.
De zorgaanbieder voert verweer tegen voormelde verzoeken en stelt daartoe, samengevat, onder meer het volgende.

Op 26 februari 2026 om 11.00 uur is tegen betrokkene gezegd dat de (behandelend) arts met hem zal spreken over zijn ontslagwens. Vanuit de zorgplicht die de zorgaanbieder heeft richting zowel gedwongen als vrijwillig opgenomen patiënten, dient er namelijk eerst een ontslaggesprek plaats te vinden tussen de (behandelend) arts en de patiënt voordat de patiënt de accommodatie daadwerkelijk mag verlaten. De (behandelend) arts was op dat moment echter niet aanwezig. Daarom is tegen betrokkene gezegd dat hij even zal moeten wachten. Vervolgens is er informatie opgehaald, waarbij er onder meer telefonisch contact is opgenomen met de partner van betrokkene. Zij heeft op dat moment gezegd dat zij van mening is dat het beter zou zijn als betrokkene nog wat langer in de accommodatie blijft. Ook was er op dat moment nog geen nazorg of medicatie geregeld. In die omstandigheden was het, naar de mening van de op dat moment betrokken behandelaren met het oog op de belangen van betrokkene en de veiligheid van de partner en de dochter van betrokkene, onverantwoord om betrokkene naar huis te laten gaan.

Om en nabij 15.00 uur hebben de psychiater en de coassistente geprobeerd om opnieuw met betrokkene in gesprek te gaan. Toen zij bij de deur van de kamer van betrokkene aankwamen, constateerden zij dat betrokkene aan het schreeuwen was terwijl hij met zijn partner aan het (video)bellen was. Vervolgens kwam hij woedend in de richting van de psychiater en de coassistente lopen, waarbij hij schreeuwde en hij zich dreigend opstelde. De psychiater en de coassistente hebben er op dat moment voor gekozen om zich tijdelijk terug te trekken, om de situatie te de-escaleren.

Om 15.15 uur meldde betrokkene zich met zijn driewieler bij de verpleegpost. Hij wilde zijn medicatie hebben, omdat hij naar huis zou gaan. Betrokkene bleef daarbij schreeuwen. Nadat betrokkene met zijn driewieler was ingereden op een aantal verpleegkundigen, zijn er meerdere zorgmedewerkers om hem heen gaan staan. Omdat betrokkene met zijn armen om zich heen zwaaide, is hij ook vastgepakt. Betrokkene heeft zich bovendien dreigend geuit richting de zorgmedewerkers.
5.2.
Gezien de ontstane escalatie is besloten om een crisismaatregel voor betrokkene aan te vragen. In afwachting daarvan is er op grond van artikel 7:3 Wvggz tijdelijk verplichte zorg ingezet in de vorm van een gedwongen opname in de accommodatie, beperking van de bewegingsvrijheid en uiteindelijk insluiting. Om betrokkene tot rust te krijgen, is hem ook (nood)medicatie toegediend. Aangezien er op dat moment, naar het medisch oordeel van de betrokken behandelaren, sprake was van een opwindingstoestand voortkomend uit neurocognitieve problematiek met een reëel risico op verdere escalatie, waren deze vormen van verplichte zorg noodzakelijk. Het was op dat moment niet (meer) mogelijk om minder ingrijpende maatregelen in te zetten (zoals een meer de-escalerende aanpak). Nadat er ten aanzien van betrokkene een crisismaatregel was genomen (op 26 februari 2026 om 22.50 uur), is de inzet van voormelde vormen van verplichte zorg die zien op de gedwongen opname in de accommodatie, het beperken van de bewegingsvrijheid en de insluiting opnieuw beoordeeld en, naar aanleiding daarvan, zijn deze vormen van verplichte zorg voortgezet. Gelet hierop is er een schriftelijke beslissing opgesteld en overhandigd op grond van artikel 8:9 Wvggz.
5.3.
De zorgaanbieder stelt, gezien het voorgaande, dat als er na de escalatie alsnog een goed gesprek had plaatsgevonden, dat betrokkene mogelijk met ontslag had kunnen gaan. Daar tegenover staat, enerzijds vanwege de agressie en de dreiging die betrokkene toonde en anderzijds met het oog op de situatie thuis van de partner en de dochter van betrokkene, dat het naar het oordeel van de behandelaren op dat moment onverantwoord was om betrokkene met ontslag te laten gaan. Dat betrokkene, met de kennis van nu, mogelijk met ontslag had kunnen gaan als bepaalde zaken anders waren gelopen, doet echter niet aan af aan de noodzaak van de inzet van het inzetten van verplichte zorg op dat moment.
5.4.
De zorgaanbieder betwist dat betrokkene in de tweede nacht enkel is ingesloten vanwege een (te) krappe bezetting van het zorgpersoneel. De bezetting was conform de daarvoor geldende uitgangspunten. Wel geldt dat er doorgaans ’s nachts minder zorgpersoneel aanwezig is dan overdag en, gezien de recente escalatie waarbij meerdere zorgmedewerkers nodig zijn geweest om hem in bedwang te houden en het risico op een nieuwe escalatie, de afweging is gemaakt dat een insluiting van betrokkene in de tweede nacht noodzakelijk was.
5.5.
Over het toedienen van de medicatie in de vorm van Depakine brengt de zorgaanbieder aanvullend nog naar voren dat deze vorm van medicatie overeenkomstig de daarvoor geldende richtlijnen bij het actuele ziekte- en toestandsbeeld van betrokkene is toegediend. Er was geen sprake van contra-indicaties voor het starten van deze medicatie, nu betrokkene geen leverfunctiestoornis heeft. De zorgaanbieder heeft bovendien hierover overleg gevoerd met de apotheker van betrokkene en een dag later is geprobeerd om contact op te nemen met zijn internist, maar deze was niet bereikbaar. Het toedienen van de medicatie is op basis van de actuele klinische situatie noodzakelijk geacht en is gestart door de medisch verantwoordelijke op dat moment.
5.6.
Over de beslissing tot het inzetten van verplichte zorg op grond van artikel 8:9 Wvggz stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat uit voormelde brief in combinatie met de mondelinge toelichting die daarbij is gegeven, voldoende blijkt welke vormen van verplichte zorg er zijn ingezet en waarom.
5.7.
De zorgaanbieder stelt zich, gelet op al het voorgaande, primair op het standpunt dat de klachten ongegrond dienen te worden verklaard, waardoor er geen grond voor toekenning van een door de zorgaanbieder aan betrokkene te betalen bedrag aan schadevergoeding bestaat. Subsidiair stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat de grond voor het toekennen van een bedrag aan schadevergoeding en de hoogte daarvan namens betrokkene onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair verzoekt de zorgaanbieder om bij de vaststelling van het bedrag aan schadevergoeding aan te sluiten bij de Landelijke Oriëntatiepunten.
5.8.
De zorgaanbieder benoemt tot slot dat zij kan begrijpen dat betrokkene de gang van zaken als ingrijpend en vervelend heeft ervaren, hetgeen zij betreurt. Inmiddels heeft er een goed gesprek met betrokkene plaatsgevonden. De zorgaanbieder benadrukt dat betrokkene welkom blijft bij Antes voor het krijgen van zorg.
<nr>6</nr>De beoordeling
Wettelijk kader
6.1.
Uit artikel 7:3 lid 1 Wvggz volgt, voor zover hier nu van belang, dat voorafgaand aan de beslissing over een crisismaatregel, indien redelijkerwijs mag worden verondersteld dat een crisismaatregel zal worden genomen, gedurende korte tijd verplichte zorg aan een persoon kan worden verleend.

Uit lid 2 volgt dat de verplichte zorg, bedoeld in het eerste lid, alleen als uiterste middel wordt verleend indien dit noodzakelijk is in verband met de voorbereiding van de crisismaatregel en uitsluitend gedurende de periode die nodig is om de procedure voor de crisismaatregel af te ronden.
6.2.
Als tijdelijke verplichte zorg zoals bedoeld in artikel 7:3 lid 1 Wvggz kan onder meer worden ingezet: het toedienen van medicatie, het beperken van de bewegingsvrijheid, insluiten en opnemen in een accommodatie (artikelen artikel 1:1 lid 1 onder t jo. 3:1 onder d jo. 3:2 lid 2).
6.3.
Uit artikel 8:9 lid 1 Wvggz volgt dat de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van onder meer de crisismaatregel een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg niet neemt dan nadat hij:

zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene,

met betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd, en

voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur.

Uit lid 2 van voormeld artikel volgt dat de zorgverantwoordelijke een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging op schrift stelt en deze beslissing van een schriftelijke motivering voorziet.
6.4.
Uit artikel 10:3 lid 1, sub f Wvggz volgt dat betrokkene een schriftelijke en gemotiveerde klacht kan indienen bij de klachtencommissie over (onder meer) de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van de artikelen 7:3 en 8:9 Wvggz. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om te klagen over onder meer de beginselen van van proportionaliteit, subsidiariteit en veiligheid, zoals neergelegd in artikel 2:1 lid 3 Wvggz (zie onder meer de beschikking van de Hoge Raad van 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2096).
6.5.
Artikel 10:7 Wvggz bepaalt dat betrokkene, nadat de klachtencommissie een beslissing heeft genomen, een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift kan indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht.
6.6.
Artikel 10:11 lid 1 Wvggz bepaalt dat verzoeker bij een verzoek als bedoeld in artikel 10:3 bij de klachtencommissie tevens om schadevergoeding door de zorgaanbieder kan verzoeken. Uit lid 2 van voormeld artikel volgt dat verzoeker bij een verzoek als bedoeld in artikel 10:7 lid 1 Wvggz bij de rechter tevens om schadevergoeding door de zorgaanbieder verzoeken.

Ontvankelijkheid
6.7.
De rechtbank stelt vast dat het verzoekschrift binnen zes weken is ingediend nadat de klachtencommissie een beslissing heeft genomen. Daarmee is het verzoekschrift tijdig ontvangen (artikel 10:7 lid 2 Wvggz). Betrokkene kan en zal daarom worden ontvangen in zijn verzoeken.
6.8.
De rechtbank zal de klachten hierna inhoudelijk beoordelen en vervolgens daarop beslissen.

Opname in de accommodatie, beperking van de bewegingsvrijheid, insluiting en het toedienen van medicatie
6.9.
De rechtbank benadrukt allereerst dat zij begrijpt dat het gaat om heel ingrijpende vormen van verplichte zorg die ten aanzien van betrokkene zijn toegepast. Zeker nu het de eerste keer is geweest dat betrokkene hiermee is geconfronteerd. Dit neemt niet weg dat de rechtbank aan de hand van de Wvggz en de daarin bepaalde klachtenprocedure moet beoordelen of de vormen van verplichte zorg rechtmatig zijn toegepast.
6.10.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de zorgaanbieder een zorgplicht en verantwoordelijkheid heeft over een patiënt die bij haar in zorg is. Dit geldt ongeacht of de patiënt gedwongen of op vrijwillige basis opgenomen is. Vanuit deze zorgplicht en verantwoordelijkheid kan de rechtbank de zorgaanbieder volgen in haar standpunt dat als een patiënt die is opgenomen in de accommodatie een ontslagwens uit, dus ongeacht of dit op gedwongen of vrijwillige basis is, er in beginsel eerst een ontslaggesprek moet plaatsvinden tussen de (behandelend) arts en de patiënt alvorens ontslag wordt verleend. Aangezien de (behandelend) arts op het moment dat betrokkene zijn ontslagwens uitte niet beschikbaar was, is tegen betrokkene gezegd dat hij even zal moeten wachten. Vervolgens is er informatie opgevraagd en is er telefonisch contact opgenomen met de partner van betrokkene. De partner van betrokkene heeft toen aangegeven dat het haar beter lijkt als betrokkene nog wat langer opgenomen blijft in de accommodatie. Dat zijn partner dit op dat moment heeft gezegd, wordt door betrokkene niet betwist. Dat zijn partner op een later moment schriftelijk heeft verklaard dat zij dit onder druk van de behandelaren zou hebben gezegd, doet hier niet aan af omdat de situatie moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden op dat moment. Ook was er op het moment dat betrokkene zijn ontslagwens uitte nog geen nazorg en medicatie geregeld. In deze omstandigheden kan de rechtbank de (medische) afweging van de betrokken behandelaren volgen, dat het met het oog op het voorkomen van (verergering van) ernstig nadeel bij betrokkene en bij zijn partner en dochter op dat moment onverantwoord was om betrokkene met ontslag te laten gaan en hem te laten terugkeren naar huis.
6.11.
Blijkens de overgelegde stukken namens de zorgaanbieder, hebben vervolgens de (waarnemend) psychiater en de coassistente rond 15.00 uur geprobeerd om opnieuw met betrokkene in gesprek te gaan. Op dat moment was betrokkene boos en geagiteerd op zijn partner. Daarnaast was hij boos, aan het schreeuwen en dreigend richting de (waarnemend) psychiater en de coassistente. Hoewel de behandelaren er vervolgens voor hebben gekozen om even wat afstand te nemen tot betrokkene om hem tot rust te laten komen en de situatie te de-escaleren, is dit niet gelukt. Enkele ogenblikken later is betrokkene namelijk met zijn driewieler naar de verpleegpost toegegaan om zijn medicatie op te halen en de accommodatie te verlaten. Omdat betrokkene bleef roepen dat hij weg wil gaan en hij op een gegeven moment met zijn driewieler is ingereden op de verpleegkundigen en hij slaande bewegingen om zich heen maakte, is er een aantal zorgmedewerkers om hem heen gaan staan die hem en zijn fiets hebben beetgepakt. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat er, gezien voormelde opbouw in escalatie, voor het zorgpersoneel en de andere patiënten op de afdeling een dreigende situatie is ontstaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel, gezien al het voorgaande, dat het op dat moment noodzakelijk was om een crisismaatregel voor betrokkene aan te vragen en, in afwachting van deze aanvraag, tijdelijke verplichte zorg toe te passen op grond van artikel 7:3 Wvggz in de vorm van een gedwongen opname in de accommodatie, het beperken van de bewegingsvrijheid en uiteindelijk ook een insluiting in de separeerruimte en het toedienen van noodmedicatie. Naar het oordeel van de rechtbank was het op dat moment, gezien de diagnose die bij betrokkene is gesteld en zijn actuele ziektebeeld, namelijk redelijkerwijs te voorzien dat er een crisismaatregel voor betrokkene zal worden genomen. De crisismaatregel is later op de dag ook verleend. De rechtbank ziet niet in welke andere, mindere ingrijpende maatregelen er op dat moment toegepast hadden kunnen worden om het (dreigend) ernstig nadeel bij betrokkene en bij anderen weg te nemen dan wel (verergering daarvan) te voorkomen. De rechtbank ziet bovendien in hetgeen namens en door betrokkene naar voren is gebracht onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de inzet van voormelde vormen van verplichte zorg op dat moment heeft plaatsgevonden in strijd met de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en de veiligheid. Dat betrokkene een dag later op 27 februari 2026 kennelijk wat tot rust was gekomen en dat de rechtbank Rotterdam enkele dagen later het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel heeft afgewezen, doet hier niets aan af. Het is wat dat betreft een momentopname waarover de beoordeling gaat.
6.12.
Hoewel betrokkene op 27 februari 2026 kennelijk wat tot rust was gekomen, is de rechtbank gezien de ontstane escalatie een dag eerder waarbij de betrokkenheid van meerdere zorgmedewerkers nodig is geweest om betrokkene in bedwang te houden, van oordeel dat het noodzakelijk en niet in strijd met voormelde beginselen was om betrokkene gedurende de tweede nacht in te sluiten. Dat er tijdens de nachtelijke uren een mindere bezetting van zorgpersoneel was op de afdeling is dan ook niet de enige reden geweest voor de tweede insluiting. De rechtbank kan de zorgaanbieder bovendien volgen in haar standpunt dat zij de mindere bezetting in de nacht heeft meegenomen in haar afweging of het veilig en verantwoord genoeg is om betrokkene die tweede nacht op zijn kamer te laten verblijven of niet, en in de beslissing om betrokkene naar aanleiding daarvan die nacht in te sluiten in de separeerruimte.
6.13.
De rechtbank is verder van oordeel dat de zorgaanbieder voldoende heeft onderbouwd waarom zij medicatie in de vorm van Depakine heeft toegediend bij betrokkene, nu dit conform de daarvoor geldende medische richtlijnen is gebeurd en daarvoor bij betrokkene op dat moment geen contra-indicaties bestonden. De apotheek van betrokkene heeft bevestigd dat het toedienen van deze vorm van medicatie op dat moment verantwoord was. Dit standpunt is nadien bevestigd door de medisch specialist van betrokkene. Dat betrokkene als gevolg van het gebruik van deze medicatie nadien kennelijk last heeft gehad van bijwerkingen, doet niet af aan de vaststelling dat de toediening van de medicatie op dat moment medisch voldoende verantwoord was.

Schriftelijke beslissing en mededeling tot het verlenen van verplichte zorg genomen op grond van artikel 8:9 Wvggz
6.14.
De rechtbank stelt voorop dat alle vormen van verplichte zorg als tijdelijke verplichte zorg op grond van artikel 7:3 Wvggz zijn toegepast. Nadat de crisismaatregel was uitgesproken, zijn de vormen van verplichte zorg die zien op de opname in de accommodatie, het beperken van de bewegingsvrijheid en de insluiting op grond van die maatregel voortgezet. De noodmedicatie is voor zover de rechtbank kan vaststellen enkel als tijdelijke verplichte zorg toegepast op basis van artikel 7:3 Wvggz. De noodmedicatie is dus niet voortgezet of nogmaals toegepast op grond van de crisismaatregel. De schriftelijke beslissing en mededeling tot het verlenen van verplichte zorg op grond van artikel 8:9 Wvggz van 27 februari 2026 zag feitelijk dan ook niet op het inzetten van alle vormen van verplichte zorg, maar slechts op het voortzetten van de opname in de accommodatie, het beperken van de bewegingsvrijheid en het insluiten. In voormelde beslissing en mededeling is gemotiveerd waarom deze vormen van verplichte zorg zijn voortgezet. Hoewel de rechtbank het oordeel van de klachtencommissie dat deze onderbouwing uitgebreider had gekund kan volgen, ziet de rechtbank hierin onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de schriftelijke beslissing en mededeling niet voldoet aan de daartoe gestelde (minimale) eisen.
6.15.
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de klachten van betrokkene, met het oog op het bepaalde in artikel 10:10 Wvggz, ongegrond verklaren.
6.16.
Nu de klachten van betrokkene ongegrond zullen worden verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen aan betrokkene. Het daartoe strekkende verzoek van betrokkene zal daarom worden afgewezen.
<nr>7</nr>De beslissing
De rechtbank:
7.1.
verklaart de klachten van betrokkene ongegrond;
7.2.
wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. Maandag, rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.

Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open.

Artikel delen