Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:6014

Voogdij overdracht van pleegouders naar GI

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:6014 text/xml public 2026-08-05T13:53:02 2026-07-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-04 C/02/447758 / FA RK 26-2266 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6014 text/html public 2026-08-05T13:52:30 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:6014 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-06-2026 / C/02/447758 / FA RK 26-2266
Voogdij overdracht van pleegouders naar GI
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447758 / FA RK 26-2266

Datum uitspraak: 4 juni 2026

Beschikking van de rechtbank over de voogdij overdracht

in de zaak van

de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

Eindhoven,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[pleegouder 1] , voogdes,

en

[pleegouder 2] , voogd,

wonende in [plaats 1] ,

hierna te noemen de (pleeg)ouders,

de gecertificeerde instelling

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

gevestigd te Tilburg,

hierna te noemen de GI.

De rechtbank merkt als informant aan:

[de biologische moeder] ,

wonende te [plaats 2] ,

hierna te noemen de biologische moeder.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

een vertegenwoordiger van de Raad;

de pleegouders;

- een vertegenwoordiger van de GI.

De biologische moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Bij beschikking van 28 september 2018 is het gezag van de biologische moeder over [minderjarige] beëindigd en zijn de pleegouders belast met de voogdij over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 mei 2023 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 25 juli 2025 verlengd tot 12 augustus 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 28 januari 2026 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 8 augustus 2026 en heeft het restant van het verzoek tot uithuisplaatsing aangehouden.
2.4.
[minderjarige] verblijft in een kleinschalige woonvoorziening (accommodatie van een jeugdhulpaanbieder).
2.5.
De GI heeft zich bij brief van 23 april 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De Raad verzoekt de voogdij van de pleegouders, de heer [pleegouder 2] en mevrouw [pleegouder 1] , over [minderjarige] te beëindigen en de GI, te weten Stichting Jeugdbescherming Brabant te Tilburg, te benoemen tot voogd over [minderjarige] .
3.2.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
Namens de Raad wordt aangevoerd dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] op verschillende vlakken. De pleegouders hebben zich gedurende langere tijd aantoonbaar en intensief ingespannen om [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft in haar verzorging en opvoeding. Ondanks deze inzet is de balans tussen draagkracht en draaglast bij de pleegouders structureel verstoord geraakt. Dit heeft ertoe geleid dat de pleegouders niet langer in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen, niet op dit moment en niet in de nabije toekomst. Het opvoedperspectief ligt niet langer bij de pleegouders. De Raad is zich ervan bewust dat door de voogdij van pleegouders te beëindigen het voor [minderjarige] mogelijk voelt als opnieuw een afwijzing. De Raad hoopt echter dat een beëindiging van de voogdij van de pleegouders juist bijdraagt aan een onbelast contact tussen [minderjarige] en de pleegouders. De Raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat de GI wordt belast met de voogdij, omdat de GI inmiddels in het kader van de ondertoezichtstelling al langere tijd betrokken is en goed zicht heeft op wat er speelt in het leven van [minderjarige] .
4.2.
De pleegouders geven aan dat zij achter een beëindiging van hun voogdij over [minderjarige] staan. Zij geven aan dat het niet langer reëel is dat zij de voogdij uitoefenen. De pleegouders maken zich echter wel zorgen over wat het betekent als de voogdij bij de GI wordt belegd. De pleegouders worden door de huidige jeugdbeschermer nagenoeg niet meer betrokken, ondanks dat zij tot op heden nog belast zijn met de voogdij. Ook vinden zij het zorgelijk dat toezeggingen door de jeugdbeschermer, zoals extra begeleiding voor [minderjarige] toen zij de overstap maakte naar de woonvoorziening in [plaats 1] , niet zijn nagekomen. De zorgen die de pleegouders over [minderjarige] hebben blijven onverminderd aanwezig. Zo gaat zij nog niet naar school en heeft zij geen passende dagbesteding. De pleegouders hopen dat een beëindiging van de voogdij bijdraagt aan onbelast contact tussen hen en [minderjarige] . De bij de pleegouders betrokken pleegzorgwerker zal de pleegouders verder begeleiden en ondersteunen in de situatie die ontstaat wanneer de voogdij wordt beëindigd.
4.3.
Namens de GI wordt aangevoerd dat het in het belang van [minderjarige] is dat de voogdij wordt belegd bij een neutrale partij, in dit geval de GI. De GI is bereid de voogdijmaatregel uit te voeren wanneer het verzoek wordt toegewezen. Als de GI wordt belast met de voogdij over [minderjarige] zal worden bekeken bij wie de zaak kan worden ondergebracht. Dit is niet automatisch de huidige jeugdbeschermer omdat dit afhankelijk is van wie er ruimte heeft om deze taak op zich te nemen. De GI kan dan ook nog geen toezegging doen welke jeugdbeschermer de voogdijmaatregel gaat uitvoeren.

De GI merkt op dat niet alle informatie met de pleegouders wordt gedeeld, omdat [minderjarige] zestien jaar is en zelf ook inspraak heeft in welke informatie gedeeld mag worden.
4.4.
[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat er veel is gebeurd waardoor zij kan instemmen met het verzoek van de Raad. Haar pleegouders hebben altijd een hele belangrijke rol in haar leven gespeeld en [minderjarige] wil contact met ze blijven houden.
<nr>5</nr>De beoordeling 5.1.
Ingevolge artikel 1:327, sub a, in samenhang met artikel 1:329 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: [minderjarige] ) kan de rechtbank op verzoek van de raad de voogdij van een natuurlijk persoon beëindigen, indien:

een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de voogd niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of;

de voogd het gezag misbruikt.
5.2.
De kinderrechter overweegt dat [minderjarige] al vanaf dat zij één jaar oud is bij de pleegouders woont. Sinds 28 september 2018 zijn de pleegouders belast met de voogdij over [minderjarige] nadat het gezag van de biologische moeder is beëindigd. Op dat moment was al duidelijk dat ingrijpende levensgebeurtenissen en/of trauma’s grotendeels de oorzaak zijn voor de gedragsproblemen die [minderjarige] laat zien. Traumabehandeling is echter nooit van de grond gekomen, omdat [minderjarige] hier niet aan toe was. Ondanks de forse gedragsproblemen van [minderjarige] hebben de pleegouders zich altijd intensief ingezet om [minderjarige] een zo optimaal mogelijk opvoedingsklimaat te bieden en haar te ondersteunen in alles wat zij nodig heeft. Desondanks is [minderjarige] in mei 2023 onder toezicht gesteld van de GI, mede op verzoek van de pleegouders. Op dat moment verbleef [minderjarige] al op de [groep] van [hulpverlening] . Vanwege onder andere het wegloopgedrag van [minderjarige] en de gevaarlijke situaties waarin zij zichzelf bracht, is zij uiteindelijk gesloten geplaatst. Vanaf februari 2026 verblijft [minderjarige] in een kleinschalige woonvoorziening, eerst in [plaats 1] en inmiddels in [plaats 3] .
5.3.
Uit het voorgaande blijkt dat, ondanks de enorme inzet van pleegouders en [minderjarige] , de ontwikkeling van [minderjarige] nog altijd ernstig wordt bedreigd. Bij [minderjarige] wordt een patroon gezien van mensen aantrekken en afstoten. Er is sprake van onverwerkte trauma’s en hechtingsproblematiek en [minderjarige] bevindt zich in een loyaliteitsconflict ten aanzien van de pleegouders en de biologische moeder die eveneens een patroon van aantrekken en afstoten laat zien. [minderjarige] verblijft al langere tijd niet meer bij de pleegouders, maar ondanks de uithuisplaatsingen zijn de pleegouders altijd zeer betrokken gebleven bij [minderjarige] en hebben zij de voogdijmaatregel zo optimaal mogelijk uitgevoerd. De pleegouders zijn er onvoorwaardelijk geweest voor [minderjarige] , ook in tijden dat dit ontzettend veel van ze vroeg. Inmiddels is de draagkracht van de pleegouders overschreden. Zowel de pleegouders als [minderjarige] zien in dat de huidige maatregel waarbij de pleegouders zijn belast met de voogdij, niet langer de geëigende maatregel is. [minderjarige] woont al langere tijd niet meer bij de pleegouders en het is ook niet de verwachting dat zij in de nabije toekomst weer bij de pleegouders gaat wonen. In het belang van [minderjarige] dient de voogdij bij een neutrale derde, in dit geval de GI, te worden belegd. Dat deze situatie inmiddels is ontstaan, is niet te wijten aan de pleegouders of aan [minderjarige] , maar is het gevolg van alles wat er is gebeurd in het leven van [minderjarige] al voordat zij bij de pleegouders kwam wonen, alsook nadien.
5.4.
Het is de kinderrechter de afgelopen jaren duidelijk geworden dat de pleegouders ontzettend veel van [minderjarige] houden en [minderjarige] van hen. Wat de kinderrechter dan ook vooral hoopt, is dat deze beslissing bijdraagt aan een onbelast contact tussen [minderjarige] en de pleegouders. Doordat de pleegouders niet langer de verantwoordelijkheid dragen voor gezagsbeslissingen ten aanzien van [minderjarige] , kunnen de pleegouders en [minderjarige] zich richten op een bestendiging van de band die er tussen hen bestaat.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>6</nr>De beslissing
De rechtbank:
6.1.
ontslaat de pleegouders van de voogdij over [minderjarige] ;
6.2.
benoemt Stichting Jeugdbescherming Brabant tot voogdes over [minderjarige] ;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 17 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel delen