Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:6016
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-07-2026
Datum publicatie
05-08-2026
Zaaknummer
C/02/447459 / JE RK 26-702
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
ECLI:NL:RBZWB:2026:6016text/xmlpublic2026-08-05T14:00:002026-07-05Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-06-04C/02/447459 / JE RK 26-702UitspraakRekestprocedureNLBredaCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6016text/htmlpublic2026-08-05T13:59:252026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:6016 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-06-2026 / C/02/447459 / JE RK 26-702 Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/447459 / JE RK 26-702
Datum uitspraak: 4 juni 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI, over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.M.W. Essenstam uit Tilburg,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. G.H.M. van Laarhoven uit Tilburg. 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 april 2026;
- de e-mailberichten en het verweerschrift van de moeder van mei 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI. 2De feiten2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van 3 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot 6 juni 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing in een (netwerk)pleeggezin is bij beschikking van 3 oktober 2025 verleend tot 6 juni 2026. 2.3. Op grond van voornoemde beschikking verblijft [minderjarige] in een (netwerk)pleeggezin. [minderjarige] verblijft de ene week bij de grootouders moederszijde (mz) en de andere week bij de grootouders vaderszijde (vz). 3Het verzoek3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. Daarbij wil de GI dat [minderjarige] niet langer bij de verschillende grootouders, maar alleen bij de grootouders (mz) verblijft. 3.2. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten4.1. Namens de GI is aangevoerd dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met een jaar verlengd moet worden omdat haar ontwikkelingsbedreiging nog altijd ernstig is. De ouders zijn op een moeizame manier uit elkaar gegaan en hebben moeite om op een juiste wijze te communiceren met elkaar. Er zijn in het verleden meerdere incidenten geweest waarbij er sprake was van fysiek en verbaal geweld. De GezinsManager is sinds april 2025 betrokken bij de ouders waarbij vooral is ingestoken op oudercommunicatie en opvoedondersteuning. Daarnaast wordt momenteel ingezet op het maken van een ouderschap. In de afgelopen periode is de omgang van de ouders met [minderjarige] verder uitgebreid. Er was sprake van één incident tussen de ouders naar aanleiding van een ziekenhuisopname van [minderjarige] . Hierna zijn er nieuwe communicatieafspraken met de ouders gemaakt door de GezinsManager. De GI heeft er geen vertrouwen dat de ouders in een vrijwillig kader zullen leren om constructief met elkaar te communiceren. Ook zijn de positieve veranderingen nog pril. [minderjarige] heeft een achterstand in haar taalontwikkeling en meer aansturing nodig bij haar ontwikkelingstaken. Betrokkenheid van de GI is hiervoor noodzakelijk.
Wat betreft de uithuisplaatsing voert de GI aan dat de huidige situatie, waarbij [minderjarige] in vier verschillende opvoedsituaties verblijft, niet wenselijk is gebleken. Hoewel gezien wordt dat [minderjarige] zich overal prettig voelt en dat iedereen het beste voor haar wil en ook zijn of haar uiterste best doet om voor haar te zorgen, krijgt [minderjarige] op deze manier niet de kans zich optimaal te ontwikkelen. Zij heeft een taalachterstand en is nog niet zindelijk terwijl zij in oktober naar de basisschool zal gaan. De GezinsManager heeft daarom geadviseerd om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen maar deze te laten plaatsvinden bij de grootouders moederszijde. De moeder dient hierbij zoveel als mogelijk de opvoeding van [minderjarige] te doen in het huis van de grootouders. Er is geadviseerd om de contactregeling van de vader te laten zijn op de dagen dat hij niet hoeft te werken, zodat hij zijn aandacht dan volledig op [minderjarige] kan richten. [minderjarige] kan in deze dagen ook contact hebben met haar grootouders aan vaderszijde om zo met hen de band te behouden. 4.2. Tijdens de mondelinge behandeling is hier namens de GI aan toegevoegd dat zij van de GezinsManager mondeling hebben vernomen dat de GezinsManager de moeder thans wel klaar acht om voor [minderjarige] te zorgen. Dit staat echter nog niet op schrift en ook heeft de GI deze ontwikkeling niet intern kunnen bespreken of een plan van aanpak kunnen opstellen. Vanwege de vereiste zorgvuldigheid bij een terugplaatsing bij de moeder, handhaaft de GI het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders mz voor de duur van zes maanden, zodat de komende periode de benodigde stappen kunnen worden gezet. 4.3. Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij zich kan vinden in een verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar maar dat zij zich verzet tegen een verlenging van de uithuisplaatsing zoals is voorgesteld. [minderjarige] heeft geleden doordat zij in vier verschillende opvoedsituaties verbleef. Zij heeft nu een taalachterstand en is nog niet zindelijk. De moeder wil dat [minderjarige] op een stabiele opvoedplek - terug bij haar - kan komen en op deze wijze rust, stabiliteit, liefde en duidelijkheid krijgt. Een fulltime plaatsing van [minderjarige] bij de grootouders mz is niet nodig aangezien de moeder geschikt is als opvoeder. Er is hierover geen twijfel vanuit de hulpverlening. De moeder kan gebruik maken van haar ouders als opvang voor [minderjarige] , als de moeder weg moet, bijvoorbeeld voor school of werk. De grootouders is al te lange tijd de rol van grootouders ontnomen omdat zij in plaats daarvan opvoeders moesten zijn. De moeder erkent dat er (communicatie)problemen bestaan tussen haar en de vader van [minderjarige] , maar dat [minderjarige] hiervan niet de dupe mag zijn. Zij is bereid om hier verder aan te werken. 4.4. Door en namens de vader is aangevoerd dat ook hij zich kan vinden in de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling maar dat hij verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. De vader meent dat, ondanks de (communicatie)problemen met de moeder, [minderjarige] het beste af is als zij wordt opgevoed bij de moeder en daarnaast een goede omgangsregeling heeft met de vader. De vader zou liever een uitgebreidere omgangsregeling hebben met [minderjarige] . Er is destijds en ook nu ten onrechte door de GI niet gekeken naar de mogelijkheid om [minderjarige] bij de vader te plaatsen. Hij is werkzaam in een familiebedrijf en kan daarom flexibel omgaan met zijn werktijden en op die manier voor [minderjarige] zorgen. 5De beoordeling Het wettelijk kader: 5.1. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.3. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.4. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.5. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] nog altijd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De ouders hebben positieve stappen gezet maar de eerder gestelde doelen zijn nog niet behaald. [minderjarige] heeft een taalachterstand en zij is nog niet zindelijk terwijl zij over een aantal maanden al naar de kleuterschool gaat. Verder zijn er nog geen werkende afspraken over de communicatie tussen de ouders en is er nog geen ouderschapsplan. Ondanks dat de ouders nu duidelijk het belang van [minderjarige] voorop stellen, ziet de kinderrechter nog geen mogelijkheden om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen in een vrijwillig kader. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar verlengen. 5.7. Iedereen is het erover eens dat de huidige situatie, waarbij [minderjarige] in vier verschillende opvoedsituaties verblijft, niet goed is voor [minderjarige] . Hoewel duidelijk is dat zowel de grootouders als de vader en de moeder liefdevol en betrokken zijn en het beste voorhebben met [minderjarige] , is ook door alle partijen uitgesproken dat [minderjarige] het beste af is in een situatie waarbij zij zal worden teruggeplaatst bij de moeder. Gelet op het meest recente advies van de GezinsManager, ziet de kinderrechter aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders moederszijde te verlengen voor de duur een maand en het verzoek voor het overige af te wijzen. De uithuisplaatsing van een kind is immers een zeer ingrijpende maatregel die niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk. In deze periode kan de GI de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder op zorgvuldige wijze laten plaatsvinden.
Tot slot benadrukt de kinderrechter dat de ouders, in het belang van [minderjarige] , als team moeten samenwerken. Alleen dan kan [minderjarige] zich op een gezonde manier en zo optimaal mogelijk ontwikkelen. 5.8. De beslissing over de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. 5.9. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 6 juni 2026 tot 6 juni 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (grootouders moederszijde) met ingang van 6 juni 2026 tot 6 juli 2026; 6.3. wijst het verzoek voor het overige af; 6.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 2 Besluit gezagsregisters.