Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:6035

Nauwe persoonlijke betrekking, vaststelling omgangsregeling

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:6035 text/xml public 2026-08-04T10:46:05 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-05 C/02/439608 / FA RK 25-4598 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6035 text/html public 2026-08-04T10:35:17 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:6035 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-06-2026 / C/02/439608 / FA RK 25-4598
Nauwe persoonlijke betrekking, vaststelling omgangsregeling

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/439608 / FA RK 25-4598

datum uitspraak: 5 juni 2026

beschikking betreffende vaststelling omgangsregeling

in de zaak van

[verzoeker] ,

hierna: verzoeker

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. Z. Vis te Zoetermeer,

en

[verzoekster] ,

hierna: verzoekster,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. Z. Vis te Zoetermeer,

hierna gezamenlijk te noemen: de verzoekers,

tegen

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. S.J. Nijssen te Goes,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna: [minderjarige] .

Informanten in deze procedure zijn:

[persoon] ,

hierna: [persoon] ,

wonende in [plaats] ,

het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),

gevestigd in Eindhoven,

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
<nr>1</nr>Het procesverloop 1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 5 september 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het F9-formulier met bijlagen van mr. Vis, ontvangen op 11 september 2025;

- het F9-formulier van mr. Vis, ontvangen op 16 september 2025;

- het F9-formulier met bijlage van mr. Vis, ontvangen op 22 september 2025;

- het F9-formulier met bijlagen van mr. Vis, ontvangen op 5 maart 2026;

- het verweerschrift van mr. Nijssen, ontvangen op 6 maart 2026.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 11 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de verzoekster en de vrouw, met hun advocaten. Ook waren [persoon] , twee vertegenwoordigers van de GI en een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
De vrouw is de moeder van [minderjarige] .
2.2
Op 2 november 2020 heeft [persoon] [minderjarige] erkend.
2.3
Bij beschikking van 30 augustus 2024 heeft de rechtbank het verzoek tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door [persoon] afgewezen. Deze beschikking is door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 24 juli 2025 vernietigd en voorts heeft het Hof, opnieuw rechtdoende, de erkenning van [minderjarige] door [persoon] vernietigd.
2.4
De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige] .
2.5
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.6
Bij beschikking van 5 juni 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 5 juni 2023 en tot 5 juni 2024. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 28 november 2025 voor de periode van 5 december 2025 en tot 5 juni 2026.
<nr>3</nr>Het verzoek en de standpunten 3.1
De verzoekers verzoeken bij beschikking, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, onder compensatie van proceskosten, te bepalen dat [minderjarige] bij verzoekers zal verblijven eenmaal per twee weken op dinsdagmiddag uit school, waarbij zij één keer in de twee maanden ook blijft logeren, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht.
3.2
De vrouw is het niet eens met het verzoek en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De rechtbank dient dus allereerst te beoordelen of verzoekers in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot [minderjarige] . Alleen indien deze vraag bevestigend beantwoord wordt, kunnen verzoekers ontvangen worden in een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met [minderjarige] .
4.2
Verzoekers zijn de moeder van [persoon] en haar partner. Verzoekers betogen dat zij een nauwe persoonlijke betrekking hebben met [minderjarige] en dus ontvankelijk zijn in hun verzoek. Zij stellen dat sprake is van family life doordat zij sinds de geboorte van [minderjarige] als grootouders een intensieve en liefdevolle band met haar hebben opgebouwd. Zij verwijzen ter onderbouwing van dit standpunt naar het verweerschrift van de bijzondere curator, opgesteld ten behoeve van de procedure bij het Hof ’s-Hertogenbosch, en de schriftelijke verklaring van [persoon] . Sinds haar geboorte logeerde [minderjarige] wekelijks bij verzoekers en zij werd structureel twee dagen per week door verzoekers verzorgd. Dit overstijgt een normale relatie tussen grootouders en een kleinkind. Verzoekers waren de enigen aan wie de vrouw in de eerste periode na de geboorte het vertrouwen gaf om voor [minderjarige] te zorgen, mede vanwege de moeilijke omstandigheden waarin beide ouders op dat moment verkeerden. Verzoekers boden in die periode stabiliteit en veiligheid, en hebben zich als hechtingsfiguren in het leven van [minderjarige] ontwikkeld. Het contact met [minderjarige] is al die tijd goed verlopen, totdat de vrouw vorig jaar plotseling mededeelde dat verzoekers geen contact meer mochten hebben met [minderjarige] omdat zij niet de biologische grootouders van [minderjarige] zijn. Sindsdien zien verzoekers [minderjarige] enkel tijdens de omgangsmomenten van [persoon] op woensdagmiddag.
4.3
De vrouw stelt dat verzoekers niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek, omdat er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen verzoekers en [minderjarige] . De vrouw betwist dat verzoekers belangrijke hechtingsfiguren zijn voor [minderjarige] . Dat verzoekers liefdevol zijn geweest naar [minderjarige] wordt niet ontkend, maar het is niet zo dat zij zoveel voor [minderjarige] hebben gezorgd dat kan worden gesteld dat sprake is van ‘family life’. Er is weliswaar veelvuldig contact geweest tussen [minderjarige] en verzoekers, maar de vrouw stelt dat er geen sprake is geweest van een substantiële oppasregeling met structureel en intensief contact dat het gebruikelijke contact tussen grootouders en een kleinkind overstijgt. [minderjarige] heeft bijvoorbeeld niet bij verzoekers ingewoond en de vrouw betwist dat verzoekers een deel van de zorg voor [minderjarige] op zich hebben genomen. Dit zou slechts anders zijn indien verzoekers in verband met afwezigheid van de vrouw voor langere tijd de volledig zorg voor [minderjarige] zouden hebben gedragen. Dit is nadrukkelijk niet het geval. De vrouw is dan ook van mening dat er geen sprake is van ‘family life’ en de noodzakelijke nauwe persoonlijke betrekking ontbreekt.
4.4
Door de GI is toegelicht dat er geen zicht is op de frequentie van het contact tussen [minderjarige] en verzoekers. Evenmin heeft de GI zicht op de hechting tussen [minderjarige] en verzoekers.
4.5
[persoon] licht toe dat hij zijn wekelijkse contactmomenten met [minderjarige] deelt met verzoekers. Dit acht hij in het belang van [minderjarige] , gezien de intensieve mate van contact die verzoekers en [minderjarige] hadden voordat dit contact door de vrouw werd verbroken.
4.6
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen verzoekers en [minderjarige] en neemt daarbij het volgende in overweging. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat verzoekers aanvankelijk in de veronderstelling waren dat [minderjarige] de biologische dochter van hun zoon, [persoon] , was. Na de geboorte van [minderjarige] hebben verzoekers op haar gepast en heeft [minderjarige] bij verzoekers gelogeerd. Door verzoekers is gesteld dat [minderjarige] twee dagen per week bij hen was en ongeveer één keer per week bleef logeren. Hoewel de vrouw betwist dat [minderjarige] wekelijks bij verzoekers logeerde, erkent zij wel dat er veelvuldig contact is geweest tussen verzoekers en [minderjarige] en heeft zij verklaard dat verzoekers zeker in de eerste periode van het leven van [minderjarige] betrokken waren omdat het op dat moment minder goed ging met de vrouw zelf. Ook is door de vrouw toegelicht dat verzoekers ook in de periode daarna op [minderjarige] pasten, bijvoorbeeld als de vrouw een privé-afspraak had of moest werken. Verzoekers droegen tijdens deze oppasmomenten de verantwoordelijkheid voor de zorg- en opvoedtaken van [minderjarige] . Uit de door verzoekers overgelegde schriftelijke verklaring van [persoon] volgt dat verzoekers intensief betrokken zijn geweest bij [minderjarige] sinds haar geboorte en dat [minderjarige] wekelijks bij verzoekers heeft overnacht. Verder is gebleken dat de bijzondere curator in het verweerschrift van 4 maart 2025 heeft opgenomen dat [minderjarige] regelmatig contact had met verzoekster, die zij ziet als oma en die zij ook zo noemt. Ook volgt uit dit verweerschrift dat de biologische vader van [minderjarige] aan de bijzondere curator heeft verteld dat hij [persoon] en verzoekster dankbaar is voor wat zij voor [minderjarige] hebben gedaan in de periode dat hij nog niet in beeld was. Voorts neemt de rechtbank hierbij de foto’s die door verzoekers zijn overgelegd in acht, waaruit blijkt dat sprake was van ontspannen contacten tussen [minderjarige] en verzoekers. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake was van structureel en regelmatig contact tussen verzoekers en [minderjarige] en dat er meer contact was tussen verzoekers en [minderjarige] dan gebruikelijk is tussen grootouders en kleinkinderen. Gelet op het voorgaande is de betrokkenheid van verzoekers voldoende om tot een nauwe persoonlijke betrekking met [minderjarige] te concluderen. De rechtbank acht verzoekers dan ook ontvankelijk in hun verzoek om een omgangsregeling met [minderjarige] vast te stellen.

Inhoudelijke beoordeling
4.7
Uit artikel 1:377a, tweede lid, BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd. Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, ofb. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, ofd. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
4.8
Verzoekers verzoeken te bepalen dat [minderjarige] bij de verzoekers zal verblijven eenmaal per twee weken op dinsdagmiddag uit school, waarbij zij één keer in de twee maanden ook blijft logeren. Verzoekers benadrukken dat het contact met [minderjarige] niet alleen voor henzelf van groot belang is, maar vooral in het belang van [minderjarige] zelf, die gebaat is bij continuïteit en vertrouwde hechtingsfiguren in haar leven. Verzoekers maken zich zorgen over [minderjarige] doordat de vrouw het contact van de een op de andere dag heeft verbroken. Sindsdien kunnen verzoekers [minderjarige] alleen nog zien tijdens de omgangsmomenten van [persoon] met [minderjarige] . Zij zien haar dan wekelijks of om de week. Dit is echter geen wenselijke situatie, aangezien [persoon] maar beperkt omgang heeft met [minderjarige] en [minderjarige] graag bij [persoon] is, waardoor verzoekers die omgang liever niet verder willen beperken. Als verzoekers [minderjarige] zien, vraagt [minderjarige] hen regelmatig of zij mag komen logeren. Dat de omgang met verzoekers te belastend zou zijn voor [minderjarige] , wordt betwist. [minderjarige] voelt zich namelijk thuis bij verzoekers en zij zullen haar rust en stabiliteit bieden. Bovendien hoeft de omgang met verzoekers de hobby’s van [minderjarige] niet te doorkruisen, nu zij haar graag naar zwemles of balletles willen brengen. Verzoekers staan open voor een andere omgangsregeling dan verzocht, als dat in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Het liefst zou verzoekster hierover afspraken maken met de vrouw. Zij hoopt dan ook dat het contact met de vrouw hersteld kan worden. Dit zal ook voorkomen dat [minderjarige] last heeft van spanningen tussen alle betrokkenen.
4.9
De vrouw stelt zich op het standpunt dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat er contact is tussen verzoekers en [minderjarige] . De onderlinge verstandhouding tussen de vrouw en verzoekers is niet goed, onder andere doordat de relatie tussen de vrouw en [persoon] flink is verslechterd. Het gevolg daarvan is dat [minderjarige] daardoor spanningen ervaart. De vrouw is bang dat er bij [minderjarige] een loyaliteitsconflict zal ontstaan en dat de spanningen bij haar zullen toenemen door de omgang met verzoekers. Daar komt bij dat de biologische vader van [minderjarige] op dinsdag en vrijdag omgang heeft met [minderjarige] en [minderjarige] daarnaast erg druk is, onder meer door zwemles, ballet en school. Een omgangsregeling met verzoekers is niet in het belang van [minderjarige] omdat het dan te veel voor haar zal worden. Verder merkt de vrouw dat [minderjarige] last heeft van het gedrag van verzoekster, bijvoorbeeld doordat zij verzoekers verplicht opa en oma moet noemen terwijl zij dit niet wil. Ook heeft de vrouw meermaals geconstateerd dat verzoekster [minderjarige] ophaalt voorafgaand aan een omgangsmoment met [persoon] , terwijl deze omgangsregeling is bedoeld voor [persoon] . De vrouw is van mening dat verzoekster op deze wijze misbruik maakt van de mogelijkheid tot het hebben van contact tussen haar en [minderjarige] . Gelet op het voorgaande is de vrouw van mening dat de omgang op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] en dat het verzoek daarom moet worden afgewezen.
4.10
De GI ziet dat [minderjarige] het meest gediend is met rust, duidelijkheid en het beperken van complexiteit in haar netwerk. De GI verwacht dat een omgangsregeling met verzoekers een extra belasting zal vormen voor [minderjarige] en dat dit haar in een loyaliteitsconflict kan brengen doordat de onderlinge verstandhouding tussen de vrouw en verzoekster en tussen [persoon] en verzoekers niet goed is.
4.11
De Raad zou [minderjarige] contact met verzoekers gunnen als de verhouding tussen verzoekers en de vrouw goed zou zijn. De verhoudingen zijn echter verslechterd en duidelijk is dat de vrouw niet achter een omgangsregeling met verzoekers kan staan. Daarbij betrekkende dat ook de relatie tussen [persoon] en verzoekers gespannen is, maakt dat de Raad weinig mogelijkheden ziet dat [minderjarige] op een onbelaste manier contact kan hebben met verzoekers. Daar komt bij dat de biologische vader inmiddels ook een rol speelt in het leven van [minderjarige] en er een kans is dat de omgangsregeling met de biologische vader verder zal worden uitgebreid. Al met al acht de Raad een omgangsregeling met verzoekers daardoor op dit moment niet in het belang van [minderjarige] .
4.12
[persoon] acht het in het belang van [minderjarige] dat er contact blijft tussen verzoekers en [minderjarige] . Er is op dit moment ook contact tussen verzoekers en [minderjarige] , maar dit gaat ten koste van de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en [persoon] .
4.13
De rechtbank dient te beoordelen of de omgangsregeling zoals door verzoekers is verzocht ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] , of verzoekers kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moeten worden geacht tot omgang of dat omgang anderszins in strijd zou zijn met zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.
4.14
Gebleken is dat sprake is van een complexe situatie en dat de verstandhouding tussen de volwassenen om [minderjarige] heen in de afgelopen jaren (ernstig) verstoord is geraakt. Ook is gebleken dat de zelfstandige omgang tussen [minderjarige] en verzoekers enige tijd geleden is stopgezet door de vrouw, terwijl zij daarvoor veelvuldig contact met elkaar hadden. Sindsdien hebben [minderjarige] en verzoekers wekelijks of tweewekelijks contact met elkaar tijdens de omgangsmomenten van [persoon] . Dit wordt toegestaan door [persoon] omdat hij het belangrijk vindt dat [minderjarige] contact houdt met verzoekers. Hoewel de GI ter zitting heeft toegelicht dat een omgangsregeling met verzoekers een extra belasting zal vormen voor [minderjarige] , staat de GI wel toe dat het contact tussen [minderjarige] en verzoekers in de afgelopen periode op deze wijze is vormgegeven. Met verzoekers is de rechtbank van oordeel dat dit geen wenselijke situatie is, nu het contact tussen [minderjarige] en verzoekers de omgang tussen [minderjarige] en [persoon] beperkt. Daar komt bij dat is gebleken dat de relatie tussen verzoekers en [persoon] met momenten gespannen is.

Omdat [minderjarige] wel een nauwe persoonlijke betrekking heeft met verzoekers en niet is weersproken dat [minderjarige] aangeeft dat zij graag contact wil met verzoekers, vindt de rechtbank het vooralsnog niet in haar belang dat het contact tussen verzoekers en [minderjarige] wordt gestopt. Daarbij betrekt de rechtbank dat verzoekers hechtingsfiguren lijken te zijn voor [minderjarige] . Nu er de afgelopen periode al zo veel is veranderd in het leven van [minderjarige] acht de rechtbank het belangrijk dat een dergelijke band niet wordt doorbroken. Gebleken is immers dat hoewel de vrouw de zelfstandige omgang met verzoekers heeft stopgezet, verzoekster [minderjarige] wel doorlopend is blijven zien.

De rechtbank begrijpt echter dat het gelet op de complexe situatie rondom [minderjarige] niet in haar belang is dat er nieuwe verplichtingen voor haar ontstaan of het contact met haar biologische vader en [persoon] in het gedrang zou komen of de gehele situatie te zwaar voor [minderjarige] zelf zou zijn. Daarom zal de rechtbank een voorlopige omgangsregeling bepalen en de GI verzoeken om deze omgang goed te monitoren.

De rechtbank zal, om de situatie voor [minderjarige] zo min mogelijk te veranderen, bepalen dat verzoekers en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar één keer in de twee weken op woensdagmiddag voor de duur van één uur, voorafgaand of na afloop van de omgang tussen [persoon] en [minderjarige] . Op deze wijze probeert de rechtbank zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de voor [minderjarige] gewenste rust en duidelijkheid. Omdat verzoekster ter zitting heeft aangegeven dat geen sprake is van boosheid richting de vrouw, verwacht de rechtbank dat verzoekster haar uiterste best zal doen om eventuele contactmomenten met de vrouw in het belang van [minderjarige] goed te doen verlopen. Ditzelfde verwacht de rechtbank van de vrouw. Op die manier wordt immers voorkomen dat [minderjarige] wordt belast met spanningen tussen voor haar belangrijke personen.
4.15
De rechtbank verzoekt de GI om de omgang tussen [minderjarige] en verzoekers te monitoren. In afwachting van het verloop van deze voorlopige omgangsregeling, zal de rechtbank de definitieve beslissing op het verzoek aanhouden tot de nadere mondelinge behandeling van [datum] 2026 om [uur]. De GI wordt verzocht om uiterlijk één week voor voornoemde nadere mondelinge behandeling een briefrapportage in te dienen over de actuele stand van zaken en ontwikkelingen, met een afschrift daarvan aan (de advocaten van) partijen en de Raad.
4.16
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing direct zal gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>5</nr>De beslissing
De rechtbank
5.1
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat verzoekers en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar eenmaal in de twee weken op woensdagmiddag voor de duur van één uur, voorafgaand of na afloop van het omgangsmoment tussen [persoon] en [minderjarige] ;
5.2
houdt de beslissing op het verzoek aan tot de mondelinge behandeling van [datum] 2026 om [uur] uur ten overstaan van mr. Dijkman voor de duur van 60 minuten, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 te Middelburg;
5.3
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor (de advocaten van) partijen en de Raad;
5.4
bepaalt dat [persoon] en de GI per aparte brief worden opgeroepen voor de nadere mondelinge behandeling;
5.5
bepaalt dat de griffier een afschrift van de beschikking aan de GI toezendt;
5.6
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Artikel delen