Verlengen ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Schriftelijke uitspraak.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:6040
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-07-2026
Datum publicatie
04-08-2026
Zaaknummer
447674
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
ECLI:NL:RBZWB:2026:6040text/xmlpublic2026-08-04T10:54:042026-07-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-06-05447674UitspraakRekestprocedureBeschikkingNLMiddelburgCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6040text/htmlpublic2026-08-04T10:53:352026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:6040 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-06-2026 / 447674 Verlengen ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Schriftelijke uitspraak.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/447674 / JE RK 26-754 Datum uitspraak: 5 juni 2026 Beschikking verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI), betreffende
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof uit 's-Heer Arendskerke,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats] . 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 23 april 2026;
- het bericht van de Raad van 19 mei 2026, ontvangen op 26 mei 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- twee vertegenwoordigsters van het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming (hierna: LET JB), namens de GI. Met bericht van afmelding is geen vertegenwoordiger van de Raad verschenen. 1.3. De kinderrechter heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben daar allebei gebruik van gemaakt in een apart gesprek met de kinderrechter. De kinderrechter heeft tijdens de zitting samengevat weergegeven wat de minderjarigen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder. 2.3. Bij beschikking van 18 juni 2021 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 juni 2021 en tot 18 juni 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 17 juni 2025, met ingang van 18 juni 2025 en tot 18 juni 2026. 2.4. Bij beschikking van 21 maart 2024 is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals bepaald in de beschikking van 26 juni 2023, (opnieuw) gewijzigd, in die zin dat de volgende regeling zal gelden:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de even weken in het weekend bij de moeder;
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de oneven weken in het weekend bij de vader van vrijdagavond 18:30 uur tot zondagavond 18:30 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt bij het pannenkoekenhuis in [plaats] . Daarbij geldt dat de ene ouder de kinderen naar deze locatie brengt en de andere ouder de kinderen daar ophaalt. Beide ouders komen alleen; De verdeling voor de vakanties in 2024 zal als volgt gelden:
Goede vrijdag en Pasen 28 maart t/m 1 april 2024 donderdag 28 maart t/m zondag 31 maart 2024 18.30 uur bij de vader; vanaf 31 maart 2024 18.30 uur bij de moeder;
Meivakantie 22 april t/m 3 mei 2024 vrijdag 19 t/m vrijdag 26 april 2024 18.30 uur bij de moeder; vrijdag 26 april t/m vrijdag 3 mei 2024 18.30 uur bij de vader; vanaf 3 mei 18.30 uur bij moeder
Zomervakantie 8 juli t/m 18 augustus 2024 vrijdag 5 t/m 19 juli 2024 18.30 uur bij de moeder; vrijdag 19 juli t/m vrijdag 9 augustus 2024 18.30 uur bij de vader; vrijdag 9 augustus t/m vrijdag 16 augustus 2024 18.30 uur bij de moeder; vrijdag 16 t/m zondag 18 augustus 2024 bij de vader;
Herfstvakantie 21 t/m 27 oktober 2024 vrijdag 18 t/m woensdag 23 oktober 2024 18.30 uur bij de moeder; woensdag 23 t/m zondag 27 oktober 2024 18.30 uur bij de vader;
Kerstvakantie 23 december 2024 t/m 5 januari 2025 vrijdag 20 t/m zaterdag 28 december 2024 18.30 uur bij de vader; zaterdag 28 december 2024 t/m zondag 5 januari 2025 18.30 uur bij de moeder. 2.5. Bij vonnis van 25 april 2024 is door de voorzieningenrechter bepaald dat de
zorgregeling zoals die bij beschikking van 21 maart 2024 is vastgesteld, zodanig voorlopig
wordt gewijzigd en beperkt dat man de zorg voor de kinderen alleen kan hebben onder
begeleiding van een hulpverlener, zulks totdat de GI, in overleg met de hulpverlening,
vaststelt dat dit weer anders kan. 2.6. Aan de vader is bij vonnis van de politierechter van 6 augustus 2024 een contact-
en gebiedsverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Hiervan kan worden afgeweken (ten
behoeve van het maken van afspraken in het kader van hulpverlening) na nadrukkelijke
schriftelijke toestemming door (een medewerker van) op dat moment in het gezin actieve
regievoering/hulpverlening. Het contact vindt in dat geval enkel plaats:
- onder begeleiding dan wel regie van (een medewerker van) op dat moment in het gezin
actieve regievoering/hulpverlening;
- op een door van (een medewerker van) op dat moment in het gezin actieve regievoering/hulpverlening bepaalde locatie;
- voor een door (een medewerker van) op dat moment in het gezin actieve regievoering/hulpverlening bepaalde duur. 2.7. Bij beschikking van 20 februari 2026 is de zorgregeling, zoals die bij de beschikking van 21 maart 2024 is vastgesteld, gewijzigd en is bepaald dat de fysieke omgang tussen de vader en minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] volledig wordt opgeschort voor onbepaalde tijd. 3Het verzoek3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten4.1. De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben allebei aangegeven dat zij het wel fijn vinden dat er hulpverlening bij hen en hun ouders is betrokken en dat zij denken dat dat ook nodig is. Hun visie ten aanzien van het verlengen van de ondertoezichtstelling is neutraal. 4.2. De GI handhaaft het verzoek. Het LET JB heeft tijdens de mondelinge behandeling namens de GI in aanvulling op de stukken nog toegelicht dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De afgelopen tijd is gebleken dat zij geen ruimte hebben voor contactherstel met de vader. De beslissing van de rechtbank om de fysieke omgang tussen de minderjarigen en hun vader voor onbepaalde tijd volledig op te schorten heeft voor rust gezorgd bij de minderjarigen. De vader kan wel kaartjes sturen naar de minderjarigen en hij wordt eens per maand geïnformeerd over de minderjarigen door de moeder, via de GI. Voor [minderjarige 2] is er inmiddels traumatherapie opgestart en voor [minderjarige 1] is er een intake voor traumatherapie gepland. De vader wordt nog steeds geadviseerd om met persoonlijke hulpverlening te werken aan zijn problematiek, maar dit is nog niet van de grond gekomen. De hulpverlening van de moeder in de vorm van IPT is in januari 2026 met goed gevolg afgerond. Er zijn geen zorgen meer over de thuissituatie van de moeder. Er is rust en balans ontstaan en de moeder heeft overzicht, speelt in op de (specifieke) opvoedbehoeften van de minderjarigen, werkt actief mee aan de hulpverleningstrajecten van de minderjarigen en vraagt waar nodig om hulp. Zolang er echter geen verandering plaatsvindt in de gezagssituatie van de minderjarigen, blijft de ondertoezichtstelling noodzakelijk, omdat de ouders niet met elkaar kunnen communiceren en vanwege de dreiging vanuit de vader naar de moeder geen contact met elkaar mogen hebben. 4.3. Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek. De moeder vindt het belangrijk dat de hulpverlening van de minderjarigen door blijft gaan en dat de GI betrokken blijft. De advocaat benoemt daarbij dat de minderjarigen een heftige vorm van dreiging voelen vanuit de vader. De draagkracht van de moeder is volgens de advocaat enorm toegenomen en het gaat erg goed met de moeder. Zolang de gezagssituatie van de minderjarigen niet verandert, is er een ondertoezichtstelling nodig. 4.4. De vader is het niet eens met het verzoek tot het verlengen van de ondertoezichtstelling. Hij is niet tevreden over de wijze waarop de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd. Volgens de vader worden er fouten gemaakt, leugens verspreid en wordt hij gediscrimineerd. De vader vreest dat hij hierdoor zijn gezag over de minderjarigen zal kwijtraken. Hij vindt het verder kwalijk dat de GI niet toewerkt naar contactherstel tussen hem en de minderjarigen en hij vindt dat hij niet juist en tijdig wordt geïnformeerd over de minderjarigen, terwijl hij daar gelet op zijn gezagspositie recht op heeft. De vader wil graag betrokken worden bij de minderjarigen. Ook staat hij open voor hulpverlening. 5De beoordeling Het juridisch kader 5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna:
BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde
instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig
wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of
onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te
achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel
1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.2. Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld
in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen
met ten hoogste een jaar. De inhoudelijke beoordeling 5.3. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar, met ingang van 18 juni 2026 en tot 18 juni 2027. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. 5.4. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het is de kinderrechter gebleken dat de minderjarigen in hun jonge levens al meerdere ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt, zoals een langdurige blootstelling aan spanningen tussen de ouders en dreigingen vanuit de vader, waardoor zij ook bang voor hem zijn. Ook zijn er enerzijds zorgen over het gebrek aan contact tussen de minderjarigen en hun vader, terwijl anderzijds het contact- en locatieverbod van de vader nog steeds van kracht is tot augustus 2026, en de vader nog steeds moeite heeft met het reguleren van zijn emoties en hij zich nog steeds regelmatig dreigend, eisend en grensoverschrijdend uit. Uit de stukken en hetgeen daarover is gezegd tijdens de mondelinge behandeling komt naar voren dat de beslissing van de rechtbank eerder dit jaar om de fysieke omgang tussen de vader en de minderjarigen voor onbepaalde tijd volledig op te schorten voor rust heeft gezorgd bij de minderjarigen. Tegelijkertijd is het de kinderrechter gebleken dat de minderjarigen nog steeds veel angst en onveiligheid ervaren rondom de vader. Kortgeleden heeft er weer een incident plaatsgevonden waarbij [minderjarige 1] ondanks het contact- en gebiedsverbod zijn vader heeft gezien. Daarom is er nu ook voor [minderjarige 1] traumatherapie aangevraagd. De intake staat inmiddels gepland. Voor [minderjarige 2] wordt er al traumatherapie ingezet. Deze wordt binnenkort geëvalueerd. 5.5. Gelet op de hiervoor beschreven zorgen is de kinderrechter van oordeel dat de ouders op dit moment nog onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen in het vrijwillige kader zelf weg te nemen. Er is vanwege het contact- en gebiedsverbod, maar eerder al vanwege de echtscheidingsproblematiek, geen directe communicatie mogelijk tussen de ouders. Vanwege de dreiging vanuit de vader kunnen de ouders op dit moment geen rechtstreeks contact met elkaar hebben. Dit alles maakt dat de ouders op dit moment dus niet in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] samen te dragen. Daarvoor is de regie en tussenkomst van een onafhankelijke derde nodig. Daarbij komt dat ook de contacten tussen de vader en de hulpverlening nog steeds erg moeizaam verlopen. Tijdens de zitting heeft de vader aangegeven dat hij openstaat voor hulpverlening, maar in de praktijk lijkt hij zich daar tot op heden onvoldoende voor in te zetten. De aan de vader geadviseerde persoonlijke hulpverlening is in ieder geval nog niet van de grond gekomen. Gelet op al het voorgaande dient er ook in de komende periode hulp en regie in een gedwongen kader te worden ingezet. De regie en betrokkenheid van de GI blijft de komende periode noodzakelijk. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de duur van een jaar. Deze termijn acht de kinderrechter passend gezien de bovengenoemde forse zorgen. 5.6. De kinderrechter overweegt tot slot dat het van belang is dat de vader wel, met inachtneming van de veiligheid van de minderjarigen, wordt geïnformeerd over het welzijn van de minderjarigen. Namens de GI is tijdens de zitting aangegeven dat er een informatieregeling is die al enige tijd structureel wordt nagekomen in die zin dat de moeder de vader via de GI maandelijks informeert. Ook is namens de GI aangegeven dat de vader, net als de moeder, voor zover mogelijk, wordt geïnformeerd over het verloop van de hulpverlening van de minderjarigen. Vanwege het karakter en het doel van de hulpverlening kan niet alles letterlijk met de ouders worden gedeeld, maar zowel de moeder als de vader krijgen vanuit de GI informatie over hoe de hulpverlening voor de minderjarigen verloopt. Uitvoerbaar bij voorraad 5.7. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het
voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een
eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar, met ingang van 18 juni 2026 en tot 18 juni 2027; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven door mr. Hendriks, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.