Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:6113

De gevorderde verklaring voor recht dat de leaseovereenkomst is ontbonden, wordt afgewezen. Ten tijde van de buitengerechtelijke ontbinding stond slechts één leasetermijn open. Deze tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding met haar gevolgen niet. Om diezelfde wordt ook de gevorderde ontbinding per datum vonnis afgewezen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:6113 text/xml public 2026-07-28T12:30:23 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-08 11530496 CV EXPL 25-517 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Bergen op Zoom Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6113 text/html public 2026-07-28T12:29:14 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:6113 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-07-2026 / 11530496 CV EXPL 25-517 (E)
De gevorderde verklaring voor recht dat de leaseovereenkomst is ontbonden, wordt afgewezen. Ten tijde van de buitengerechtelijke ontbinding stond slechts één leasetermijn open. Deze tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding met haar gevolgen niet. Om diezelfde wordt ook de gevorderde ontbinding per datum vonnis afgewezen.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Bergen op Zoom

Zaaknummer: 11530496 CV EXPL 25-517

Vonnis van 8 juli 2026

in de zaak van

[B.V.] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [B.V.] ,

gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[huurder] , H.O.D.N. [bedrijf],

te [plaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [huurder] ,

procederend in persoon.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 mei 2025, met de daarin genoemde stukken,- de conclusie van antwoord in reconventie,

- de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de akte uitlating/stand van zaken vso van [B.V.] d.d. 11 februari 2026,- het e-mailbericht van (de partner van) [huurder] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Op 20 februari 2024 hebben partijen een huurkoopovereenkomst (financiële leaseovereenkomst) gesloten met betrekking tot de bedrijfsauto, merk Toyota Auris, met [kenteken] (hierna: de auto). De totale leaseprijs bedraagt € 24.613,90 en dient in 60 maandelijkse termijnen van € 333,44 bij vooruitbetaling te worden voldaan vóór of op de eerste werkdag van iedere kalendermaand, waarbij de laatste termijn zal worden verhoogd met € 4.607,50.
2.2.
Per deurwaardersexploot van 2 december 2024 heeft [B.V.] de overeenkomst met [huurder] ontbonden en [huurder] gesommeerd tot afgifte van de auto alsmede over te gaan tot betaling van een totaalbedrag van € 21.865,58, bestaande uit het totaal van de leasetermijnen die hij bij het in stand blijven van de overeenkomst had moeten betalen, vermeerderd met incassokosten en rente.
2.3.
[huurder] heeft geen gevolg gegeven aan de sommatie.
<nr>3</nr>Het geschil
in conventie
3.1.
[B.V.] vordert - samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst met betrekking tot de auto is ontbonden, dan wel deze te ontbinden per de datum van dit vonnis, en

[huurder] te veroordelen totb. afgifte van de auto, zulks op straffe van een dwangsom,

c. betaling van € 23.885,20, te vermeerderen met de rente van 18% per jaar over € 22.279,82,d. betaling van de proceskosten,e. betaling van € 859,10 indien [B.V.] tot inname van de auto moet overgaan,f. betaling van € 211,75 indien [B.V.] tot aangifte bij de politie moet overgaan.
3.2.
[B.V.] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [huurder] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst, door een achterstand te laten ontstaan in de betaling van de leasetermijnen. [huurder] is daarmee in verzuim geraakt. Op grond van artikel 43 van de algemene voorwaarden en/of art. 6:265 lid 1 BW was [B.V.] gerechtigd om over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst. Nadat [B.V.] de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden, is [huurder] niet overgegaan tot het inleveren van de auto dan wel tot betaling van het door hem verschuldigde bedrag. Omdat de leastermijnen niet (tijdig) zijn voldaan, moet [huurder] ook de rente en incassokosten betalen.
3.3.
[huurder] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie
3.5.
[huurder] vordert - samengevat – dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de ontbinding door [B.V.] onrechtmatig was, [B.V.] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 1.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [B.V.] in de proceskosten.
3.6.
[B.V.] voert verweer.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
in conventie
4.1.
Uit de dagvaarding volgt dat [B.V.] de overeenkomst op 2 december 2024 heeft ontbonden na het onbetaald blijven van de termijnen genoemd in de facturen van

22 juni, 22 oktober en 22 november 2024 (alle ter hoogte van € 333,44). Ten aanzien van de termijnen van 22 juni en 22 oktober 2024 is op 11 november 2024 een aanmaning verstuurd. Vervolgens is op 15 november 2024 een bedrag van € 693,45 voldaan, zodat op het moment van ontbinding slechts één termijn openstond. Dit betreft een tekortkoming die vanwege haar geringe betekenis de ontbinding van de overeenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Gelet hierop zal de verzochte verklaring voor recht worden afgewezen.
4.2.
Ook de (subsidiair) gevorderde ontbinding per datum vonnis is gegrond op de stelling dat de drie hiervoor genoemde facturen niet zijn betaald. Om dezelfde redenen genoemd als in rechtsoverweging 4.1., gaat dit niet op. Het overzicht van 11 februari 2026 maakt dit oordeel ook niet anders, omdat dit overzicht niet is toegelicht en [B.V.] ook niet haar stellingen, eis of grondslag heeft gewijzigd.
4.3.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat aan het vaststellen van de beëindigingsvergoeding en overige vorderingen niet wordt toegekomen. De conclusie is dan ook dat ook die vorderingen van [B.V.] worden afgewezen.
4.4.
[B.V.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [huurder] worden begroot op nihil.

in reconventie
4.5.
Hierboven is reeds geoordeeld dat de ontbinding van de overeenkomst door [B.V.] niet rechtsgeldig en daarmee onrechtmatig was. De gevorderde verklaring voor recht is daarmee toewijsbaar.
4.6.
[huurder] heeft voorts een bedrag van € 1.200,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Deze vordering wordt afgewezen omdat deze niet is onderbouwd.
4.7.
Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter

in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [B.V.] af,
5.2.
veroordeelt [B.V.] in de proceskosten aan de zijde van [huurder] tot op heden begroot op nihil.

in reconventie
5.3.
verklaart voor recht dat de ontbinding van de overeenkomst door [B.V.] onrechtmatig was,
5.4.
wijst de overige vorderingen van [huurder] af,
5.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

6:265 lid 1 BW

Artikel delen