Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:6197

Eiseres vordert van gedaagde betaling van een hoofdsom van € 3.126,50, vermeerderd met rente en kosten. Partijen zijn ex-partners van elkaar en eiseres stelt op basis van het tussen partijen gesloten convenant nog recht te hebben op een bedrag van € 3.126,50. Gedaagde betwist dit. De uitleg die door eiseres aan het convenant wordt gegeven, is volgens gedaagdeonjuist. De kantonrechter wijst de v...

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:6197 text/xml public 2026-07-29T13:33:39 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-08 12053568 CV EXPL 26-164 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Breda Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6197 text/html public 2026-07-28T13:27:24 2026-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:6197 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-07-2026 / 12053568 CV EXPL 26-164 (E)
Eiseres vordert van gedaagde betaling van een hoofdsom van € 3.126,50, vermeerderd met rente en kosten. Partijen zijn ex-partners van elkaar en eiseres stelt op basis van het tussen partijen gesloten convenant nog recht te hebben op een bedrag van € 3.126,50. Gedaagde betwist dit. De uitleg die door eiseres aan het convenant wordt gegeven, is volgens gedaagdeonjuist. De kantonrechter wijst de vordering af, omdat uit het convenant niet ondubbelzinnig kan worden opgemaakt dat gedaagde een bedrag van € 3.125,50 aan eiseres verschuldigd is.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: 12053568 CV EXPL 26-164

Vonnis van 8 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. R.J. Oost,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.
<nr>1</nr>De zaak in het kort 1.1.
[eiser] vordert van [gedaagde] betaling van een hoofdsom van € 3.126,50, vermeerderd met rente en kosten. Partijen zijn ex-partners van elkaar en [eiser] stelt op basis van het tussen partijen gesloten convenant nog recht te hebben op een bedrag van € 3.126,50. [gedaagde] betwist dit. De uitleg die door [eiser] aan het convenant wordt gegeven, is volgens [gedaagde] onjuist. De kantonrechter wijst de vordering af, omdat uit het convenant niet ondubbelzinnig kan worden opgemaakt dat [gedaagde] een bedrag van € 3.125,50 aan [eiser] verschuldigd is.
<nr>2</nr>De procedure 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 januari 2026;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>3</nr>De feiten 3.1.
Partijen hebben ter beëindiging van hun geregistreerd partnerschap op 17 april 2025 een convenant gesloten.
3.2.
In het convenant zijn onder andere afspraken opgenomen over de verkoop en verdeling van de overwaarde van de woning. In het convenant is daarover, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:

1. Verkoop en verdeling overwaarde woning

Partijen komen overeen dat de woning, gelegen aan [adres] [plaats 1] , zal worden verkocht.

De woning is eigendom van [gedaagde] . [eiser] heeft echter ook meebetaald aan de lasten van de woning. Daarnaast gaat [eiser] een schuld dragen welke in de gemeenschap valt. Na uitgebreid overleg zijn partijen tot overeenstemming gekomen dat zij de verkoopopbrengst van de woning delen. De overwaarde van de woning zal bij verkoop gelijk tussen partijen worden verdeeld, na aftrek van verkoopkosten en afbetaling van de hypothecaire lening.

Partij B zal de verkoop begeleiden en verplicht zich ertoe elk bod boven de € 475.000, - te accepteren wanneer de woning niet na 6 maanden van tekening is verkocht.

Partij A verleent medewerking waar nodig om de verkoop te bespoedigen.

Na overdracht van de woning zal Partij B direct overgaan tot voldoening van achterstallige leningen aan Partij A.”
3.3.
De woning wordt uiteindelijk verkocht voor € 520.000,00. In verband met de resterende hypotheekschuld van € 375.000,00, blijft er een bedrag van € 145.000,00 aan overwaarde over. Hiervan moeten ook de verkoopkosten worden betaald.
<nr>4</nr>Het geschil 4.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een hoofdsom van € 3.126,50, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat een van de posten die op grond van het convenant vereffend moet worden de lening van hun [dochter] (hierna: [de dochter] ) is. [gedaagde] heeft het aan [de dochter] toekomende bedrag overgemaakt op een spaarrekening op haar naam, maar onder beheer van [gedaagde] . Volgens [eiser] was dat niet de afspraak. Uit het convenant volgt volgens haar dat achterstallige leningen aan haar overgemaakt moeten worden.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt allereerst dat hij de helft van de overwaarde van de woning aan [eiser] heeft overgemaakt. De lening waar [eiser] over praat, is het spaargeld van [de dochter] . Volgens [gedaagde] heeft hij altijd als enige voor [de dochter] gespaard. Hij heeft het spaargeld van [de dochter] in beheer genomen, omdat [eiser] zonder toestemming meerdere keren geld van de spaarrekening gehaald zou hebben. Over de spaarrekening van [de dochter] zijn geen concrete afspraken gemaakt, maar het geld is altijd beschikbaar gebleven voor [de dochter] en zal aan haar worden uitgekeerd als ze 18 jaar wordt. In het convenant is niet opgenomen om welke lening het gaat en voor welk bedrag de lening zou zijn aangegaan. De uitleg die [eiser] geeft aan het convenant, volgt niet uit de tekst.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Gemaakte afspraken geven geen uitsluitsel over lening/spaarrekening
5.1.
Het gaat hier om de vraag of [gedaagde] gehouden is een bedrag van € 3.126,50, exclusief rente en kosten, aan [eiser] te betalen.
5.2.
De kantonrechter overweegt dat in het convenant dat partijen hebben gesloten ter beëindiging van hun geregistreerd partnerschap niets is opgenomen over een lening of de spaarrekening van [de dochter] . In het convenant is in artikel 1 slechts het volgende over een lening opgenomen: “Na overdracht van de woning zal Partij B direct overgaan tot voldoening van achterstallige leningen aan Partij A.” Wat bedoeld wordt met deze achterstallige leningen, wordt nergens in het convenant gespecificeerd of duidelijk gemaakt. Het bedrag van € 3.126,50 wordt daarin ook niet genoemd.
5.3.
Uit de e-mail van 27 mei 2025 van [gedaagde] volgt dat partijen na de verkoop van de woning mogelijk nadere afspraken hebben gemaakt over de overwaarde en het terugbetalen van de lening aan [de dochter] . In deze e-mail is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:

4. Overwaarde en terugbetaling leningen aan [de dochter]

De verkoopprijs van de woning bedraagt € 520.000, - met een resterende hypotheekschuld van € 375.000, -. Dit resulteert in een totale overwaarde van € 145.000, -. Van deze overwaarde worden de makelaarskosten à € 5.200, - afgetrokken. De resterende netto overwaarde bedraagt derhalve € 139.800, - waarvan ieder de helft toekomt: € 69.900, -. Zoals eerder overeengekomen zal [gedaagde] zijn aandeel met € 2.600, - worden verminderd ten gunste van [eiser] haar aandeel. Dit betekent dat het aan [eiser] toekomende aandeel in de netto overwaarde € 72.500, - bedraagt.

Van [gedaagde] zijn deel wordt vervolgens een bedrag van in totaal € 2.926,50 ingehouden ter terugbetaling van eerder geleende bedragen van de rekening van [de dochter]. Dit betreft de volgende posten: € 170,-, € 1.434,-, € 700,-, € 152,-, € 54,50, € 250,- en € 166,-.

De betaling van de makelaarskosten zal rechtstreeks via de notaris aan het makelaarskantoor worden voldaan. Ook de verrekening van de leningen aan [de dochter] zal bij de notariële afwikkeling uit [gedaagde] ’s aandeel plaatsvinden.”
5.4.
Hoewel in het geheel niet duidelijk is welke kracht deze afspraken hebben, maakt de kantonrechter uit voornoemde passage op dat hier gesproken wordt over een lening van € 2.926,50. Ook wordt er gesproken over een bedrag van € 2.600, -. Deze bedragen wijken af van de door [eiser] gevorderde bedragen. Partijen hebben daarnaast niet toegelicht wat de betekenis is van deze afspraken. Het betreft een eenzijdige e-mail en geen door beide partijen ondertekend document.

Vordering van [eiser] wordt afgewezen
5.5.
[eiser] baseert haar vordering tot betaling van het bedrag van € 3.126,50 op het convenant. De kantonrechter overweegt dat uit het convenant geen duidelijke betalingsverplichting van dit bedrag voor [gedaagde] volgt. Dit bedrag wordt in het convenant niet genoemd. Uit het convenant volgt in zijn geheel niet duidelijk welke leningen bedoeld worden in het laatste punt van artikel 1. Partijen hadden er verstandig aan gedaan om afspraken over de spaarrekening van hun dochter concreet en ondubbelzinnig in het convenant op te nemen. Dat hebben zij nagelaten. De e-mail van 27 mei 2025 brengt daarin geen verandering. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

[eiser] moet de proceskosten betalen
5.6.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- nakosten



126,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



126,50
<nr>6</nr>De beslissing
De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 126,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Artikel delen