Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:6603

Kort geding. Toewijzing vordering vervangende toestemming vakantie.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:6603 text/xml public 2026-08-21T10:56:39 2026-07-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-18 C/02/448936 / KG ZA 26-297 Uitspraak Kort geding NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6603 text/html public 2026-08-21T10:55:33 2026-08-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:6603 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-06-2026 / C/02/448936 / KG ZA 26-297
Kort geding. Toewijzing vordering vervangende toestemming vakantie.

vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

zaaknummer: C/02/448936 / KG ZA 26-297

18 juni 2026

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat: mr. T.C. ten Rouwelaar-Hoogland,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 3 producties.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting van 18 juni 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting is de vrouw verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

De man is niet verschenen.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, hierna te noemen [minderjarige] .
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar.
2.3.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.4.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 11 december 2025 is aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, onder meer vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] te reizen naar (de plaatsen Mekka en Medina in) Saudi-Arabië van 15 tot en met 25 december 2025.
<nr>3</nr>De vordering 3.1.
De vrouw vordert bij vonnis in kort geding:

1. aan haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, af te reizen voor vakantie naar, gezien de ter zitting gegeven toelichting, de plaatsen [plaats 1] en [plaats 2] , in de periode van 6 tot en met 23 juli 2026, welke toestemming die van de man vervangt;

2. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure;

3. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De vrouw geeft aan dat zij, ook door tussenkomst van haar advocaat, de man meermalen toestemming heeft gevraagd om akkoord te gaan met haar vakantie met [minderjarige] naar Marokko in de periode van 6 tot en met 23 juli 2026. De man heeft op de verzoeken niet gereageerd. Daarbij heeft de man dus ook niet de aan hem toegestuurde toestemmingsformulieren ondertekend geretourneerd. Het is meerdere keren gebeurd dat de man toestemming voor iets heeft geweigerd. De vrouw verwijst daarbij ook naar productie 3, waaruit blijkt dat zij eind 2025 voor een verblijf in het buitenland eveneens aan de voorzieningenrechter heeft moeten verzoeken om vervangende toestemming en dat daarop toen in het belang van [minderjarige] is beslist. Ter zitting heeft de vrouw ter concretisering van haar reis verwezen naar productie 2, waaruit blijkt dat zij ten behoeve van vakantie en familiebezoek wil afreizen naar de plaatsen [plaats 1] en [plaats 2] in Marokko, in de periode van 6 tot en met 23 juli 2026. Gezien de planning van de eerste vordering is er sprake van een spoedeisend belang. De vrouw wil eerst een toewijzend vonnis, waarna zij de vakantie zal gaan boeken. Omdat de man ook nu niet op de verzoeken reageert, ligt het volgens de vrouw voor de hand dat de man thans wordt veroordeeld in de proceskosten.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1
Omdat de man niet is verschenen, dient de voorzieningenrechter allereerst te beoordelen of ten aanzien van de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen. Gebleken is dat de man door de vrouw via de deurwaarder correct is gedagvaard aan het adres waar hij ten tijde van het uitbrengen daarvan stond ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de gemeente [woonplaats 2] . Uit de voornoemde stukken blijkt dat de man geacht dient te worden bekend te zijn met de dagvaarding met de 3 producties. De voorzieningenrechter zal tegen de man dan ook verstek verlenen. Volledigheidshalve wordt nog het volgende overwogen. Tijdens de zitting is bovendien namens de vrouw door haar advocaat medegedeeld, dat zij aan de man op 8 juni 2026 ook nog een afschrift van de dagvaarding met de producties heeft toegezonden. Daarnaast heeft de vrouw zelf de voornoemde stukken per e-mail aan de man toegestuurd. Ook uit deze informatie blijkt dat man wordt verondersteld bekend te zijn met de onderhavige procedure en de planning van de zitting.
4.2.
Op grond van de gedingstukken en wat tijdens de zitting is besproken, staat het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering vast, nu de vertrekdatum van haar voorgenomen vakantie 6 juli 2026 is.
4.3.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.4.
Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide partijen te beproeven.
4.5.
Nu de man in deze procedure niet is verschenen, is een vergelijk tussen partijen niet mogelijk gebleken en kon de benodigde toestemming van de man niet alsnog worden verkregen. Gebleken is dat de vrouw de formulieren die betrekking hebben op de te geven toestemming voor het reizen naar de zitting heeft meegenomen. Nu de man niet is verschenen kon de voorzieningenrechter niet bemiddelen in het alsnog geven door de man van de vereiste toestemming.
4.6.
De voorzieningenrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat zij met de vrouw, haar moeder, naar Marokko op vakantie kan gaan en familie van de zijde van de vrouw kan leren kennen. Een en ander is ook van belang voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij in Marokko zal verblijven in de plaats [plaats 1] , alwaar haar moeder woonachtig is, en [plaats 2] , waar haar zus woonachtig is. Ook heeft de vrouw aangegeven dat zij wellicht via Spanje zal doorreizen, omdat zij daar ook familie heeft wonen, alsook uit financiële overwegingen, om het laatste stuk naar Marokko met de boot af te leggen.
4.7.
Het voorgaande brengt met zich dat de eerste vordering, die de voorzieningenrechter niet onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, als na te melden zal worden toegewezen. Zoals ter zitting al aan de vrouw gemeld geldt de toewijzing van die vordering voor het reizen naar en van Marokko, eventueel via Spanje. Het is de vrouw in het kader van de onderhavige vervangende toestemming niet toegestaan om, vanwege bijvoorbeeld familiebezoek, in Spanje of een ander derde land te verblijven. Een zodanig verblijf is uitsluitend toegestaan ten behoeve van een doorreis naar en van Marokko.
4.8
De toewijzende beslissing zal, zoals ook is gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dit betekent dat die beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.
4.9.
De vrouw heeft tevens gevorderd om de man te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter ziet daarvoor nog onvoldoende aanleiding. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.10.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
verleent aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, vervangende toestemming om met [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, af te reizen voor vakantie naar [plaats 1] en [plaats 2] , Marokko, en aldaar te verblijven in de periode van 6 juli 2026 tot en met 23 juli 2026;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Deze beslissing is geven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door

mr. Toekoen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 23 juni 2026.




Artikel delen