Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:6621

Verlenging OTS

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:6621 text/xml public 2026-08-21T13:23:15 2026-07-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-18 C/02/442275 / JE RK 25-2086 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6621 text/html public 2026-08-21T13:22:16 2026-08-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:6621 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-06-2026 / C/02/442275 / JE RK 25-2086
Verlenging OTS
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/442275 / JE RK 25-2086

Datum uitspraak: 18 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING., gevestigd te Amsterdam Zuidoost,

hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] .
<nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van de kinderrechter van 17 december 2025 en alle daarin genoemde stukken;

de briefrapportage van de GI van 22 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder;

- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter in gesprek te gaan of zijn mening op een andere manier kenbaar gemaakt.

2. De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn ouders.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 26 januari 2022 is [minderjarige] onder toezicht

gesteld van de GI met ingang van 26 januari 2022 en tot 26 januari 2023.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 januari 2023 deze

ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 26 januari 2023 en tot 26 januari 2024.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 13 juli 2023 is een machtiging verleend

tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 13 juli 2023 en tot 26 januari 2024.
2.6.
Bij beschikking van 27 december 2023 heeft de kinderrechter de

ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 26 januari 2024 tot 27 december

2024. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een

voorziening van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 27 december 2023 en tot

27 december 2024.
2.7.
Bij beschikking van 20 december 2024 heeft de kinderrechter de

ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 27 december 2024 tot 27

december 2025. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van

[minderjarige] in een voorziening van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 27

december 2023 en tot 27 juni 2025. Het restant van het verzoek is aangehouden.
2.8.
Bij beschikking van 17 juni 2025 is het resterende deel van het verzoek tot

verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen.
2.9.
Bij beschikking van 17 december 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 27 december 2025 en tot 27 juni 2026. Het resterende deel van het verzoek werd aangehouden tot de zitting van heden.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Thans ter beoordeling ligt nog voor de resterende periode met ingang van 27 juni 2026 en tot 27 december 2026.
<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
De GI heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat wordt gezien dat de moeder haar best doet, maar dat het haar niet altijd lukt om goed aan te sluiten bij [minderjarige] . Voordat vastgesteld kan worden of bij [minderjarige] sprake is van ADHD, moet eerst trauma of hechtingsproblematiek worden uitgesloten. Het was in eerste instantie de bedoeling dat [accommodatie] onderzoek zou doen naar de problematiek van [minderjarige] , maar hij had destijds veel heimwee en was verdrietig, waardoor hij niet aan zijn behandeling toekwam. Om die reden wil de GI nu kijken of het met intensieve begeleiding mogelijk is en hiervoor is [minderjarige] aangemeld bij Mentaal Beter. De noodzakelijke behandeling voor [minderjarige] kan niet worden opgestart op het moment dat de thuissituatie niet stabiel is. Daar is nu ook sprake van. Daarom denkt de GI dat het nodig is voor [minderjarige] dat hij gedurende de behandeling verblijft op een stabiele plek. Dit zal zowel de ouders als [minderjarige] rust geven. De GI is nog zoekende wat de juiste plek zal zijn. Vooralsnog wordt gedacht aan een deeltijdplek binnen een gezin en hier zal hij eerst een periode moeten stabiliseren. [minderjarige] staat op de wachtlijst. De GI heeft ook oog voor de hulp voor ouders. De GI gunt het [minderjarige] , maar ook de ouders, dat kan worden gewerkt aan de problematiek. Ook het stuk seksualiteit zal hier aan bod komen. De situatie moet echt veranderen.
4.2.
De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat hij het niet eens is met de beoogde hulp voor [minderjarige] , met name omdat dit wederom tot een uithuisplaatsing zal leiden. De eerdere uithuisplaatsingen hebben ook niet geleid tot een andere situatie. Het klopt dat het niet altijd even makkelijk verloopt, maar het probleem ligt voornamelijk tussen de moeder en [minderjarige] . Hij luistert slecht naar haar en daagt veel uit. De ouders beginnen langzaam de handleiding van [minderjarige] wel te begrijpen, hoewel de GI daar anders over denkt. De ouders willen echt niet dat [minderjarige] weer uithuisgeplaatst wordt. Thuis is een goede plek voor [minderjarige] . De vader denkt dat [minderjarige] gewoon medicatie nodig heeft. Dan zal hij ook rustiger worden in zijn hoofd. De vader heeft zelf ook ADD en misschien ook een lichte vorm van ADHD. [minderjarige] heeft het dus niet van een vreemde. De vader had gewild dat de hulpverlening hem had geïnformeerd dat gebeurtenissen op seksueel gebied kunnen doorwerken via het slachtoffer, in dit geval [minderjarige] tijdens zijn verblijf op [accommodatie] , naar een ander slachtoffer, in dit geval het broertje van [minderjarige] , [het broertje] . Dan hadden de ouders daar extra op kunnen letten of in elk geval geweten dat dit een risico kon zijn. Dat vinden de ouders erg moeilijk, zeker omdat bij [accommodatie] – waar een groepsgenoot van [minderjarige] aan het geslachtsdeel van [minderjarige] heeft gezeten – destijds tegen de ouders hebben gezegd dat het er nou eenmaal een beetje bij hoort. [het broertje] mag nu inmiddels alleen nog maar met begeleiding bij hen thuis komen.
4.3.
De moeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij de dokter heeft gebeld voor [minderjarige] , waarbij de moeder heeft gevraagd of [minderjarige] medicatie kan krijgen. [minderjarige] wil dat zelf ook.
<nr>5</nr>De verdere beoordeling 5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat de situatie van [minderjarige] nog steeds zorgelijk is en hij nog steeds in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] komt niet goed tot leren, is snel afgeleid en heeft moeite met concentreren. Als gevolg hiervan laat hij bepaald gedrag zien. Op de zorgboerdering waar [minderjarige] één middag per week naartoe gaat wordt gezien dat het voor hem lastig is om in grote groepen te verblijven, hangt hij veel aan de begeleiding en laat ook hier uitdagend gedrag zien naar andere kinderen toe. Ook in het gezin zijn er spanningen. Het lukt de moeder niet om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft, onder meer voldoende begrenzing en sturing. De vader lijkt beter met het gedrag van [minderjarige] om te kunnen gaan, maar hij is veel aan het werk en hierdoor komt er veel zorg op de schouders van de moeder terecht. De drukte in het gezin, het gedrag van [minderjarige] en de (on)mogelijkheden van de moeder om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft, maakt dat de thuissituatie [minderjarige] onvoldoende rust en veiligheid biedt. Daarnaast ziet de betrokken hulpverlening dat de ouders vanuit aanwezige spanningen in het gezin [minderjarige] regelmatig negatief benaderen, hetgeen effect heeft op hoe [minderjarige] zich voelt. Doordat [minderjarige] op dit moment ook niet goed kan meekomen op school, ervaart hij ook daar negatieve ervaringen. De afgelopen periode is ingezet op ambulante hulpverlening voor [minderjarige] . Ook is gezocht naar behandeling voor [minderjarige] , waarbij in eerste instantie onderzocht zou worden of bij hem sprake is van ADHD. Mentaal Beter zag bij [minderjarige] echter signalen van mogelijke hechtingsproblematiek en/of trauma, hetgeen – indien aanwezig – eerst behandeld dient te worden. Om deze behandeling met succes af te kunnen ronden is vanuit Mentaal Beter aangegeven dat hiervoor nodig is dat [minderjarige] de behandeling vanuit een stabiele thuissituatie aan kan gaan. Hiervan is echter op dit moment geen sprake. Daarnaast ziet betrokken hulpverlening dat de moeder niet leerbaar is om deze situatie thuis wel te kunnen creëren. De kinderrechter acht het derhalve noodzakelijk dat voor [minderjarige] wordt gezocht naar mogelijkheden van waaruit hij kan starten met zijn behandeling. [minderjarige] loopt op dit moment vast en de kinderrechter gunt het [minderjarige] , maar ook de ouders, dat hij geholpen wordt met zijn problematiek en zodoende vanuit die situatie weer stappen kan gaan zetten voor zijn verdere ontwikkeling. Om dit proces in goede banen te kunnen leiden acht de kinderrechter de betrokkenheid vanuit de GI nog noodzakelijk. Nu de ouders niet positief staan tegenover een nieuwe (deeltijd) plaatsing van [minderjarige] , acht de kinderrechter het van belang dat de GI de ouders meeneemt in de stappen die nodig zijn voor [minderjarige] en hen uitlegt wat het doel van de beoogde behandeling is, hoeveel tijd daarmee gemoeid zal zijn en wat daarvoor nodig is en waarom. Hierbij dient ook oog te worden gehouden voor alternatieve mogelijkheden. De kinderrechter benadrukt dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat hij snel wordt geholpen en dat hij de ruimte krijgt om te kunnen werken aan zijn problematiek. De ondertoezichtstelling is derhalve nog steeds noodzakelijk. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek derhalve toewijzen tot 27 december 2026.
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.3.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.4.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
<nr>6</nr>De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 27 juni 2026 en tot 27 december 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier en op schrift gesteld op 2 juli 2026.



Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:260 BW.

Artikel 2 Besluit gezagsregisters

Artikel delen