ECLI:NL:RBZWB:2026:6678text/xmlpublic2026-07-29T10:50:592026-07-21Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-21BRE 25/4334UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLBredaBestuursrecht; BelastingrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6678text/htmlpublic2026-07-29T10:50:322026-07-29Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:6678 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-07-2026 / BRE 25/4334 8:55 Verzet ongegrond.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4334
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende. tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 in het geding tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard. Belanghebbende acht het onjuist dat de rechtbank is overgegaan tot kennelijke onbevoegdheidsverklaring. Belanghebbende heeft een geschil met de ontvanger over het contant betalen van haar belastingen. 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende samen met de heer [persoon] deelgenomen. Namens de ontvanger heeft mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. 2.1 De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 26 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de rechtbank onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.2 Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat zij haar belasting wil betalen, maar wel contant. Belanghebbende stelt dat artikel 4:90 van de Awb deze mogelijkheid biedt. Volgens belanghebbende is sprake van een bestuursrechtelijk geschil, maar heeft de ontvanger in de brief nagelaten te vermelden dat deze beslissing berust op artikel 4:90 van de Awb. 2.3 De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.4 De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van de ontvanger een weigering behelst om een feitelijke handeling te verrichten, te weten het niet accepteren van contant geld. Als zodanig is dat dus geen besluit op grond van de Awb waartegen beroep kan worden ingesteld, en waardoor dus ook het middel van bezwaar niet openstaat. 2.5 Het handelen van de ontvanger vindt (mede) plaats op grond van de aan hem op grond van de Invorderingswet 1990 toekomende bevoegdheden. Hoewel de ontvanger bij de uitoefening van deze bevoegdheden de bepalingen van de Awb in acht dient te nemen, betekent dit niet dat sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking zoals hiervoor geoordeeld. Aangezien het handelen van de ontvanger (mede) haar grondslag vindt in de IW, is de mogelijkheid tot het maken van beroep uitgesloten op grond van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die is opgenomen in de bijlage die bij de Awb behoort. In die bijlage wordt de IW genoemd. Er is dus sprake van handelen waar geen beroep bij de belastingrechter tegen is opengesteld. Dit brengt mee dat geen beroep openstaat. 2.6 De bestuursrechter, waaronder ook de belastingrechter, is dan ook niet bevoegd om van dit geschil kennis te nemen. 2.7 De rechtsbescherming wordt gewaarborgd doordat partijen zich kunnen wenden tot de civiele rechter. De civiele rechter is ter zake bevoegd. Dat dit mogelijk meer kosten meebrengt, maakt niet dat er geen toegang tot de rechter is. Conclusie en gevolgen 3. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 26 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier. De rechter is buiten staat te tekenen. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 13 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3999. Artikel 8:1 van de Awb in verbinding met artikel 7:1 van de Awb. Vgl. Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:674