ECLI:NL:RBZWB:2026:6737text/xmlpublic2026-08-18T09:43:042026-07-22Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-07-22BRE 26/1805UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLBredaBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6737text/htmlpublic2026-08-18T09:42:282026-08-18Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:6737 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-07-2026 / BRE 26/1805 PKV
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1805
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. C.L.J. Beljaarts), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op een aanvraag van 6 november 2025 voor bijzondere bijstand. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat het college op 18 februari 2026 alsnog heeft besloten. 1.1. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft in reactie hierop laten weten dat het college het griffierecht vergoedt. De rechtbank begrijpt hieruit dat het college zich niet verzet tegen een proceskostenveroordeling. 1.2. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Is het college aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. 4.1. Op 10 maart 2026 heeft de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het niet tijdig beslissen ontvangen. Op 18 februari 2026 had het college al een besluit genomen. Uit het dossier blijkt echter dat het college de verzending van het besluit op die datum niet aannemelijk kan maken. Het college heeft het primaire besluit op 26 maart 2026 (nogmaals) per aangetekende post verzonden aan verzoekster. Evenals het college gaat de rechtbank uit van deze datum als datum van bekendmaking van het besluit. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet tijdig beslissen rechtsgeldig is ingesteld en dat het college tegemoetgekomen is aan het beroep van verzoekster. Welk bedrag aan proceskosten moet het college aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Voor zover het college de proceskosten nog niet heeft vergoed, moet het college deze betalen.. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden.Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 22 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.