Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:6982

Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeids¬vermogen (Wet WIA) toe te kennen aan eiser. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de (verzekerings)¬artsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder de depressieve...

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:6982 text/xml public 2026-08-18T10:21:34 2026-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-30 BRE 25/684 WIA Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6982 text/html public 2026-08-18T10:21:07 2026-08-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:6982 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-07-2026 / BRE 25/684 WIA
Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeids¬vermogen (Wet WIA) toe te kennen aan eiser. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de (verzekerings)¬artsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder de depressieve klachten. Zij hebben eiser gezien, psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts b&b heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat eiser benutbare mogelijkheden heeft. De rechtbank kan de verzekeringsarts b&b verder volgen in de beoordeling ter zake de geclaimde beperkingen op de items Persoonlijk en Sociaal functioneren. Beroep ongegrond.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats: Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/684 WIA
uitspraak van 30 juli 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV. Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen aan eiser.

Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd om aan eiser per per 23 januari 2024 een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 tot en met 6 zijn de grondslag van het besluit, het wettelijk kader en het toetsingskader opgenomen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: zijn de beperkingen juist vastgesteld (medische beoordeling) en is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld (arbeidskundige beoordeling). Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Feiten en omstandigheden
2. Eiser is tot 1 december 2021 werkzaam geweest als bloemist voor 37,93 uur per week. Op 25 januari 2022 is eiser vanuit de WW uitgevallen vanwege psychische klachten.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 12 oktober 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van

12 maart 2024 heeft het UWV eiser vanaf 23 januari 2024 een voorschot op de WIA-uitkering toegekend. Het UWV heeft met het besluit van 27 maart 2024 (primair besluit) geweigerd om aan eiser per 23 januari 2024 een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar heeft eiser op 2 december 2024 het UWV in gebreke gesteld. Eiser heeft vervolgens op

27 januari 2025 beroep ingesteld tegen het uitblijven van de beslissing op bezwaar. Hangende dit beroep heeft het UWV alsnog op 28 februari 2025 het bestreden besluit genomen, waarin het bezwaar van eiser ongegrond is verklaard. Eiser heeft in beroep aangegeven dat hij het beroep handhaaft. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb, heeft het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op het besluit van 28 februari 2025.
3.1
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Lieshout.
3.3
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Grondslag bestreden besluit

4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Wettelijk kader

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Toetsingskader

6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

Zijn de beperkingen juist vastgesteld?

7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1
De arts heeft het dossier bestudeerd (inclusief de opgevraagde medische informatie van de psycholoog) en eiser heeft op 12 februari 2024 het spreekuur bezocht. Er vindt geen lichamelijk onderzoek plaats en bij het psychisch onderzoek constateert de arts dat eiser geen duidelijke signalen van geheugen- en concentratiestoornissen vertoonde. Er was wel sprake van veel onrust. Hij vertoonde in de loop van het gesprek geen tekenen van vermoeidheid. Hij legt op open wijze contact en maakt een reele indruk. Als diagnoses stelt de arts een depressieve episode en een reactie op ernstige stress. Volgens de arts is er geen sprake van een situatie van Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden (GDBM) noch is er aanleiding om een urenbeperking aan te nemen. Eiser is aangewezen op regelmatig aangepast werk (zonder nachtdiensten), waarbij eiser aangewezen is op werk zonder hoog handelingstempo, zonder veelvuldige onderbrekingen, in een voorspelbare werksituatie en zonder piekbelasting/deadlines. Verder is eiser beperkt voor het hanteren van emotionele problemen van anderen, conflicthantering en hij kan alleen samenwerken in kleine groepen.

In bezwaar bestudeert de verzekeringsarts b&b eveneens het dossier (inclusief de in bezwaar ingediende medische informatie), is de verzekeringsarts b&b aanwezig bij de hoorzitting en na de hoorzitting is nog een spreekuur gehouden. Eiser is psychisch onderzocht. Er heeft geen lichamelijk onderzoek plaatsgevonden, omdat eiser geen specifieke somatische klachten heeft die niet gerelateerd worden aan de bestaande psychische klachten. De verzekeringsarts b&b constateert bij het psychisch onderzoek geen bijzonderheden voor wat betreft de wijze van contact maken, oriëntatie, aandacht, concentratie en reageren. Eiser heeft een negatief zelfbeeld en lijdt aan acceptatieproblematiek. Zijn stemming imponeert gedrukt met een forse lijdensdruk en er zijn aanwijzingen voor onverwerkte traumatische gebeurtenissen waardoor eiser enigszins onrustig en gejaagd overkomt. Er is sprake van een lichte depressie en en een trauma- en stressgerelateerde stoornis.De verzekeringsarts b&b neemt het oordeel van de arts over GDBM over. De verzekeringsarts b&b wijzigt de beperking voor werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken in die zin dat hij het volledig vermijden van deadlines en productiepieken niet te verdedigen acht en neemt een extra beperking aan voor beroepsmatig vervoer. Daarnaast neemt de verzekeringsarts b&b een urenbeperking van 6 uur per dag/ 30 uur per week aan.

De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 27 februari 2025.
7.2
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat hij lichamelijk vermoeid en zwak is en dat hij psychisch beperkt is door onder meer overspannenheid, een depressieve stoornis, spannings-, somberheids- en stemmingsklachten. Eiser wijt zijn psychische klachten aan een aantal life-events, zoals een vechtscheiding, schulden en het overlijden van zijn vader. Eiser stelt dat er sprake is van een situatie van GDBM en dat aan hem een IVA-uitkering toegekend had moeten worden. De verzekeringsarts b&b heeft te weinig beperkingen aangenomen en er heeft in bezwaar ten onrechte geen lichamelijk onderzoek plaatsgevonden. Zijn psychische klachten zijn chronisch van aard, wat tot het aannemen van meer beperkingen moet leiden. Hij kan geen contact maken met mensen, noch langdurig de aandacht vasthouden. Hij is beperkt op zelfstandig werken en het uiten van eigen gevoelens. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat zijn beroep op de lichamelijke beperkingen vooral ziet op beperkingen door vermoeidsheidsklachten als gevolg van zijn HIV-medicatie. Er had daarnaast een verdergaande urenbeperking moeten worden aangenomen. Eiser verzoekt de rechtbank om een deskundige te benoemen.
7.3
De verzekeringsarts b&b is in de rapportage 23 december 2025 nader ingegaan op de beroepsgronden.
7.4
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de (verzekerings)artsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder de depressieve klachten. Zij hebben eiser gezien, psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Eiser heeft in beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsarts b&b heeft aangenomen. Daarbij zijn – naast het gegeven dat eiser tijdens de zitting de beroepsgronden over het niet uitvoeren van een lichamelijk onderzoek en het beroep op toekenning van een IVA-uitkering heeft laten vallen – onder andere de rapportages van de verzekeringsarts b&b van 7 februari 2025 en 23 december 2025 in aanmerking genomen. Eiser voert in beroep (grotendeels) dezelfde gronden aan als in bezwaar. De verzekeringsarts b&b heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat eiser benutbare mogelijkheden heeft. Uit de rapportages blijkt dat eiser de algemene dagelijkse levensverrichtingen (aankleden, boodschappen, koken) grotendeels zelf verricht en dat hij in staat is zelfstandig boodschappen te doen en naar een afspraak te komen. Dan is er geen sprake van disfunctionerenop micro- en mesoniveau en kan van GDBM geen sprake zijn. Weliswaar stelt eiser terecht dat het niet aannemen van GDBM niet doorslaggevend is voor de belastbaarheid in een werksituatie, maar dat is ook niet het kader van GDBM. Het stellen van GDBM is immers vooral van belang om vast te stellen of er afgezien kan worden van het uitvoeren van een arbeidskundige beoordeling.

De rechtbank kan de verzekeringsarts b&b verder volgen in de beoordeling ter zake de geclaimde beperkingen op de items Persoonlijk en Sociaal functioneren. De verzekeringsarts b&b heeft, mede gelet op hetgeen in het cbbs is opgenomen, inzichtelijk gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat een beperking aan te nemen voor het verdelen van de aandacht. Uit de onderzoeken door de (verzekerings)artsen bleek dat verdelen van de aandacht normaal mogelijk is. Eiser kon zaken tijdens het gesprek begrijpen en kon adequaat reageren. Omdat niet kan worden gesproken van een ernstige stoornis is een beperking in handelingstempo niet te verdedigen. Ook is geen sprake van een stoornis waardoor de mate van zelfstandigheid in het gedrang komt. Er is geen reden om eiser volledig te beperken in contact met anderen, omdat dit eerder herstelbelemmerend zal werken. Er is geen reden om eiser te beperken op op het item eigen emoties uiten, omdat er kort gezegd, geen sprake zal zijn van gevoelsuitingen die door anderen als vreemd worden ervaren, zolang er geen intensieve sociale contactverplichtingen zijn. De opgelegde beperkingen komen hier in voldoende mate aan tegemoet. De rechtbank kan dit volgen.

De geclaimde klachten zijn hoofdzakelijk psychisch en in het dossier zit veel medische informatie. De enige informatie over lichamelijke beperkingen ziet op de HIV-besmetting van eiser. De rechtbank kan de verzekeringsarts b&b volgen in de motivering voor de HIV besmetting geen nadere (fysieke) beperkingen aan te nemen. Daartoe is inzichtelijk gemotiveerd dat uit de informatie van de internist blijkt dat sprake is van goede controles en een ondetecteerbare viral load. Er worden geen bijwerkingen beschreven van de antiretrovirale therapie, waardoor er onvoldoende reden is de lichamelijke klachten te relateren aan het medicatiegebruik. Eiser heeft ook niet nader onderbouwd en geobjectiveerd welke specifieke lichamelijke beperkingen hem belemmeren.

Voor wat betreft de door de verzekeringsarts b&b aangenomen urenbeperking verwijst de rechtbank naar de rapportages van de verzekeringsarts b&b van 7 februari 2025 en 23 december 2025. De verzekeringsarts b&b heeft een urenbeperking tot zes uur per dag (30 uur per week) aangenomen op basis van de Standaard ‘duurbelasting in arbeid’. Volgens de verzekeringsarts b&b is de aangenomen urenbeperking gerechtvaardigd op basis van deels energetische en deels preventieve gronden. Er is bij eiser sprake van een toegenomen recuperatiebehoefte door enerzijds een al langer bestaande slaapproblematiek en anderzijds een door zijn beperkingen verhoogd stressniveau, waardoor eiser relatief snel overvraagd wordt. Eiser heeft zijn gronden in beroep tegen de aangenomen urenbeperking niet geobjectiveerd en de rechtbank heeft geen aanleiding om te oordelen dat de urenbeperking niet juist is.

Aangezien de rechtbank geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de beoordeling door de (verzekerings)artsen, wijst de rechtbank het verzoek om een deskundige te benoemen af.

Niet gebleken is dat in de FML van 27 februari 2025 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.

Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?

8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Archiefmedewerker (SBC-code 315132), Assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) en Medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) .
8.1
Eiser heeft in de gronden aangevoerd dat de geduide functies ten onrechte geschikt voor hem worden geacht. Ter zitting heeft eiser evenwel aangegeven dat de geduide functies passen bij de FML van van 27 februari 2025. Eiser is het niet eens met de hiervoor aangehaalde FML. De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Eisers standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 7.4 heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?

9. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
9.1
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per

23 januari 2024 heeft vastgesteld op 34,08%. Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd per 23 januari 2024.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar is niet-ontvankelijk. Het UWV heeft met het bestreden besluit alsnog beslist op dat bezwaar. Eiser heeft als gevolg hiervan geen procesbelang meer bij een oordeel over het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door het UWV. Het beroep daartegen zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.
10.1
Omdat eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van het nemen van het bestreden besluit, bestaat er aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiser. Ook moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden. De proceskostenvergoeding bedraagt € 467,00, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de proceskostenvergoeding alleen betrekking heeft op het overschrijden van de beslistermijn. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van het bestreden besluit niet-ontvankelijk,

verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond,

bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,00 aan eiser moet vergoeden;

veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 30 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage wettelijk kader
In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Gecontrasigneerd door [verzekeringsarts] .

Artikel delen