Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:7136

Vervangende toestemming vakantie Suriname. Afgifte minderjarige

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:7136 text/xml public 2026-09-03T13:50:00 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-03 C/02/449807 / KG ZA 26-366 Uitspraak Kort geding Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7136 text/html public 2026-09-01T09:48:22 2026-09-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:7136 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-07-2026 / C/02/449807 / KG ZA 26-366
Vervangende toestemming vakantie Suriname. Afgifte minderjarige

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

zaaknummer: C/02/449807 / KG ZA 26-366

Vonnis in kort geding van 3 juli 2025

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

eiseres,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. P. Doorakkers te Oosterhout,

tegen

[de man] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

gedaagde,

hierna te noemen de man,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 2 juli 2026 met zeven producties;

- de op 3 juli 2026 ontvangen schriftelijke reactie van de man;

- de mondelinge behandeling op 3 juli 2026.
1.2
Op 3 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak mondeling met gesloten deuren behandeld omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3
Tijdens de zitting zijn verschenen de man en de vrouw met haar advocaat.
1.4
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, die recentelijk is beëindigd. Uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren.
2.2
De man heeft [minderjarige] , op 1 juni 2026 erkend.
2.3
Partijen zijn, als gevolg van de erkenning van [minderjarige] door de man, samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4
[minderjarige] verbleef bij de vrouw. Op 28 juni 2026 heeft de man [minderjarige] meegenomen naar zijn woning in [woonplaats 2] . De man weigert sindsdien, om hem moverende redenen, om [minderjarige] bij de vrouw terug te brengen.
<nr>3</nr>De vordering 3.1
De vrouw vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. aan haar - ter vervanging van de toestemming van de man - toestemming te verlenen om met de minderjarige [minderjarige] naar Suriname af te reizen in de periode van 5 juli 2026 tot en met 26 juli 2026 en daar te verblijven in het kader van de vakantie;

II. de man te veroordelen [minderjarige] zo spoedig als mogelijk, doch uiterlijk voor zaterdag

4 juli 2026 om 10:00 uur, aan de vrouw over te dragen ten verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat hij zijn medewerking niet verleend, met een maximaal te verbeuren dwangsom van een totaal bedrag ad € 15.000,-;

III. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief nasalaris; met bepaling dat over de proceskosten de wettelijke vertragingsrente verschuldigd zal zijn indien deze kosten niet binnen één week na betekening van dit vonnis zijn voldaan.
3.2
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.

De relatie tussen partijen is zeer recent, namelijk afgelopen zondag 28 juni 2026 verbroken. De man heeft [minderjarige] die zondag meegenomen naar zijn eigen woning in [woonplaats 2] . Partijen hadden, gedurende hun relatie, de afspraak dat zondag papadag was. De man heeft echter de keuze gemaakt om [minderjarige] ook na afgelopen zondag bij zich te houden. De man houdt zich momenteel met [minderjarige] verborgen, zo lijkt het, mogelijk op een vakantiepark en is niet bereid om haar terug te brengen naar de vrouw. Omdat de man op 1 juni 2026 op bedrieglijke wijze [minderjarige] heeft erkend, is het voor de vrouw niet mogelijk om haar via de politie bij de man op te halen. Samen met haar oudste dochter (halfzus van [minderjarige] ), haar ouders, broertje met zijn vriendin en hun dochtertje en de buurvrouw van haar ouders en [minderjarige] een reis geboekt naar Suriname voor de periode van zondag 5 juli 2026 tot en met 26 juli 2026. De man heeft desgevraagd aangegeven geen toestemming te geven voor de reis. De redenen die de man hiervoor aanvoert staan kunnen niet ten grondslag liggen aan de weigering voor een vakantie van [minderjarige] . Gelet op de korte tijd die nog rest heeft de vrouw zich genoodzaakt gezien om onderhavige procedure op te starten.
3.3
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot afwijzing van die vordering.

Ter onderbouwing van zijn verweer voert de man, kort samengevat, het navolgende aan.

Zo heeft de man zorgen over de opvoedkwaliteiten van de vrouw. De man refereert in dat kader aan de inhoud van het raadsrapport waarin deze zorgen uiteen zijn gezet. De man wordt verweten dat hij zonder medeweten en toestemming van de vrouw de erkenning van [minderjarige] heeft geregeld. De man merkt op dat de toestemming van de vrouw al was vastgelegd in de formulieren die hij heeft ingediend bij de gemeente. Het feit dat dit formulier stamt uit oktober 2023 doet daar voor de man niet aan af. De man is met dit formulier naar de gemeente Utrecht gegaan, omdat de vrouw hem zei dat hij niets te zeggen had en dat zij alleen het gezag had. De vrouw heeft overigens de man ook nimmer op de hoogte gesteld van deze vakantie, terwijl hij nu hoort dat deze al in december 2025 is betaald. De man heeft pas recent via derden vernomen van deze vakantie. De man is daar nimmer in gekend en heeft, tot kort voor deze procedure, ook geen inzage gekregen in de reis- en verblijfsgegevens van de vrouw met [minderjarige] . Ook heeft de man zijn bedenkingen bij de bestemming Suriname. Volgens de man is Suriname niet per definitie een veilig land. Met name in het binnenland kan het gevaarlijk zijn voor toeristen. De man is er dan ook niet gerust op dat de veiligheid van [minderjarige] voldoende gewaarborgd is bij de door de vrouw voorgenomen reis.
3.4
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering vast. Immers, de vrouw wenst op 5 juli 2026 met [minderjarige] op vakantie te gaan.
4.2
De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake is van een zeer recente relatiebreuk en de daarbij behorende negatieve emoties. Partijen hebben daarin allebei een houding laten zien die niet past bij een verantwoordelijk ouderschap. Zo heeft de man, overduidelijk zonder toestemming en medewerking van de vrouw, de erkenning van [minderjarige] vastgelegd bij de gemeente. De man is naar eigen zeggen naar de gemeente gestapt nadat de vrouw hem in niet mis te verstande bewoordingen had duidelijk gemaakt dat zij alleen het gezag had en alleen zij beslissingen kon nemen over [minderjarige] . Hieruit had de man niets anders kunnen opmaken dan dat de vrouw niet bereid was om haar toestemming en medewerking te verlenen aan de erkenning. De man is vervolgens met een 3 jaar oud instemmingsformulier naar de gemeente Utrecht gestapt en heeft daar met (een kopie van) het paspoort van de vrouw en de, op dat moment als vermist opgegeven, identiteitskaart van [minderjarige] alsnog de erkenning geregeld. Met deze bedrieglijke wijze van handelen heeft de man laten zien dat hij reeds in dit stadium van de relatiebreuk niet handelt als verantwoordelijk ouder.

In dat kader merkt de voorzieningenrechter op dat het handelen van de vrouw ook kwalijk en bedrieglijk te noemen is. Uit de stukken blijkt namelijk dat de vakantie naar Suriname reeds in december 2025 is betaald en de man, hoewel partijen op dat moment nog een relatie hadden, nimmer op de hoogte is gebracht van deze reis. Partijen maken er kennelijk een gewoonte van om zaken te regelen buiten elkaars medeweten om. Dit is geen gezonde situatie voor [minderjarige] . Overduidelijk is dat er werk aan de winkel is voor partijen, die in ieder geval nog een behoorlijke tijd als ouder van [minderjarige] aan elkaar verbonden zijn. Zo zullen er afspraken gemaakt moeten worden in de vorm van een ouderschapsplan waarbij er ook gekeken worden naar een passende zorgregeling. De voorzieningenrechter heeft partijen ter zitting de mogelijkheid geboden om te bezien of er in voorlopige zin iets kan worden afgesproken, maar partijen hebben daar geen gebruik van gemaakt.
4.3
De voorzieningenrechter stelt vast dat het partijen niet lukt om overeenstemming te bereiken over de vakantie van de vrouw met [minderjarige] naar Suriname van 5 juli 2026 tot 26 juli 2026. Voorop staat dat een vakantie van een kind met een ouder, in beginsel in het belang van het kind is te noemen. Dit geldt dus ook voor [minderjarige] . Uiteraard weegt de voorzieningenrechter wel de bezwaren van de man af, om te beoordelen of ook in deze situatie een vakantie in het belang van [minderjarige] is.

De man heeft op meerdere punten bezwaar tegen deze reis. Zo heeft hij zorgen over de opvoedingsvaardigheden van de vrouw. Hij verwijst hierbij naar het raadsrapport wat hij in het geding heeft gebracht, evenals stukken van het CJG. De voorzieningenrechter leest daarin dat de thuissituatie niet ideaal is, maar dat er geen reden wordt gezien voor een verzoek tot ondertoezichtstelling. Deze zorg van de man maakt daarom niet dat de vrouw niet met [minderjarige] op vakantie zou kunnen. Overigens, mocht er wel sprake zijn van een ondertoezichtstelling, dan nog staat dit niet per definitie een vakantie van een ouder met een minderjarige in de weg.

De man heeft ook bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig aanleveren van reis en verblijfsgegevens van de vrouw op het moment dat zij met [minderjarige] in Suriname verblijft. De voorzieningenrechter constateert dat deze gegevens in een zeer laat stadium zijn verstrekt. Ook de wijze waarop deze vakantie is geregeld is zeer kwalijk, nu de vrouw dit al tijdens de relatie, buiten de man om heeft gepland en geboekt. Uiteindelijk liggen de gegevens er nu wel, waardoor ook dit niet langer een grondslag om de vakantie van de vrouw met [minderjarige] niet toe te staan.

De man heeft ook bezwaar geuit tegen de reisbestemming Suriname. Op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is de kleurcode van Suriname geel (kans op zakkenrollers, diefstal en waarschuwing voor drukke plekken). In perspectief bezien; Spanje, Turkije en andere populaire vakantiebestemmingen dragen ook de kleurcode geel. Er is voor Suriname geen negatief reisadvies. Ook dit maakt niet dat er sprake is van uitzonderlijke bezwaren die in de weg staan aan een vakantie van de vrouw met [minderjarige] .

Tot slot heeft de man aangevoerd dat er nog geen zorgregeling is tussen partijen. Hoewel de voorzieningenrechter zich goed kan voorstellen dat dit voor de man een zorg is, is het niet zo dat het bestaan van een zorgregeling een voorwaarde is voor een vakantie. Mede gelet op de zeer recente relatiebreuk (nog geen week geleden), is het ook haast onmogelijk dat er al een zorgregeling zou zijn. In dat geval geldt dat partijen onderling kunnen overeenkomen dat een vakantie mogelijk is, of aan de rechter kunnen voorleggen of een vakantie wordt toegestaan. Dat is hier nu uiteindelijk gebeurd.
4.4
Dit betekent dat de voorzieningenrechter de vrouw vervangende toestemming zal verlenen voor de reis en het verblijf naar Suriname in de periode van 5 juli 2026 tot en met 26 juli 2026.
4.5
Op dit moment verblijft [minderjarige] bij de man, zonder dat hierover andere afspraken zijn gemaakt dan dat zondag papadag is. Om de vakantie mogelijk te maken is het noodzakelijk dat [minderjarige] het liefst vandaag, maar uiterlijk 4 juli 2026 om 12.00 uur bij de vrouw zal zijn. Op die beslissing is artikel 812 Rv van toepassing.
4.6
De man heeft aangegeven dat het voor hem vanzelfsprekend is om zijn medewerking te verlenen aan de gerechtelijke uitspraak omdat hij anders, naar eigen zeggen, zijn positie als gezagdragende ouder in gevaar brengt. De voorzieningenrechter is dit grondig met de man eens. Het is aan hem om die verantwoordelijkheid te nemen, maar hij moet zich wel realiseren dat het nakomen van dit vonnis ook kan worden afgedwongen, bijvoorbeeld door inzet van de politie. Daarbij zal hij een enorm risico lopen om het gezag weer kwijt te raken, als hij na de bedrieglijke wijze van verkrijgen van het gezag en het zonder overleg bij zich houden van [minderjarige] ook niet zou meewerken aan dit vonnis. Gelet op de korte tijd die nog rest tot de vakantie, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aansporende werking in de gevorderde dwangsom van € 500,- per dag. Immers, over twee dagen is de vlucht, zodat na het verbeuren van € 1000,- het doel wat afgedwongen moet worden al geweest is.
4.7
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet in het handelen van beide partijen geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken, nu aan beide ouders verwijten kunnen worden gemaakt.
4.8
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
verleent de vrouw vervangende toestemming om met [minderjarige] van zondag 5 juli 2026 tot en met zondag 26 juli 2026 te mogen reizen naar en verblijven in Suriname;
5.2
veroordeelt de man om [minderjarige] uiterlijk op zaterdag 4 juli 2026 om 13.00 uur over te dragen aan de vrouw, waarbij gewezen wordt op artikel 812 Rv;
5.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in tegenwoordigheid van Rozendaal, griffier.




Artikel delen