Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:7140

in afwachting van uitspraak GBM is ots en muhp voor ene kind 1 maand verlengt. andere kind 1 jaar verl ots en muhp

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:7140 text/xml public 2026-09-03T13:58:29 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-03 C/02/449316 / JE RK 26-1051 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7140 text/html public 2026-09-01T09:47:33 2026-09-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:7140 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-07-2026 / C/02/449316 / JE RK 26-1051
in afwachting van uitspraak GBM is ots en muhp voor ene kind 1 maand verlengt. andere kind 1 jaar verl ots en muhp
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/449316 / JE RK 26-1051

Datum uitspraak: 3 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,

gevestigd te Eindhoven,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

alleen ten aanzien van [minderjarige 2] :

[de pleegmoeder van minderjarige 2] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder van [minderjarige 2] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

alleen ten aanzien van [minderjarige 1] :

[de pleegouders van minderjarige 1] ,

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 1] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 juni 2026

het bericht van mr. Kouijzer met bijlagen, ontvangen op 3 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk (mevrouw [persoon] ) in de Somalische taal;

een vertegenwoordigster van de GI;

een vertegenwoordigster van de Raad
1.3.
De vader, de pleegmoeder en de pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de zij wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft een brief geschreven aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 31 juli 2019 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de

GI met ingang van 31 juli 2019 en tot 31 juli 2020. Deze maatregel is daarna steeds

verlengd, voor het laatst tot 31 juli 2026.
2.3.
Bij beschikking van 8 januari 2020 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing

van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 8 januari 2020 en tot 31 juli

2020. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 31 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 23 maart 2021 is een machtiging tot uithuisplaatsing van

[minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 23 maart 2021 en tot 31

juli 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 31 juli 2026.
2.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
<nr>3</nr>De verzoeken 3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De GI verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
De GI geeft aan dat de zorgen over de ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nog onverminderd aanwezig zijn. Gezien wordt dat de pleeggezinnen de kinderen positief stimuleren in de ontwikkeling. Het lukt de moeder niet om de adviezen van de hulpverlening aan te nemen en eigen te maken zodat zij haar opvoedvaardigheden kan uitbreiden. De moeder benut ook niet de toegewezen hulpverlening en wijst die al jaren af. De GI heeft de zorg dat wanneer [minderjarige 2] en [minderjarige 1] teruggeplaatst worden bij hun moeder de ontwikkelingsbedreigingen groter worden. Uit het onderzoek van [jeugdhulp] komt naar voren dat de opvoedvaardigheden van de moeder niet toereikend zijn voor de specifieke opvoedbehoeften van de kinderen. Verlenging van de maatregelen is nodig.

De GI kan er mee instemmen wanneer de verlenging van de maatregelen van [minderjarige 1] voor één maand wordt toegewezen in afwachting van de uitspraak over de gezagsbeëindiging van de moeder. Afhankelijk van die uitspraak wordt het resterende deel van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] verder schriftelijk afgedaan.
4.2.
Namens en door de moeder wordt aangegeven dat de moeder kan instemmen met een verlenging van de maatregelen van [minderjarige 1] voor één maand in afwachting van de uitspraak over de gezagsbeëindiging van de vader en moeder. De moeder is er ook mee akkoord dat afhankelijk van die uitspraak het resterende deel van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] verder schriftelijk wordt afgedaan.

De moeder kan ook instemmen met de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 2] .
4.3.
De Raad, die voor de zitting is uitgenodigd om zijn mening te kunnen geven in het kader van zijn toetsing van de voortzetting van de maatregelen op grond van artikel 1:265j, derde lid, BW, heeft ingestemd met de verlenging van de maatregelen ten aanzien van beide kinderen.
<nr>5</nr>De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] groeit op in een pleeggezin. [minderjarige 1] is een kwetsbaar jongetje dat op verschillende ontwikkelingsgebieden extra zorg en begeleiding nodig heeft waarbij eerder is vastgesteld dat zijn moeder dit niet kan bieden. Bemoeienis vanuit het gedwongen kader blijft nodig om [minderjarige 1] te beschermen en om de positieve stapjes die worden waargenomen in zijn ontwikkeling te kunnen waarborgen. Voor [minderjarige 1] is er onlangs een zitting geweest, waarop het verzoek van de Raad om het gezag van de moeder te beëindigen, is behandeld. Er is nog geen schriftelijke uitspraak gewezen.

Alhoewel de moeder heeft aangegeven in te stemmen met het verzoek van de GI ten aanzien van [minderjarige 1] zal de kinderrechter dit verzoek voor één maand toewijzen en het resterende deel van het verzoek aanhouding in afwachting van de uitspraak over de gezagsbeëindiging. De zaak zal daarna voor wat betreft het resterende deel van de verzoeken schriftelijk worden afgedaan.
5.7.
Alhoewel de GI het perspectief van [minderjarige 2] in het netwerkpleeggezin heeft bepaald en [minderjarige 2] een groei doormaakt in haar ontwikkeling zijn de ontwikkelingsbedreigingen daarmee nog niet weggenomen. Deze zijn nog vooral gelegen in ouderfactoren. De samenwerking met de moeder verloopt bij momenten moeizaam. Gebleken is dat de moeder niet altijd toestemming geeft voor belangrijke zaken die [minderjarige 2] aangaan en/of adviezen aanneemt van betrokken hulpverlening. De kinderrechter is van oordeel dat regievoering vanuit de GI nodig blijft om de plaatsing van [minderjarige 2] te kunnen waarborgen en om haar

belangen centraal te kunnen blijven stellen.

Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
5.8.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] voor de duur van één maand onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.

Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissingen ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kunnen worden.
<nr>6</nr>De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 31 juli 2026 en tot 31 augustus 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 31 juli 2026 en tot 31 augustus 2026;
6.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] aan tot 7 augustus 2026 PRO FORMA, in afwachting van de uitspraak in de zaak over de gezagsbeëindiging van de vader en moeder over [minderjarige 1] , waarna het resterende deel van de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] schriftelijk afgedaan zullen worden;
6.4.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] met ingang van 31 juli 2026 en tot 31 juli 2027;
6.5.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 31 juli 2026 en tot 31 juli 2027;
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Willemsen, griffier, en op schrift gesteld op 16 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel delen