Overbouw garage boven de erfgrens. Vordering is verjaard.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7218
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2026
Datum publicatie
20-08-2026
Zaaknummer
11829425 CV EXPL 25-2614
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
ECLI:NL:RBZWB:2026:7218text/xmlpublic2026-08-20T09:17:582026-08-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-06-2411829425 CV EXPL 25-2614UitspraakBodemzaakNLBergen op ZoomCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7218text/htmlpublic2026-08-19T11:51:422026-08-20Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:7218 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-06-2026 / 11829425 CV EXPL 25-2614 Overbouw garage boven de erfgrens. Vordering is verjaard.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 11829425 CV EXPL 25-2614 Vonnis van 24 juni 2026 in de zaak van 1 [persoon 1] , 2. [persoon 2],
beiden wonende te [plaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand, tegen 1 [persoon 3] , 2. [persoon 4],
beiden wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 2] ,
gemachtigde: mr. M. Westenberg, 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 augustus 2025 met producties 1 tot en met 6;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8;- de brieven van 17 december 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte van eiswijziging tevens uitbreiding bewijsaanbod van [partij 2] ;
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald. 2De feiten2.1. Partijen zijn buren van elkaar. [partij 1] is woonachtig aan [adres 1] en [partij 2] is woonachtig aan [adres 2] . [partij 2] is sinds 30 april 2021 eigenaar van de woning. 2.2. Op het perceel van [partij 2] bevindt zich een garage. De zijkant van de garage grenst aan het perceel van [partij 1] . Tussen december 2023 en januari 2024 heeft [partij 2] de asbestplaten van het garagedak vervangen door nieuwe isolatieplaten en is de dakgoot met de bijbehorende boeidelen vervangen. In de zomer van 2024 zijn de werkzaamheden aan de garage afgerond. 2.3. Er is sprake van overbouw van de garage boven het perceel van [partij 1] . De dakgoot steekt ongeveer 25 centimeter over de erfgrens, boven het perceel van [partij 1] , uit. 2.4. Per brief van 6 november 2024 heeft [partij 1] zich tot [partij 2] gewend met betrekking tot de overbouw van de aanwezige dakgoot. Op 11 november 2024 heeft [partij 1] een tweede brief gestuurd. Op 14 november 2024 heeft er een gesprek tussen partijen plaatsgevonden en op 8 januari 2025 ontving [partij 2] een brief van de gemachtigde van [partij 1] , waarin werd geëist dat de overbouw van het dak tot de erfgrens zou worden teruggebracht. 3Het geschil in conventie 3.1.
[partij 1] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij 2] te gebieden om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, de overbouwsituatie op te heffen, zodanig dat het opgebouwde gedeelte van het garagedak van [partij 2] boven het perceel van [partij 1] wordt verwijderd, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel daarvan dat [partij 2] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel in strijd handelt met het vonnis, met veroordeling van [partij 2] in de proceskosten. 3.2.
[partij 1] legt aan haar vordering ten grondslag dat de handelswijze van [partij 2] jegens [partij 1] een onrechtmatige inbreuk vormt op haar eigendomsrecht op grond van artikel 5 :1 BW jo. artikel 6:162 BW. [partij 2] heeft zijn garagedak vernieuwd. Na vernieuwing hangt een gedeelte van het garagedak en de dakgoot boven het perceel van [partij 1] . Voorafgaand aan het uitvoeren de werkzaamheden was er geen sprake van enige overbouw. 3.3.
[partij 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [partij 1] in de proceskosten. [partij 2] voert aan dat de vordering is verjaard, dat er sprake is van misbruik van recht en zij doet door middel van een (voorwaardelijke) vordering in reconventie een beroep op art. 5 :54 BW. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in (voorwaardelijke) reconventie 3.5.
[partij 2] vordert in (voorwaardelijke) reconventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
i. [partij 1] te veroordelen om tegen een schadeloosstelling ter hoogte ven € 200,00, mee te werken aan de notariële vestiging van een erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van [partij 1] , [kadastrale gegevens 1] , plaatselijk bekend [adres 1] te [plaats] en ten behoeve van het perceel van [partij 2] , [kadastrale gegevens 2] , plaatselijk bekend [adres 2] te [plaats] , die strekt tot het handhaven van de bestaande toestand, te weten een erfdienstbaarheid van overbouw, inhoudende de verplichting van de eigenaren van het dienende erf ( [partij 1] ) te dulden dat het bouwwerk, (garagedak en de dakgoot) van circa 25 centimeter van de eigenaren van het heersende erf ( [partij 2] ) deels boven de grond van het dienende erf hangt, zoals in onderstaande tekening weergegeven; [partij 1] te veroordelen om binnen 30 dagen nadat het vonnis aan [partij 1] is betekend en bovendien in kracht van gewijsde is gegaan, medewerking te verlenen aan alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen die nodig zijn voor inschrijving van de hierboven in I genoemde erfdienstbaarheid in het openbare register van het Kadaster op kosten van [partij 2] ;
te bepalen dat als tijdige nakoming van het in sub II gevorderde uitblijft, het gewezen vonnis in de plaats komt van de akte(n) volgens artikel 3 :300 lid 2 BW;
met veroordeling van [partij 2] in de proceskosten. 3.6.
[partij 1] voert verweer. 3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie Verjaring van de vordering? 4.1. Op grond van artikel 5 :21 lid 1 BW heeft de eigenaar van de grond het exclusieve gebruiksrecht van de ruimte daarboven. [partij 1] kan op die grond in beginsel verwijdering verlangen van hetgeen zich boven haar perceel bevindt. Vast staat dat het dak van de garage van [partij 2] ca. 25 centimeter boven het perceel uitsteekt. [partij 2] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de vordering tot opheffing van de onrechtmatige toestand is verjaard. Dit verweer slaagt. Op grond van artikel 3 :314 BW jo. artikel 3 :306 BW verjaart een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand twintig jaar na de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden. 4.2.
[partij 1] heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de situatie van de daken van partijen, waarbij de rand van het dak van de garage en de dakgoot van [partij 2] uitsteekt boven het perceel al tientallen, in elk geval meer dan twintig, jaren bestaat. Dat dit ook in de oude situatie, voor de dakrenovatie door [partij 2] in 2024, het geval was, blijkt ook uit het volgende. 4.3. De garage is gebouwd in 1979, zo blijkt uit de bouwtekeningen van 1 september 1979. Op het moment van de bouw van de garage is de overbouwsituatie ontstaan. Bij het bouwen van de garage is asbesthoudend materiaal gebruikt voor het dak van de garage. Asbest mag sinds 1 juli 1993 niet meer gebruikt, verkocht of geproduceerd worden in Nederland. Dit asbesthoudende materiaal is pas in 2024 door [partij 2] verwijderd. Hierna zijn er nieuwe dakplaten gelegd, waarbij de constructie van het dak ongewijzigd is gebleven. Dit wordt tevens ondersteund door de verklaring van de vorige eigenaar van het huis van [partij 2] . Zij bevestigt dat [partij 1] nimmer geklaagd heeft over de overbouw van de garage en dat de garage met overbouw al aanwezig was bij aankoop van de woning in 2001. De vorige eigenaar heeft van 2001 tot 2021 in de woning gewoond. 4.4. Ook blijkt uit de kadastrale kaart van 28 januari 2021 dat de overbouwsituatie al aanwezig was vóór de door [partij 2] uitgevoerde werkzaamheden. Op deze kaart is namelijk te zien dat een gedeelte van het dak van de garage de erfgrens overschrijdt. 4.5. De kantonrechter verwerpt daarbij de stelling van [partij 1] dat [partij 2] haar dak bij de dakrenovatie in 2024 heeft verhoogd, waardoor het dak en de dakgoot verder boven de erfgrens uitsteken dan daarvoor. Dit is niet gebleken. Dat de overbouw in 2024 is toegenomen, volgt de kantonrechter dus niet. Ook is er geen sprake van een nieuwe situatie. De dakconstructie is ongewijzigd. 4.6. De kantonrechter kan geen oordeel geven over de ter zitting geponeerde stelling van [partij 1] dat het dak en de overbouw niet netjes zijn afgewerkt. Dit is geen onderdeel van het deze procedure. 4.7. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [partij 1] , om [partij 2] te veroordelen de overschrijding van de erfgrens tussen de percelen van partijen ongedaan te maken, niet kan worden toegewezen, omdat de vordering is verjaard. Kosten 4.8.
[partij 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 2] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 542,50 4.9. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.10. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. in (voorwaardelijke) reconventie 4.11. De voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld is niet vervuld omdat het verjaringsverweer slaagt, zodat de kantonrechter niet toekomt aan de beoordeling daarvan. 5De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. wijst de vorderingen van [partij 1] af, 5.2. veroordeelt [partij 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [partij 1] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. in (voorwaardelijke) reconventie 5.5. verstaat dat over de vordering niet hoeft te worden beslist, 5.6. compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.