Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:7238

Schorsing van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten. De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad der Nederlanden.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:7238 text/xml public 2026-08-05T15:58:37 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-05 02-198905-25 Uitspraak Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7238 text/html public 2026-08-05T13:13:13 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:7238 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-08-2026 / 02-198905-25
Schorsing van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten. De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad der Nederlanden.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht

Zittingsplaats Breda

parketnummer: 02-198905-25

Beslissing op het verzoek schorsing voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 29 juli 2026

(artikel 80 Wetboek van Strafvordering)

in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[inschrijfadres] ,

nu gedetineerd in P.I. [locatie] .

Raadsman mr. H. van Asselt, waargenomen door mr. Rokx.
Procedure
De raadkamer heeft op 16 juli 2025 de gevangenhouding bevolen voor de duur van 90 dagen. Door middel van een bevel gevangenneming heeft de rechtbank op 18 juni 2026 de grondslag van de verdenking waar de voorlopige hechtenis op ziet uitgebreid, in die zin dat zij ernstige bezwaren heeft aangenomen voor twee aanvullende aangiftes. Op 23 juli 2026 is op de griffie van de rechtbank een verzoekschrift binnengekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie en de raadsman gehoord. Verdachte heeft schriftelijk afstand gedaan van het recht te worden gehoord.
Beoordeling
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen met als doel dat verdachte zijn onherroepelijke gevangenisstraf van 6 maanden (parketnummer20/001617-25, arrest hof ’s-Hertogenbosch 23 februari 2026) kan uitzitten. Zij beroept zich daarbij hoofdzakelijk op de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) met betrekking tot artikel 5 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de invulling die de rechtbank daaraan heeft gegeven in vier recente uitspraken van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:5594), 15 juli 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:6488 en ECLI:NL:RBZWB:2026:6491) en 22 juli 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:6785).

De officier van justitie heeft zich daartegen verzet. Hij beroept zich daarbij op de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2026 (ECLI:NL:GHSHE:2026:1979) en de daarin vervatte uitleg van de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Regeling).

De rechtbank oordeelt als volgt.

De rechtbank zal aan de Hoge Raad der Nederlanden prejudiciële vragen stellen op grond van artikel 553 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) met als inhoud welke normen van toepassing zijn bij de beantwoording van de vraag wanneer de voorlopige hechtenis van een verdachte geschorst moet worden om een onherroepelijke gevangenisstraf uit te zitten.

Vaststaande feiten

De raadkamer heeft op 16 juli 2025 de gevangenhouding bevolen voor twee feiten betrekking hebbend op mensenhandel. Door middel van een bevel gevangenneming heeft de Meervoudige Kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 18 juni 2026 de grondslag van de verdenking waar de voorlopige hechtenis op ziet uitgebreid, in die zin dat zij ernstige bezwaren heeft aangenomen voor twee aanvullende aangiftes. Op dit moment gelden als dragende gronden het gevaar op herhaling en de 12-jaarsgrond. Verdachte is in de zaak onder parketnummer 02/198905-25 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden.

De context van de vragen

Vóór 1 januari 2020 was de bestendige lijn in de rechtspraak dat de voorlopige hechtenis werd geschorst voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke gevangenisstraf op grond van het subsidiariteitsbeginsel zoals vastgelegd in de jurisprudentie van het EHRM en in het nationale recht, inhoudende dat de voorlopige hechtenis moet worden geschorst indien de doelen daarvan op minder ingrijpende wijze kunnen worden bereikt, tenzij er omstandigheden zijn die dit anders maken (‘schorsen, tenzij’).

Op 1 januari 2020 is de executie van gevangenisstraffen overgegaan van het Openbaar Ministerie naar de Minister van Justitie. Vanaf dat moment heeft het Openbaar Ministerie beleid ontwikkeld op basis waarvan het zich is gaan verzetten tegen een schorsing van de voorlopige hechtenis teneinde een onherroepelijke vrijheidsstraf uit te zitten. Het Openbaar Ministerie stelt zich daarbij op het standpunt dat artikel 1:4 van de Regeling dwingend voorschrijft op welke wijze en in welke volgorde executie van vrijheidsbenemende straffen en dwangmiddelen dient plaats te vinden. Daarnaast wijst het op verschillende praktische problemen, waaronder ICT-problemen, waar het in de praktijk tegenaan loopt.

De rechtbank en het Hof ’s-Hertogenbosch hebben na 1 januari 2020 de schorsing van de voorlopige hechtenis voor het uitzitten van een gevangenisstraf steeds bevolen op grond van genoemd Europeesrechtelijk en nationaal rechtelijk subsidiariteitsbeginsel, terwijl zij de argumenten daartegen van het Openbaar Ministerie steeds verwierpen. Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 18 april 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1372).

In zijn uitspraak van 5 juni 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:1865) week het Hof af van voornoemde bestendige lijn en legde een nieuw beoordelingskader aan zijn beslissing ten grondslag, te weten dat de voorlopige hechtenis niet geschorst moet worden, tenzij er zwaarwegende persoonlijke omstandigheden zijn (‘niet schorsen, tenzij’). Het Openbaar Ministerie heeft in latere raadkamerzaken aangegeven dat de reden van het ‘omgaan’ van het Hof is gelegen in rechtseenheidsafspraken tussen de gerechtshoven. De rechtbank stelt echter vast dat het Hof in de genoemde uitspraak aangeeft dat er ‘van een onweerlegbaar vaststaande lijn van de gerechtshoven’ geen sprake is.

In de beslissing van het Hof van 23 juli 2026 op het hoger beroep van de uitspraak van 24 juni 2026 van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, bekrachtigt het Hof de beslissing van de rechtbank, met toepassing echter van het nieuwe uitgangspunt ‘niet schorsen, tenzij’.

De redenen voor het stellen van prejudiciële vragen

Sinds 1 januari 2020 is tussen de gerechten een discussie gaande over de vraag wat het uitgangspunt moet zijn bij het schorsen van de voorlopige hechtenis om een onherroepelijke gevangenisstraf uit te zitten: ‘schorsen, tenzij’ of ‘niet schorsen, tenzij’. Het gaat jaarlijks om vele tientallen zaken, met verstrekkende gevolgen voor verdachten/veroordeelden. Bovendien gaat het ook om een fundamentele vraag naar de vrijheidsrechten van personen: kan de Regeling afdoen aan het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 EVRM, en levert de efficiënte bedrijfsvoering van het Openbaar Ministerie een rechtvaardiging op om het subsidiariteitsbeginsel in te perken.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad der Nederlanden, met als doel duidelijkheid te krijgen over de antwoorden op deze vragen. De vragen overstijgen deze concrete zaak en zijn van bijzonder gewicht.

De prejudiciële vragen

De prejudiciële vragen concentreren zich hoofdzakelijk rond drie thema’s: ten eerste de uitleg van het subsidiariteitsbeginsel, ten tweede de uitleg van de Regeling, en ten slotte, de risico’s waarvan het Openbaar Ministerie stelt dat zij een rechtvaardiging vormen om niet te schorsen. De rechtbank zal de vragen groeperen rond deze drie thema’s.

Het subsidiariteitsbeginsel

Volgt uit het op grond van Europees en nationaal recht geldende subsidiariteitsbeginsel bij het schorsen van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten, het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’ of volgt daaruit het uitgangspunt ‘niet-schorsen, tenzij’? Voor het nationale recht verwijst de rechtbank naar de Memorie van Toelichting op artikel 68 WvSv (Kamerstukken II 1962-1963, 7101, nr. 3, p. 5.)

Kan op het onder 1 genoemde subsidiariteitsbeginsel inbreuk worden gemaakt door de overheveling van de executiebevoegdheid met betrekking tot gevangenisstraffen van het Openbaar Ministerie naar de Minister van Justitie op 1 januari 2020? Of met andere woorden: kan de interne organisatie van de Staat de reikwijdte van het subsidiariteitsbeginsel mede bepalen?

Is de Regeling in overeenstemming met het Europeesrechtelijke subsidiariteitsbeginsel?

Is de Regeling in overeenstemming met het in het nationale recht neergelegde subsidiariteitsbeginsel? In dit verband verwijst de rechtbank naar de Memorie van Toelichting op artikel 68 WvSv (Kamerstukken II 1962-1963, 7101, nr. 3, p. 5).

De Regeling

5. Is de executievolgorde van artikel 1:4 Regeling dwingend, in die zin dat de executievolgorde aan een schorsing van de voorlopige hechtenis (in beginsel) in de weg staat om een gevangenisstraf uit te zitten? Bij deze vraag verwijst de rechtbank naar de Toelichting op de Regeling (Staatscourant 27 december 2019, 69780).

6. Wordt de executievolgorde van artikel 1:4 Regeling doorbroken, indien de voorlopige hechtenis wordt geschorst om een gevangenisstraf uit te zitten? Hierbij verwijst de rechtbank naar het Praktijkboek voorlopige hechtenis van G. Mols (pagina 197 e.v.).

7. Staat de uitleg van ‘zwaarwegende persoonlijke belangen’ van artikel 1:9 Regeling aan het schorsen van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten, in de weg?

De risico’s

8. Kunnen risico’s bij het tenuitvoerleggen van een bevel schorsing van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten een rechtvaardiging vormen om inbreuk te maken op het Europeesrechtelijke en nationaalrechtelijk subsidiariteitsbeginsel?

9. Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend is, wordt dat antwoord dan anders indien die risico’s ondervangen kunnen worden door werkafspraken en/of computerverbindingen te maken tussen het Openbaar Ministerie en AICE?

10. Behoort het tot de wettelijke taak van AICE de coördinatie te verzorgen in de strafketen indien de voorlopige hechtenis wordt geschorst om een gevangenisstraf uit te zitten? De rechtbank verwijst naar de Memorie van Toelichting bij de Wet USB (TK 2014–2015, 34 086, nr. 3, p. 80).

11. Kan het Openbaar Ministerie, als vertegenwoordiger van de Staat bij de gerechten, een geslaagd beroep doen op risico’s bij de executie van een bevel schorsing ter afwering van een schorsing van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten, nu de Staat (wetgever) deze risico’s zelf in het leven heeft geroepen?

12. Is een beroep op een louter mogelijke, abstracte realisatie van risico’s voldoende voor een geslaagd beroep door het Openbaar Ministerie op die risico’s? De rechtbank merkt daarbij op dat het Openbaar Ministerie de gestelde risico’s bij de executie van een bevel schorsing om een gevangenisstraf uit te zitten de afgelopen jaren niet staaft met voorbeelden waarin die risico’s zich daadwerkelijk hebben gerealiseerd. Tevens merkt de rechtbank op dat in de jaren na 1 januari 2020 het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de rechtbank in tientallen zaken de voorlopige hechtenis om een gevangenisstaf schorsten, zonder dat het Openbaar Ministerie aan de rechtbank concrete problemen heeft gerapporteerd.

13. Kan het Openbaar Ministerie een geslaagd beroep doen op de gestelde risico’s bij een schorsing van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstaf uit te zitten bij niet zwaarwegende persoonlijke omstandigheden indien die risico’s hetzelfde zijn als bij zwaarwegende persoonlijke belangen?

14. Komt het Openbaar Ministerie een geslaagd beroep toe op de risico’s bij de executie van een bevel schorsing ter executie indien de rechtbank bepaalt dat de voorlopige hechtenis herleeft indien verdachte om wat voor reden dan ook tijdens het uitzitten van zijn gevangenisstraf feitelijk in vrijheid dreigt te worden gesteld?

De rechtbank begrijpt dat de Hoge Raad der Nederlanden graag verneemt van de rechtbank wat zij als de juiste antwoorden op de vragen ziet. Voor de opvatting van de rechtbank verwijst zij kortheidshalve naar de hierboven genoemde uitspraken van de rechtbank.

Kort samengevat komt de opvatting van de rechtbank erop neer dat de bestendige lijn van jaren in de rechtspraak moet worden gecontinueerd, namelijk dat de voorlopige hechtenis geschorst moet worden om een onherroepelijke gevangenisstraf uit te zitten, tenzij er goede redenen zijn daarvan af te wijken. De overheveling van de executiebevoegdheid van het Openbaar Ministerie naar de Minister van Justitie vormt geen rechtvaardiging van dit uitgangspunt af te wijken, noch de executievolgorde van artikel 1:4 van de Regeling, noch een efficiënte bedrijfsvoering van het Openbaar Ministerie. De gestelde risico’s bij de executie van een bevel schorsing van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten, kunnen worden ondervangen door goede werkafspraken te maken tussen het Openbaar Ministerie en AICE en de voorlopige hechtenis te laten herleven in het geval de verdachte feitelijk in vrijheid zou worden gesteld om wat voor reden dan ook tijdens het uitzitten van zijn gevangenisstraf.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voornemen van de rechtbank, alsmede op de voorgestelde vragen. Het standpunt van partijen is als bijlage aan deze beslissing gehecht.
Beslissing
De rechtbank:

Houdt de zaak voor onbepaalde aan in afwachting van de beantwoording van de hiervoor geformuleerde prejudiciële vragen door de Hoge Raad der Nederlanden.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 5 augustus 2026 door:

mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,

mr. E.B. Prenger en mr. J.F.C. Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van S.E. van de Berkt, griffier.

Artikel delen