uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.785 aan verschuldigde Bpm. 1.2. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 49 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht maar niet naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende heeft op 3 december 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes-Benz V-Klasse met [VIN-nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.049. 4.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 30 november 2022 vermeld als datum waarop de auto fysiek is geschouwd. 4.2. De auto is door de RDW op 29 november 2022 gekeurd. 4.3. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het taxatierapport niet kan dienen omdat de fysieke opname ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm, gebaseerd op de forfaitaire tabel, berekend op € 11.834 en de naheffingsaanslag op 2 juni 2023 opgelegd. Motivering Toepassing taxatierapport 5. Tussen partijen is in geschil of het taxatierapport van belanghebbende gebruikt kan worden voor het bepalen van de Bpm. De inspecteur stelt dat de fysieke opname voor de taxatie ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden en dat daardoor het taxatierapport niet kan worden gebruikt. Belanghebbende stelt dat het taxatierapport slechts 14 uur na het keuringsmoment is opgemaakt. De inspecteur handelt in strijd met het evenredigheidsbeginsel als hierdoor het taxatierapport niet kan dienen. 5.1. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment is de datum van de goedkeuring bij de RDW. Naar het oordeel van de rechtbank kan het taxatierapport niet dienen als onderbouwing aangezien de fysieke opname na het afschrijvingsmoment is geweest. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het taxatierapport 14 uur na het afschrijvingsmoment is opgesteld geen reden om anders te oordelen. De inspecteur heeft niet gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Koerslijst 6. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de koerslijst Xray had moeten gebruiken aangezien dit de voordeligste manier is voor belanghebbende. De inspecteur betwist dat de koerslijst van Xray gebruikt kan worden omdat de koerslijst aldus de inspecteur niet is gebaseerd op daadwerkelijke transacties. Belanghebbende voert hierbij aan dat de inspecteur dit standpunt niet kan innemen op grond van intern beleid van de Belastingdienst. 6.1. Gelet op het interne beleid van de Belastingdienst, is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de koerslijst Xray buiten beschouwing te laten. Het interne beleid was op de calculatiedatum van de koerslijst nog niet ingetrokken. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de koerslijst Xray niet aanwezig was, gelet op de calculatiedatum van de koerslijst. De koerslijst Xray kan daardoor wel gebruikt worden. De naheffingsaanslag moet worden verminderd aan de hand van de koerslijst. De handelsinkoopwaarde wordt daardoor vastgesteld op € 40.089 en de nieuwprijs € 91.022. De verschuldigde Bpm is dan € 10.656. De naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 5.607. 6.2. De inspecteur is niet verplicht om zelfstandig de laagste koerslijst te gebruiken. Voor vergoeding van de kosten van het opvragen van de koerslijst ziet de rechtbank daarom geen aanleiding. Belastingrente 7. Belanghebbende stelt dat de belastingrente ten onrechte is opgelegd. Belastingrente wordt pas in rekening gebracht als de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft, aldus belanghebbende. 7.1. Op grond van artikel 30h, eerste lid, van de AWR wordt belastingrente in rekening gebracht indien de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. Het belastbare feit heeft plaatsgevonden in 2022. De naheffingsaanslag is opgelegd in 2023. Naar het oordeel van de rechtbank is terecht belastingrente in rekening gebracht. 7.2. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende naheffingsaanslag zal worden verminderd, zal de rechtbank het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig verminderen. Immateriëleschadevergoeding 8. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 8.1. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 21 juni 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond veertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. 8.2. De termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden in de beroepsfase. De schadevergoeding komt daarom voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking worden verminderd. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Aangezien de koerslijst pas in de beroepsfase voor het eerst is overgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om alleen voor de beroepsfase een proceskostenvergoeding toe te kennen. Ten aanzien van de beroepsfase heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.868. Beslissing De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 5.607 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier. griffier rechter De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.